Conclusie
adv.: mr. K. Aantjes
niet verschenen
1.Feiten en procesverloop
primairverzocht te bepalen dat de gemeenschappelijke woning aan de man wordt toebedeeld, onder de verplichting de helft van de overwaarde aan de vrouw te voldoen, dan wel
subsidiairte bepalen dat de woning dient te worden verkocht aan een derde, waarbij de verkoopopbrengst tussen partijen bij helfte dient te worden gedeeld. [3]
de woning in Spanje). Ter financiering van de woning in Spanje is een hypotheek afgesloten bij Deutsche Bank, welke hypotheek inmiddels geheel is afgelost. Volgens de vrouw valt de woning in een eenvoudige gemeenschap tussen de man en de vrouw en dient deze gemeenschap verdeeld te worden. [4]
primairverzocht de vrouw in haar verzoek niet ontvankelijk te verklaren dan wel
subsidiairhet verzoek af te wijzen. [5] De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de woning in Spanje geen gemeenschappelijk eigendom van de man en de vrouw is. [6]
de handelszaak). [8] Daarin vorderen de man en [A] B.V. - onder meer en samengevat - de vrouw te veroordelen een bedrag van € 30.000,- aan de man te voldoen ter zake van een afschrijving van een privé-bankrekening van de man. Bij proces-verbaal van comparitie van 19 oktober 2018 is de handelszaak verwezen naar de parkeerrol van 3 april 2019, in afwachting van de uitkomst van de echtscheidingsprocedure, omdat partijen wensen dat alle vorderingen in de handelszaak worden meegenomen in de echtscheidingsprocedure. [9]
toev. A-G) [12] . Zij heeft van de man reeds € 30.000,- teruggekregen op 24 april 2017, zodat zij nog een vordering op de man heeft van ruim € 42.000,-, aldus de vrouw;
toev. A-G) blijkt dat de in het overzicht genoemde bedragen afkomstig waren van een op haar naam gestelde privérekening. De man heeft zijn stelling dat deze rekening door hem werd gevoed, gelet op de betwisting door de vrouw, op geen enkele wijze onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat de vrouw voldoende heeft onderbouwd dat zij een bedrag van € 72.954,80 in de woning heeft geïnvesteerd. Nu de vrouw reeds een bedrag van € 30.000,- van de man heeft ontvangen, komt aan de vrouw nog een bedrag van € 42.954,80 toe ten behoeve van door haar uit privévermogen gedane investeringen in de woning;
Grief IIvan de man heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank over de verdeling en verrekening van de woning in Spanje.
De man verzoekt in appel de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze betrekking heeft op de beslissingen van de rechtbank waartegen hij zijn grieven heeft gericht en, in zoverre opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, al dan niet met aanvulling en/of verbetering van gronden, de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken althans deze af te wijzen. [13]
primairte bepalen dat de woning in Spanje eigendom is van de man, althans de man de volledige waarde van deze onroerende zaak toekomt;
subsidiairte bepalen [dat de man,
toev. A-G] jegens de eenvoudige gemeenschap een vergoedingsrecht toekomt overeenkomende met de waarde van de woning in Spanje;
meer subsidiairte bepalen dat de man jegens de eenvoudige gemeenschap een vergoedingsrecht ten bedrage van € 285.948,- [heeft,
toev. A-G], althans een zodanig bedrag als het hof in goede justitie vermeent te behoren;
meer meer subsidiairte bepalen dat de man op de vrouw een vordering heeft ter zake de door hem gedane investeringen in en aan de woning in Spanje ten bedrage van € 142.974,-, althans een zodanig bedrag als het hof in goede justitie vermeent te behoren;
meer meer subsidiairde vrouw te veroordelen om aan de man te voldoen het bedrag van € 142.974,-, althans een zodanig bedrag als het hof in goede justitie vermeent te behoren. [15]
De
incidentele grief 3richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over de woning in Spanje. De vrouw stelt dat naast het in het overzicht (productie 8 in de handelszaak,
toev. A-G) genoemde bedrag van € 72.954,80 ook nog een aanbetaling van € 15.000 had moeten worden vermeld, zodat zij in totaal een bedrag van € 87.964,80 in de woning heeft geïnvesteerd. [16] Bovendien bedroeg de hypotheek volgens de vrouw € 120.000,-, waarvan de vrouw een bedrag van € 35.000,- heeft afgelost, zodat de man niet meer dan € 85.000,- kan hebben afgelost. Ook heeft de man geen vordering op de vrouw ten aanzien van de verbouwing van de woning. [17] De vrouw verzoekt het hof - samengevat - hetgeen de rechtbank heeft bepaald aan te passen, in die zin dat (i) als de taxatiewaarde € 142.954,80 of meer bedraagt, de man van dat meerdere de helft aan de vrouw dient te voldoen, alsmede een bedrag van € 57.954,80 ter zake door de vrouw uit haar privévermogen gedane investeringen in de woning, en dat (ii) indien de taxatiewaarde minder dan € 142.954,80 bedraagt, partijen beiden evenveel dienen bij te dragen in dat mindere, zodat de man € 57.954,80 minus de helft van het mindere aan de vrouw dient te voldoen. [18]
€ 5.400.-
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Iis gericht tegen het oordeel van het hof dat de totale aankoopsom van de woning € 257.405,68 bedraagt (rov. 25), alsmede tegen het oordeel van het hof dat de vrouw in totaal € 38.422,- in de woning heeft geïnvesteerd (rov. 26.c).
Onderdeel IIkeert zich tegen de overweging van het hof dat de vrouw het bedrag van € 30.000,- zonder toestemming van de man van de rekening heeft opgenomen (rov. 26.h).
Onderdeel IIIis een voortbouwklacht.
Onderdeel IVheeft betrekking op het dictum van de beschikking.
Volgens de
eerste klachtis onbegrijpelijk dat het hof in rov. 25 bij de aankoopsom van € 156.463,60 de aanbetaling van € 15.000,- heeft
opgeteld. Die aanbetaling maakt immers deel uit van de koopsom, aldus de klacht.
Bovendienis het hof ten onrechte voorbijgegaan aan de essentiële stelling van de vrouw dat deze aanbetaling door de vrouw is voldaan. Het is daarom onbegrijpelijk dat het hof in rov. 26.c het bedrag van de aanbetaling niet bij de door de vrouw geïnvesteerde bedragen heeft opgenomen, aldus het onderdeel.
Ten derdeklaagt het onderdeel dat onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 25 het bedrag van € 85.942,08 bij de aankoopsom optelt. Deze door de man gestelde investeringen zijn door de vrouw immers uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist. Het hof overweegt in rov. 24 zelf dat de vrouw (in nr. 19 van haar verweerschrift in hoger beroep) de investeringen van de man bestrijdt. Het is dan ook onbegrijpelijk dat het hof aan de betwisting door de vrouw voorbij gaat, dan wel is deze beslissing van het hof innerlijk tegenstrijdig.
nominaalvergoedingsrecht ontstaat (rov. 10);
uit wiens vermogende woning in Spanje is gefinancierd.
toev. A-G]: Het is niet op basis van een schenking. De vrouw heeft het gestolen van een Nederlandse rekening. Het is een onrechtmatige daad.
2015
klachtenbetekent een en ander het volgende.
prijs van de woning € 150.000,-minus 10% aanbetaling, totaal € 135.000,-, overdrachtsbelasting en kosten hypothecaire geldlening € 21.463,60, totale aankoop € 156.463,60.” (rov. 23, met onderstreping A-G). Deze vaststelling is in cassatie niet bestreden. Bovendien kan, nu de man voor de onderbouwing van zijn stellingen met betrekking tot de hoogte van de koopsom verwijst naar de producties bij zijn verzoekschrift in hoger beroep, en deze producties in het procesdossier ontbreken, niet worden vastgesteld dat de lezing van het hof onbegrijpelijk is. Uitgaande van deze lezing is niet onbegrijpelijk dat het hof bij de vaststelling van de totale aankoopsom de eerder in mindering gebrachte aanbetaling ad 10% (ofwel € 15.000) alsnog heeft opgeteld.
Verder heeft de vrouw zelf gesteld dat de aanbetaling voor de woning € 15.000 bedroeg en dat partijen vervolgens voor de overdracht, inclusief de provisiekosten van € 21.463,-, nog een totaalbedrag moesten neerleggen van € 156.463,60. [38] Partijen hebben nagelaten de door het hof verzochte (vertaling van de) aankoopnota en notariële afrekening over te leggen, [39] zodat het hof voor de hoogte van de koopsom slechts kon afgaan op de stellingen van partijen.
onderdeel Ifalen.
onderdeel IIIeveneens.
onderdeel IVheeft het hof in het dictum van de bestreden beschikking het gedeelte van de beschikking van de rechtbank waarin de rechtbank de woning toebedeelt aan de man, onder de verplichting om de helft van de waarde (na verrekening van de door de vrouw gedane investeringen) aan de vrouw te vergoeden, vernietigd en een nieuwe beslissing ten aanzien van de tussen partijen te verrekenen bedragen genomen. Daarbij heeft het hof echter verzuimd opnieuw te beslissen dat (i) de woning aan de man dient te worden toebedeeld, (ii) onder de verplichting om de helft van de waarde aan de vrouw te vergoeden, aldus het onderdeel.
“Indien de (…) te voldoen”)heeft vernietigd en in plaats daarvan heeft bepaald dat de man een vorderingsrecht heeft op de vrouw van € 120.280,84. De eerste vier volzinnen van het onder 2.30 geciteerde gedeelte van het dictum (
“aan de (…) de taxatie.”), waarin de rechtbank - kort gezegd - de woning aan de man heeft
toebedeelden heeft bepaald dat en op welke wijze de woning dient te worden getaxeerd, heeft het hof echter bekrachtigd. In dit verband heeft het hof in rov. 18 overwogen het dictum van de rechtbank zo te begrijpen dat de vrouw haar aandeel in de woning in Spanje aan de man dient over te dragen.