Conclusie
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. E.F.A. Linssen-van Rossum,
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
- de medische verklaring;
- het advies van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Iklaagt dat de rechter in de bestreden beschikking eraan voorbij is gegaan dat de officier van justitie heeft verzuimd te vermelden of er een wettelijke vertegenwoordiger is aangesteld en, zo nodig, de procedure tot aanstelling van een wettelijke vertegenwoordiger heeft gestart.
Onderdeel IIvoegt daaraan toe dat indien de verlening van de rechterlijke machtiging doorgang vindt zonder dat een wettelijke vertegenwoordiger is aangesteld, de rechter dient te motiveren waarom de behandeling van het verzoek kan worden voortgezet en er sprake is van spoedeisendheid bij de te verlenen zorg. Het onderdeel stelt dat de rechter bij gebreke van duidelijkheid omtrent de wettelijke vertegenwoordiging van betrokkene de behandeling van het verzoek had dienen aan te houden, dan wel dienen te motiveren waarom een aanhouding op basis van het dossier niet nodig was, omdat er sprake was van spoedeisendheid van de te verlenen zorg. Het onderdeel stelt dat door dat niet te doen, het in de beschikking gegeven oordeel in strijd is met de wettelijke bepalingen, waaronder art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e EVRM, maar tevens onbegrijpelijk wegens het ontbreken van een toereikende motivering.
a. gaat hij na of er politiegegevens als bedoeld in de Wet politiegegevens of justitiële en strafvorderlijke gegevens als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens over de cliënt zijn die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het ernstig nadeel en de noodzaak tot onvrijwillige opname en verstrekt hij die gegevens aan de arts die de in onderdeel b bedoelde medische verklaring opstelt, tenzij het belang van enig strafrechtelijk onderzoek zich daartegen verzet;
b. draagt hij zorg voor een medische verklaring als bedoeld in artikel 26, vijfde lid onderdeel d, opgesteld in overeenstemming met het bepaalde in de artikelen 26, zevende lid en 27;
c. gaat hij na of de betrokkene een wettelijk vertegenwoordiger heeft en start zo nodig de procedure voor het aanwijzen van een wettelijk vertegenwoordiger;
d. verzoekt hij het CIZ om een schriftelijk advies over de noodzaak voor een rechterlijke machtiging en over de tenuitvoerlegging daarvan waarbij hij aan het CIZ de gegevens bedoeld in onderdeel a, de verklaring bedoeld in onderdeel b en, zo mogelijk, de gegevens van de wettelijk vertegenwoordiger van de cliënt verstrekt.”
Daarenboven is over betrokkene onlangs (1 maart 2021) een uitvoerig rapport Pro Justitia uitgebracht. In het kader van het psychologische onderzoek werd het IQ van betrokkene gemeten met de GIT 2. Het IQ kwam uit op 60, wat overeenkomt met eerdere metingen.”
(…)
Betrokkene praatte op een vlotte wijze en maakte op het eerste gezicht geen minder begaafde indruk. Al snel bleek echter dat betrokkene woorden verkeerd gebruikte; zo zei hij “hiërarchie” terwijl hij “regie” bedoelde. Zijn woordenschat is beperkt, betrokkene bleek een geringe algemene kennis te hebben en ook was hij minder in staat om oorzaak-gevolg verbanden te zien. Er waren hiermee duidelijke aanwijzingen voor verminderde begaafdheid.
(…)
Betrokkene geeft weinig blijk van schuld- en schaamtegevoelens en de gewetensfunctie lijkt hiermee minder ontwikkeld. Zijn maatschappelijk normbesef is beperkt; betrokkene vindt niet dat hij onmaatschappelijk gedrag heeft vertoond, zoals schoolverzuim, overmatig alcoholgebruik met overlast en ruzie, mishandeling bij het tenlastegelegde.
zo nodigde procedure start voor het aanwijzen van een wettelijk vertegenwoordiger.