Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
tweede middelricht zich tegen het door het hof bevestigde oordeel van de rechtbank dat de betrokkene hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele vastgestelde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.
Op basis van het op 13 januari 2017 ter terechtzitting gehouden onderzoek, in samenhang met de inhoud van het procesdossier, het vonnis in de onderliggende strafzaak en de daaraan ontleende bewijsmiddelen, stelt de rechtbank vast dat veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan (onder meer) het medeplegen van telen van hennep(planten) in twee kwekerijen, een gelegen aan de [a-straat 1] (hierna: [a-straat ] ) en een gelegen aan de [b-straat 1] in [plaats] (hierna: [b-straat ] ). Uit de verklaringen van mededader [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) volgt dat veroordeelde de hennepkwekerij in de woning van [betrokkene 1] aan de [b-straat ] (mede) heeft ingericht en verzorgd. Ook leidt de rechtbank uit de verklaringen van [betrokkene 1] af dat veroordeelde tevens mede verantwoordelijk is geweest voor de inrichting en verzorging van de hennepkwekerij, aangetroffen aan de [a-straat ] .
NJ2018/312 m.nt. Kooijmans, kan worden afgeleid dat hoofdelijkheid in ontnemingszaken zich slechts in uitzonderlijke gevallen voordoet. In deze zaak was de betrokkene in de met die ontnemingszaak samenhangende strafzaak veroordeeld wegens het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep. De betrokkene had samen met haar (toenmalige) echtgenoot in een woonboot opzettelijk hennepplanten aanwezig gehad. Het hof had de betrokkene een hoofdelijke betalingsverplichting opgelegd en daartoe overwogen dat de inkomsten uit de hennepkwekerij gebruikt werden om de gezamenlijke schulden af te lossen, dan wel een bepaalde gezamenlijke levenstandaard hoog te houden, alsmede dat de betrokkene en haar echtgenoot destijds in gemeenschap van goederen waren getrouwd. Alhoewel ik in die zaak anders concludeerde en meende dat het oordeel van het hof dat het wederrechtelijk verkregen voordeel door beiden was genoten in stand kon blijven, casseerde de Hoge Raad. De Hoge Raad overwoog onder meer het volgende:
dat veroordeelde sinds enige tijd is gehuwd met mededader [medeverdachte] ”. Uit de hiervoor besproken rechtspraak volgt evenwel dat die enkele vaststelling de oplegging van een hoofdelijke betalingsverplichting niet kan rechtvaardigen. Nu het door het hof bevestigde vonnis overigens niets inhoudt waaruit kan worden afgeleid dat de betrokkene en [medeverdachte] daadwerkelijk gezamenlijk de beschikking hebben gehad over de gehele opbrengst van de hennepkwekerijen, is het door het hof bevestigde oordeel van de rechtbank dat de betalingsverplichting hoofdelijk moet worden opgelegd, ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.