Conclusie
1.Feiten
B: Inventarisatiefase
backing) zal na aanleg verteren, zodat het natuurgras zoveel mogelijk de ruimte krijgt goed te wortelen. In voornoemd e-mailbericht van [betrokkene 1] staat onder meer het volgende:
Conclusie:
2.Procesverloop
Eerste aanleg
:“
Het is u bekend dat het gerealiseerde hybrideveld diverse gebreken vertoont en niet voldoet aan alle eigenschappen van de in het bestek voorgeschreven norm NOCNSF-KNVB2-15.1 (...). De klacht is vooral dat van het veld (veel) minder speeluren gebruik kan worden gemaakt dan die waarin het programma van eisen voorziet omdat na regenval het hemelwater te lang op (grote delen van) het veld blijft staan als gevolg waarvan het onbespeelbaar is.” De gemeente heeft in de conclusie onder nummer 31 van de inleidende dagvaarding dit als volgt verwoord: Newae heeft een ontwerp en bestek vervaardigd dat voorziet in een hybrideveld dat moet voldoen aan de norm NOCNSF-KNVB2-15.1 met een minimaal aantal bespelingsuren van 600 uur per jaar; vanwege de geringe waterdoorlatendheid van de ondergrond wordt daaraan niet voldaan.”
De door de gemeente Wijchen en de v.v. Diosa geconstateerde water huishoudkundige problemen, gedurende regenrijke perioden worden grotendeels veroorzaakt door de aangetroffen verdichtingen van de bodem onder de verschraalde toplaag (...)” Op basis van de conclusie van dit rapport heeft de gemeente Newae aansprakelijk gesteld, zo blijkt uit de brief van 13 december 2016. In het tweede rapport van Kiwa van 6 juni 2017 is geen aanknopingspunt te vinden voor de stelling van de gemeente dat het hybride veld niet voldoet aan de genoemde norm. In antwoord op vraag 5 in dit rapport schrijft Kiwa onder meer: “
De aangetroffen zeer forse verdichtingen zijn vooral aangetroffen in het noordelijke gedeelte van het veld. In het voorjaar en de zomer zal overtollige neerslag ook verdampen, maar in de najaars- en winterperiode is dit zeer beperkt. Aanpassing van de onderbouw is derhalve naar de mening van Kiwa (...) noodzakelijk om een wedstrijd- en trainingswaardig veld te krijgen (...) Hierbij wordt verwezen naar de sporttechnische norm NOCNSF-KNVB2 bij het onderdeel condities en de materiaaltechnische norm NOCNSF-KNVB2 bij het onderdeel constructieve aspecten. (...)” Daaruit blijkt niet of en hoe is getoetst in hoeverre het veld voldoet aan de criteria van de norm NOCNSF-KNVB2-15.1.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
gesteldefeiten of rechten die aan een bepaald rechtsgevolg ten grondslag worden gelegd. Deze stelplicht heeft, zo blijkt eveneens uit art. 150 Rv Pro, (enkel) betrekking op feiten of rechten waaraan een door de betrokken partij beoogd rechtsgevolg is verbonden dat weer voortvloeit uit een (geschreven of ongeschreven) rechtsregel. [8] De inhoud van de stelplicht wordt dus bepaald door het beoogde rechtsgevolg dat op een rechtsregel is gebaseerd. Vordert eiser bijvoorbeeld schadevergoeding op grond van art. 6:162 BW Pro, dan moet hij die feiten stellen waaruit volgt dat aan alle in die bepaling genoemde vereisten voor aansprakelijkheid (toerekenbare onrechtmatige daad, schade en causaal verband) is voldaan. [9]
inhoud(welke feiten moeten worden gesteld/betwist?) en de
motivering(hoe concreet moeten die feiten worden onderbouwd?).
subonderdeel 1.1klaagt de Gemeente dat het hof ten onrechte aan het slot van rov. 4.9 [21] heeft geoordeeld dat de Gemeente niet heeft gesteld aan welke eisen van de KNVB-normen – anders dan ten aanzien van het aantal bespeelbare uren – het veld niet zou voldoen en in welke omstandigheden. In
subonderdeel 1.2betoogt de Gemeente dat het hof dit oordeel, in het licht van de door de Gemeente ingenomen stellingen, in elk geval ontoereikend heeft gemotiveerd. De Gemeente heeft immers gesteld dat (i) het veld niet aan de KNVB-norm voldeed, inhoudende dat binnen dertig minuten, nadat er in twee uur minder dan tien millimeter of in twaalf uur minder dan twintig millimeter regen is gevallen, alle eigenschappen van het veld aan de normen (voor balstuit, balrol en dergelijke) dienen te voldoen. De Gemeente heeft ook gesteld dat (ii) zich op de dag van oplevering langdurige plasvorming heeft voorgedaan, ook nadien langdurige plasvorming veelvuldig voorkwam, de allereerste oefenwedstrijd op het veld als gevolg van plasvorming is afgelast en het veld gedurende de herfst- en wintermaanden door plasvorming vrijwel onbespeelbaar was. Tevens heeft de Gemeente erop gewezen dat (iii) zij het beregeningsysteem heeft moeten aanpassen in die zin dat het veld niet de avond voor gebruik ervan wordt beregend (zoals gebruikelijk is), maar al de dag dáárvoor. Tot slot heeft de Gemeente gesteld dat (iv) een manager van Kiwa heeft verklaard dat het uitgesloten is dat de eigenschappen van het veld aan de KNVB-normen voldoen als er dertig minuten na de hiervoor genoemde hoeveelheid regenval nog plassen regenwater op het veld aanwezig zijn.
De gemeente stelt echter niet aan welke eisen het veld in welke omstandigheden het veld niet voldeed…”. Deze (deel)zin is niet dragend voor het dictum van het bestreden arrest. Gegrondbevinding van de klachten tegen de (deel)zin zal dus niet tot cassatie (kunnen) leiden. Het dictum van het bestreden arrest wordt immers gedragen door een ander, in cassatie niet bestreden, oordeel van het hof. Dit (dragende) oordeel, dat meerdere malen in het bestreden arrest terugkomt, houdt in dat de Gemeente onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd
hoe vaakhet veld niet aan de (overige) KNVB-normen voldeed. Het oordeel staat in de slotzin van rov. 4.9, ná de komma: “
De gemeente stelt echter niet aan welke eisen het veld in welke omstandigheden niet voldeed, laat staan dat zij heeft toegelicht en onderbouwd hoe dat is onderzocht en wat daarbij wanneer enhoe vaakis geconstateerd.” Het oordeel staat ook in rov. 4.10: “
Zoals uit het voorgaande volgt, is de stelling dat er soms, of zelfs vaak, sprake is van wateroverlast op het veld, onvoldoende om te kunnen constateren dat er sprake is van een tekortkoming. Het gaat er immers omhoe vaakhet veld onbespeelbaar was respectievelijk niet voldeed aan de (overige) daaraan te stellen eisen zoals neergelegd in de norm NOCNSF KNVB2-15.1. Daarover stelt en onderbouwt de gemeente onvoldoende.” Het oordeel komt ook terug in de slotzin van rov. 4.12: “
Zoals uit het voorgaande blijkt, is immers niet doorslaggevend of er (soms, of vaak) sprake is van wateroverlast, maar gaat het erom of datzo vaakgebeurt dat het veld niet aan de afgesproken norm voldoet.” (vet steeds aangebracht door mij, A-G)
hoe vaakhet veld niet aan de KNVB-normen voldeed – en dát oordeel dus het dragende oordeel voor het dictum is – blijkt ook uit rov. 4.7 (in cassatie evenmin bestreden), waarin het hof het volgende heeft geoordeeld ten aanzien van de norm dat het veld minimaal 600 uren per jaar bespeelbaar moet zijn: “
De gemeente bestrijdt op zichzelf niet dat het weinig zegt dat er soms water op het veld staat, en dat het erom gaathoe vaakhet veld als gevolg van de wateroverlast onbespeelbaar is. De gemeente heeft echter niet toegelichthoe vaakzich dat daadwerkelijk voordeed. Hoewel de gemeente ter comparitie in hoger beroep heeft vermeld dat er wel is bijgehouden wanneer er niet gespeeld kon worden door de plasvorming, heeft zij daarvan geen registratie overgelegd. Ook overigens blijkt uit niets hoeveel uren er wel en hoeveel uren er niet gespeeld kon worden.” (vet steeds aangebracht door mij, A-G)