Conclusie
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. M.E. Bruning,
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
- toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beinvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel bklaagt dat het oordeel in rov. 2.4 van de bestreden beschikking getuigt van een onjuiste rechtsopvatting waar de rechtbank overwoog dat zij weliswaar ‘de wens van betrokkene’ begreep ‘om niet langer lithium te gebruiken’ maar het aan de behandelaar is om op zorgvuldige wijze de medicatie te kiezen als verplichte zorg. Volgens het onderdeel gaat de rechtbank uit van een onjuiste maatstaf en rechtsopvatting nu het niet gaat om de ‘wens’ van betrokkene om geen lithium te gebruiken maar om het ‘wilsbekwaam verzet’. Dit bezwaar moest volgens art. 2:1 lid 6 onder Pro a Wvggz worden gehonoreerd.
Onderdeel cvoegt daar nog aan toe dat de rechtbank niet afdoende (kenbaar) bepalend gewicht toegekend heeft aan de ‘wens van betrokkene’ om niet langer lithium te gebruiken door de ‘somatische klachten’ dan wel de bijwerkingen die betrokkene stelde te ervaren. Dat de rechtbank heeft overwogen dat er in de komende periode aandacht moet worden besteed aan de klachten door mogelijke inschakeling van een specialist is volgens het onderdeel niet toereikend, omdat de ervaringen en afwegingen van betrokkene over het nut en nadeel bepalend moeten zijn, zodat de rechtbank het verzet tegen lithium had moeten honoreren.
Volgens
onderdeel dheeft de rechtbank ten onrechte en onbegrijpelijk vastgesteld in navolging van de verklaring van de arts dat lithium voor betrokkene een geschikt middel is.
a. de betrokkene niet tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is, of
b. acuut levensgevaar voor de betrokkene dreigt dan wel er een aanzienlijk risico voor een ander is op levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische, materiële, immateriële of financiële schade, ernstige verwaarlozing of maatschappelijke teloorgang, of om ernstig in zijn ontwikkeling te worden geschaad, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
en de situaties als bedoeld in art. 2:1 lid Pro 6, aanhef en onder b, Wvggz zich niet voordoen, [dient] de rechter (…) te beoordelen of de betrokkene wilsbekwaam is. Hiertoe dient, indien daarover in de medische verklaring niet is gerapporteerd, een verklaring te worden gevraagd van een onafhankelijk arts of klinisch psycholoog waaruit blijkt of de betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is. Zo nodig dient de procedure daartoe te worden aangehouden.
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- maatschappelijke teloorgang;
- de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.”