ECLI:NL:PHR:2022:1036

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 november 2022
Publicatiedatum
8 november 2022
Zaaknummer
21/01463
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Sanctiewet 1977Art. 3 Sanctiewet 1977Art. 2 Sanctieregeling Al-Qa’ida 2011Art. 2 Verordening (EG) nr. 881/2002Art. 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest financiering terrorisme wegens onvoldoende motivering opzet

De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld voor het opzettelijk overtreden van de Sanctiewet 1977 door het indirect ter beschikking stellen van geld aan terroristische organisaties via een money transfer. Het hof baseerde zich op verklaringen van de verdachte, proces-verbalen van de FIOD en het feit dat het geld uiteindelijk bij een IS-strijder in Syrië terechtkwam.

In cassatie werd geklaagd over de bewijsvoering van het bestanddeel "opzettelijk", met name of de verdachte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat zijn geld bij terroristische organisaties zou belanden. De advocaat-generaal oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de verdachte deze wetenschap had, en dat het begrip 'kleurloos opzet' hier niet onbegrensd toepasbaar is.

De conclusie van de advocaat-generaal is dat het middel slaagt en dat het arrest vernietigd moet worden. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Den Haag voor hernieuwde behandeling. De klacht over de toepasselijkheid van het leerstuk kleurloos opzet faalt, maar de motivering omtrent het opzetbestanddeel is onvoldoende.

De zaak betreft een economisch delict waarbij het opzet zich moet richten op het indirect ter beschikking stellen van geld aan terroristische organisaties. De Hoge Raad benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering van het opzet op dit bestanddeel.

De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing van het arrest, zonder dat andere gronden tot vernietiging zijn aangetroffen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling wegens onvoldoende motivering van het opzetbestanddeel.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/01463

Zitting15 november 2022
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 22 maart 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens 2. "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2 van Pro de Sanctiewet 1977, opzettelijk begaan", veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 180 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt, S. van den Akker en P. van Dongen, allen advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde, met name het bestanddeel “opzettelijk”, niet uit de bewijsvoering kan volgen.
4. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 juni 2014 tot en met 1 oktober 2014 te Den Haag
opzettelijk
in strijd met het krachtens artikel 2 en Pro/of 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 2 en Pro/of artikel 2a van de Sanctieregeling Al-Qaida 2011 juncto artikel 2 en Pro/of artikel 4 van Pro Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese unie van 27 mei 2002 (jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014 van de Commissie)
heeft gehandeld door:
indirect financiële activa,
te weten een geldbedrag van: 245 euro (via een money transfer), ter beschikking heeft gesteld aan Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of Jabhat al Nusra en/of Al Nusrah Front en/of Al Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida en/of Al-Qaida in Iraq.”
5. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen, die zijn opgenomen aan een aan het arrest gehechte bijlage:

“1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 8 maart 2021 verklaard – zakelijk weergegeven –:
Het klopt dat ik in juni 2014 een geldbedrag van € 245,- via een
money transferbij Western Union heb overgemaakt aan [betrokkene 1] te [plaats] . Dit geld was bedoeld voor [betrokkene 2] . [naam 1] was zijn bijnaam.
2. Een proces-verbaal d.d. 25 februari 2016 van de FIOD, met proces-verbaalnummer 58167, documentcode AMB-004, betreft 'spontane verstrekking Western Union’. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (p. 36-38):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Door mij, verbalisant, werd van de
compliance officervan Western Union een bericht ontvangen met bijlagen. Het betreft een Excel bestand waarin [een] transcriptie van de hieronder door mij, vanuit het Excel bestand, in een tabel opgenomen Nederlands ingezetene is weergegeven. De persoon betreft [verdachte] , [geboortedatum] 1973.
Datum
Naam verzender
Adres verzender
Plaats
Postcode
Geb.dat
Bedrag
Naam begunstigde
Plaats
Geb.dat.
2-6-2014
[verdachte]
[a-straat]
[plaats]
[postcode]
1973. [geboortedatum]
245
[betrokkene 1]
[plaats]
1976. [geboortedatum]
3. Een proces-verbaal d.d. 2 augustus 2016 van de FIOD, met proces-verbaalnummer 58167, documentcode AMB-005, betreft 'Onderzoek in gegevens Western Union n.a.v. 126nd WvSv (ex BOB-001a)’. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (p. 39-42):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

3..1.3 ontvanger c.q. ontvangst van het geld

Naam ontvanger
[betrokkene 1]
Telefoonnr.
-
Datum uitbetaling
4-6-2014
Tijd uitbetaling
6:34:00
Geboorte datum ontvanger
1976. [geboortedatum]
Afgifte plaats
SYRIA
Woonadres
[b-straat]
Woonplaats
[plaats]
Land
TR
Uitbetaald USD
333,13
Uitbetaald Euro’s
245
4 . De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 juli 2020 verklaard – zakelijk weergegeven –:
Een paar jaar [later] heeft hij [ [betrokkene 2] ] contact met mij gezocht. Ik vroeg hem toen of hij het geld had gehad [...],. Hij vertelde mij dat hij € 50,- had gehad. Toen ik hem zei dat het ongeveer € 250,- moet zijn geweest zei hij: 'O ja, dat klopt'.
5. Een proces-verbaal d.d. 9 februari 2021 van de FIOD, met proces-verbaalnummer 58167, betreft ‘Aanvullend proces-verbaal i.v.m. bijnamen ' [betrokkene 2] ' en ' [naam 1] '. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Door mij, verbalisant, werd gezien dat de bijnamen ' [naam 1] ' en ' [betrokkene 2] ' in een registratie van de politie voorkomen als bijnamen van [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 1987.
[betrokkene 2] is in april 2013 uitgereisd naar Syrië en neemt/nam daar deel aan de gewapende strijd. [betrokkene 2] is op 22 juli 2016 bij verstek veroordeeld in het zogenaamde 'Context'-onderzoek voor onder meer deelname aan een criminele organisatie met terroristisch oogmerk, namelijk IS, gedurende de periode van 31 december 2013 tot en met 31 juli 2014.
6. Een proces-verbaal van bevindingen van opsporingsambtenaar [verbalisant] d.d. 16 februari 2016 van de Dienst Regionale recherche, eenheid Den Haag, als bijlage 2 gevoegd bij het proces-verbaalnummer 58167. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar

Uit het strafrechtelijk onderzoek Context blijkt dat [betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2] ) in april 2013 is uitgereisd naar Syrië, en daar deel neemt aan de gewapende strijd.
Met [betrokkene 2] wordt bedoeld:
[betrokkene 2] , geboren [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] , van [c-straat 1] , [postcode] te [plaats] .
Tevens is uit het Context onderzoek bekend geworden dat [betrokkene 2] gebruik maakte van een facebookaccount met profielnaam " [naam 2] ". Op deze facebookpagina zijn twee foto's geplaatst, waarop een en dezelfde man staat afgebeeld. Deze twee foto's zijn vergeleken met een foto van [betrokkene 2] , afkomstig uit het geautomatiseerde politiesysteem. Uit deze vergelijking is gebleken, dat de persoon op genoemde foto's, van het facebookprofiel " [naam 2] " en de man op de politiefoto van [betrokkene 2] , een en dezelfde persoon betreffen.”
6. Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende bewijsoverweging opgenomen:
“Onder feit 2 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij de Sanctiewet 1977 heeft overtreden, waarin het financieren van terrorisme strafbaar is gesteld. Overtreding van voormelde sanctieregeling is strafbaar gesteld als economisch delict door middel van de Sanctiewet 1977 jo. artikel 1, aanhef en onder 1, van de Wet op de economische delicten. Bij overtreding van een dergelijk economisch delict geldt de leer van het kleurloos opzet. Die leer houdt kort gezegd in dat het opzet van de verdachte niet hoeft te zijn gericht op het wederrechtelijk aspect van zijn handelen, maar slechts op de feitelijke gedraging. Een verdachte van een economisch delict is strafbaar, indien hij willens en wetens heeft gehandeld zoals in de strafbepaling is omschreven.
Op grond van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte willens en wetens het geldbedrag van € 245,- heeft overgemaakt naar de tussenpersoon [betrokkene 1] . Dat de verdachte geen wetenschap had dat het geld op indirecte wijze bij (een) terroristische organisatie(s) terecht is gekomen, doet er in het kader van het kleurloos opzet niet toe. Aan de hand van de wettige bewijsmiddelen heeft het hof vastgesteld dat dit geld bij de ten laste gelegde organisaties ook op indirecte wijze terecht gekomen is. Immers, de verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat het geld bij degene voor wie het bestemd was terecht is gekomen en inmiddels is bekend dat deze persoon in de ten laste gelegde periode als IS-strijder in Syrië verbleef.
Het hof acht derhalve het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
7. Voornoemde bijlage, inhoudende de bewijsmiddelen, bevat voorts nog de volgende nadere bewijsoverweging:
“Het is een feit van algemene bekendheid dat de organisaties Islamic State of Iraq, ISI, Islamic State in Iraq and the Levant, Jabhat al Nusra, Al Nusrah Front, Al Nusrah Front for the people of the Levant, Al-Qaida en Al-Qaida in Iraq in de bewezen verklaarde periode op de VN-Sanctielijst vermeld stonden.”
8. De strafbaarstelling waar het in deze zaak om gaat is het resultaat van een betrekkelijk complex stelsel van gelede normstelling. Dit komt op het volgende neer. Van belang is allereerst dat art. 1, onder 1°, WED overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 2, 7 en 9 van de Sanctiewet 1977 “voor zover betrekking hebbend op de onderwerpen, bedoeld in artikel 3” aanmerkt als economische delicten. Ingevolge art. 2 lid 1 WED Pro zijn overtredingen van deze artikelen misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan.
9. De artikelen 2 en 3 van de Sanctiewet 1977 luiden vervolgens – voor zover hier relevant – als volgt:
“Artikel 2
1. Ter voldoening aan verdragen, besluiten of aanbevelingen van organen van volkenrechtelijke organisaties, dan wel aan internationale afspraken, met betrekking tot de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid of de bevordering van de internationale rechtsorde dan wel de bestrijding van terrorisme, kunnen bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde onderwerpen regels worden vastgesteld.
2. Indien de te stellen regels uitsluitend strekken ter uitvoering van verplichtingen die voortvloeien uit verdragen of uit bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties kan Onze Minister deze vaststellen.
Artikel 3
1. De in artikel 2 bedoelde Pro regels kunnen betreffen het goederen-, diensten- en financieel verkeer, de scheepvaart, de luchtvaart, het wegverkeer, de post en de telecommunicatie en al hetgeen overigens is vereist ter voldoening aan de verdragen, besluiten, aanbevelingen dan wel internationale afspraken, bedoeld in artikel 2.
2. Onder het in het eerste lid genoemde verkeer wordt begrepen iedere handeling, die kennelijk rechtstreeks is gericht op het bewerkstelligen van zulk verkeer.
10. De op art. 2 lid 2 Sanctiewet Pro 1977 gebaseerde ministeriële regeling waar het in de onderhavige zaak om draait betreft de ten tijde van het tenlastegelegde geldende Sanctieregeling Al-Qa’ida 2011. [1] Relevant is het eerste gedeelte van art. 2 van Pro deze Sanctieregeling:
“Artikel 2
1. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, 3, 4, 5, eerste en tweede lid, van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese Unie van 27 mei 2002 tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met het Al-Qa’ida-netwerk (PbEG L139) (…)
11. De Verordening 881/2002 (
PbEU2002, L 139/9), waarnaar in de Sanctieregeling wordt verwezen, bevat de volgende voor de onderhavige zaak relevante bepaling:
“Artikel 2
(…)
3. Er worden geen economische middelen direct of indirect aan of ten behoeve van door het sanctiecomité aangewezen en in bijlage I genoemde natuurlijke of rechtspersonen, groepen of entiteiten ter beschikking gesteld waardoor die personen, groepen of entiteiten tegoeden, goederen of diensten kunnen verwerven.”
12. De bijlage waarnaar in de Verordening wordt verwezen, noemt de verschillende organisaties waarop de Verordening betrekking heeft. In de oorspronkelijke Verordening 881/2002 (
PbEG2002, L 139/9) werd Al-Qa’ida reeds genoemd. Met de Uitvoeringsverordening 632/2013 van de Europese Commissie (
PbEU2013, L 179/85) zijn hier de overige in de bewezenverklaring genoemde organisaties (Islamic State of Iraq, ISI, Islamic State in Iraq and the Levant, Jabhat al Nusra, Al Nusrah Front, Al Nusrah Front for the people of the Levant en Al-Qaida in Iraq) aan toegevoegd.
13. Dan kom ik nu toe aan de beoordeling van het middel. In het middel en de toelichting daarop wordt – als ik het goed begrijp – onder meer geklaagd over het oordeel van het hof dat bij een delict als het onderhavige de leer van het “kleurloos opzet” geldt. De toelichting bevat hieromtrent enkele algemeen geformuleerde klachten, die erop neerkomen dat bij rechtsnormen die “uit Europese bron komen” de leer van het kleurloos opzet “minder juist” zou zijn. Deze klachten lijken mij, gesteld in hun algemene formulering, niet kansrijk, nu het uitgangspunt voor economische delicten – ook indien zij afkomstig zijn uit Europese bron – inderdaad het kleurloos opzet is. [2]
14. De vraag is of dit
in concretoanders zou moeten zijn, gelet op de bewoordingen waarin de tenlastelegging en bewezenverklaring gesteld zijn. De bewezenverklaring houdt immers in dat de verdachte “opzettelijk in strijd met (…)” – kort gezegd – art. 2 van Pro de Sanctiewet 1977 (en langs die weg met alle daaraan geschakelde artikelen) heeft gehandeld. In deze formulering ontbreekt het woord ”en”, waardoor, strikt genomen, het opzet ook betrekking heeft op het overtreden van de norm en dus zogenoemd ‘boos opzet’ zou worden vereist. [3] Als in de tenlastelegging wel het woord “en” was opgenomen – en de bewezenverklaring had geluid dat de verdachte “opzettelijk en in strijd met” de Sanctiewet had gehandeld – dan was dit anders geweest en had deze kwestie in cassatie geen rol gespeeld.
15. Wanneer deze strikte lijn zou worden gevolgd, zou de consequentie zijn dat het oordeel van het hof dat bij deze bewezenverklaring kan worden volstaan met de leer van kleurloos opzet onjuist is en dat het arrest daarom niet in stand zou kunnen blijven. Ik meen evenwel dat over deze kennelijke misslag in de tenlastelegging moet kunnen worden heengestapt, nu de wettelijke bepalingen waarop de tenlastelegging is toegesneden de eis van boos opzet niet stellen. Daarbij neem ik in aanmerking dat ter zitting in hoger beroep de redactie van de tenlastelegging niet is betrokken bij de discussie over de kleur van het opzet, terwijl in cassatie evenmin klachten zijn geformuleerd waarin het oordeel dat kleurloos opzet volstaat wordt gerelateerd aan de formulering van de bewezenverklaring.
16. Gelet op het voorgaande moet het middel, voor zover hierin wordt geklaagd wordt over de rechtsopvatting van het hof dat het leerstuk van het kleurloos opzet toepasselijk is, falen.
17. Het middel bevat naast de rechtsklacht ook een motiveringsklacht. Voor de beoordeling daarvan is van belang wat de bestanddelen van het delict zijn waar het opzetvereiste wel betrekking op moet hebben. Dat betreft – kort gezegd – (i) het indirect ter beschikking stellen van 245 euro (ii) aan de in de bewezenverklaring genoemde terroristische organisaties. Dat de verdachte opzettelijk geld ter beschikking heeft gesteld zal niet tot discussie aanleiding geven; het hof heeft immers vastgesteld dat hij via Western Union een bedrag van 245 euro heeft overgemaakt. Waar het op aankomt, is of de verdachte opzet had – in de zin van voorwaardelijk opzet [4] – op het feit dat dit bedrag indirect bij (één van) de terroristische organisaties terecht zou komen. De vraag is dan dus of de door het hof vastgestelde omstandigheden van het geval het oordeel kunnen dragen dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de 245 euro die hij aan een door het hof als “tussenpersoon” aangemerkte persoon heeft overgemaakt, uiteindelijk – indirect – ter beschikking zouden komen aan een of meer van deze terroristische organisaties.
18. Ik meen dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord en het arrest dus in zoverre onvoldoende met redenen is omkleed. Daartoe wijs ik op het volgende. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte in juni 2014 geld heeft overgemaakt naar “de tussenpersoon” [betrokkene 1] (bewijsmiddelen 1 en 2) en dat dit geld, blijkens de eigen verklaring van de verdachte, “was bedoeld voor [betrokkene 2] ”, bijnaam [naam 1] (bewijsmiddel 1). Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat de tussenpersoon dit geldbedrag heeft ontvangen (bewijsmiddel 3) en dat de verdachte op een later moment, 16 juli 2020, zich er bij vorenbedoelde [betrokkene 2] van heeft vergewist of het geld uiteindelijk bij hem is aangekomen (bewijsmiddel 4). Ten slotte heeft het hof vastgesteld dat deze [betrokkene 2] in april 2013 is “uitgereisd” naar Syrië (bewijsmiddel 5 en 6), daar heeft deelgenomen aan de gewapende strijd (bewijsmiddel 5 en 6) en op 22 juli 2016 bij verstek is veroordeeld wegens onder meer deelname aan een criminele organisatie met terroristisch oogmerk, te weten IS. Deze vaststellingen houden niets in over de vraag of de verdachte wetenschap had van het feit (of de aanmerkelijke kans daarop) dat deze [betrokkene 2] naar Syrië was afgereisd/zou afreizen en zich daar had aangesloten/zou aansluiten bij IS. Het hof lijkt wat dit betreft ook op het verkeerde spoor te zitten wat betreft de inhoud van het begrip ‘kleurloos opzet’, door te overwegen dat het feit dat “de verdachte geen wetenschap had dat het geld op indirecte wijze bij (een) terroristische organisatie(s) terecht is gekomen (…) er in het kader van het kleurloos opzet niet toe (doet)”. In zoverre zou ook gezegd kunnen worden dat het arrest – alsnog – getuigt van een onjuiste rechtsopvatting waar het de inhoud van het begrip “kleurloos opzet” betreft. [5] In elk geval meen ik dat de bewijsvoering voor wat betreft de wetenschap van de verdachte ten aanzien van (de kans op) het feit dat zijn geld indirect in handen van een terroristische organisatie zou komen, ontoereikend is gemotiveerd.
19. Het middel slaagt.

Slotsom

20. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven
21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Per 24 december 2016 is deze regeling door een nieuwe regeling vervangen (
2.Zie nader F. de Jong & E. Sikkema, ‘Subjectieve bestanddelen”, in F.G.H. Kristen e.a. (red.),
3.Zie nader J. de Hullu,
4.Vgl. HR 1 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1565 en ECLI:NL:HR:2022:1566.
5.Vgl. De Hullu 2021, a.w., p. 211 e.v., over de inhoud van het begrip ‘kleurloos opzet’.