ECLI:NL:PHR:2022:1072

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2022
Publicatiedatum
16 november 2022
Zaaknummer
21/03348
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVW 1994Art. 27 SrArt. 179 WVW 1994Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt causaliteit tussen rechts inhalen en dodelijk verkeersongeval

De verdachte werd door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes voorwaardelijk, en een rijontzegging van vier jaar wegens een verkeersongeval waarbij twee fietsers later overleden. Het hof stelde vast dat het ongeval werd veroorzaakt door drie gedragingen van de verdachte: tweemaal rechts inhalen, te hard rijden en door rood rijden.

In het cassatieberoep werd betwist dat het tweemaal rechts inhalen causaal verband hield met het ongeval. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het rechts inhalen een noodzakelijke factor was voor het ongeval en dat het ongeval redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend. Getuigenverklaringen en bewijsmiddelen ondersteunen deze conclusie.

De Hoge Raad benadrukt dat het causaal verband in strafzaken wordt beoordeeld aan de hand van redelijke toerekening en dat de gedraging van de verdachte een noodzakelijke factor moet zijn geweest voor het gevolg. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de veroordeling in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens overtreding van artikel 6 WVW 1994 blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/03348
Zitting28 juni 2022

CONCLUSIE

P.C. Vegter
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij arrest van 29 juli 2021 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood”, veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts is hem de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen ontzegd voor vier jaren, waarvan twee jaren voorwaardelijke met een proeftijd van twee jaren en met aftrek als bedoeld in art. 179 WVW Pro 1994. Tenslotte is de auto, een (zilvergrijze) Audi, verbeurd verklaard.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel richt zich op de bewezenverklaring van het causale verband tussen het ongeval en het inhalen.
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“op 27 juni 2017 te Tilburg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Audi type A3, gekentekend [kenteken]), rijdende over de kruising van wegen gevormd door de Bredaseweg en de Burgemeester Van Voorst tot Voorstweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend als volgt te handelen:
verdachte heeft rijdende op de linkerrijstrook van de Bredaseweg een vóór hem rijdende taxi-bus en een ander (stilstaand) voertuig rechts ingehaald en is vervolgens rijdende op de rechterrijstrook van die Bredaseweg met een hogere snelheid dan toen aldaar was toegestaan, de kruising van wegen gevormd door de Bredaseweg met de Burgemeester Van Voorst tot Voorstweg genaderd, alwaar de verkeersstromen middels verkeerslichten als bedoeld in het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 werden geregeld en is vervolgens, rijdende met een hogere snelheid dan aldaar was toegestaan, genoemd kruisingsvlak opgereden en niet gestopt voor een in zijn richting gekeerd rood licht uitstralend verkeerslicht, welk verkeerslicht reeds (circa) 3,9 seconden rood licht uitstraalde,
waardoor een aanrijding is ontstaan tussen de door hem, verdachte, bestuurde personenauto en tweefietsers die, gezien verdachtes rijrichting komende van rechts, genoemde splitsing/ kruisingsvlak opreden nadat een in hun richting gekeerd verkeerslicht groen licht uitstraalde, waardoor die fietsers genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen ten gevolge waarvan zij op een later moment zijn komen te overlijden.”
5. Met weglating van de geciteerde bewijsconstructie en een uiteenzetting over het belang van het middel licht de steller het middel als volgt toe:
Art. 6 WvW Pro vereist een tweeledig causaal verband. Er dient allereerst een causaal verband te zijn tussen de verweten gedraging(en) en het verkeersongeval en voorts dient er causaal verband te zijn tussen het verkeersongeval en de dood van het slachtoffer. Het hof heeft bewezenverklaard dat er drie gedragingen tot het verkeersongeval hebben geleid, te weten (1) het tweemaal rechts inhalen van andere voertuigen, (2) het harder rijden dan is toegestaan en (3) het door rood licht rijden. Ten aanzien van het door het hof bewezenverklaarde rechts inhalen van twee voertuigen voorafgaand aan het verkeersongeval kan evenwel niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en evenmin uit de aanvullende bewijsmotiveringen van het hof volgen dat deze gedraging(en) in causaal verband staan tot het verkeersongeval, reden waarom het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft bewezenverklaard dat er een causaal verband is tussen het rechts inhalen van twee voertuigen en het verkeersongeval.”
6. Met de eerste drie zinnen van dit citaat stem ik in. Feitelijk neemt de steller van het middel tot uitgangspunt dat verdachte tweemaal rechts heeft ingehaald, harder heeft gereden dan is toegestaan en door rood is gereden, zoals in wat andere bewoordingen is bewezenverklaard. Dat rijgedrag kort voor het ongeval veroorzaakte het ongeval volgens het hof. Het middel richt zich uitsluitend op het ontbreken van causaal verband tussen het tweemaal rechts inhalen en het ongeval. Enige toelichting op het ontbreken van dat causaal verband wordt node gemist.
7. De maatstaf bij het vaststellen van het causaal verband is de redelijke toerekening. De in de onderhavige zaak voorliggende vraag is gelet daarop of het ongeval redelijkerwijs mede als gevolg van het tweemaal rechts inhalen aan de verdachte kon worden toegerekend. De Hoge Raad overweegt in verschillende arresten daarover het volgende:
“Doorgaans is bij de beantwoording van de vraag of in strafrechtelijke zin causaal verband bestaat niet aan twijfel onderhevig dat in de keten van gebeurtenissen de gedraging van de verdachte een noodzakelijke factor is geweest voor het ingetreden gevolg - en staat dat gevolg dus in condicio sine qua non-verband tot de gedraging, welk verband in beginsel als ondergrens van het causaal verband fungeert -, maar gaat het daarbij vooral erom of het ingetreden gevolg redelijkerwijs aan (de gedraging van) de verdachte kan worden toegerekend.” [1]
8. Te onderscheiden zijn nu de vraag of uit de bewijsconstructie voldoende naar voren komt dat het inhalen een noodzakelijke factor was voor het plaatsvinden van het ongeval (conditio sine qua non) en vervolgens of dat ongeval redelijkerwijs aan verdachte is toe te rekenen.
9. De volgende bewijsmiddelen uit de aanvulling op het bestreden arrest zijn onder meer voor de inhaalmanoeuvres relevant:
“5. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 27 juni 2017 (pagina’s 124 - 125), inhoudende - zakelijk weergegeven - de afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 1]:
“Op dinsdag 27 juni 2017, omstreeks 08.30, reed ik in mijn taxi bus, merk Mercedes-Benz, type sprinter, wit van kleur. Ik was de bestuurder en reed op de Bredaseweg, tussen de Reeshofweg en de Burgemeester Baron van Voorst tot Voorstweg te Tilburg. Ik reed in de richting van Tilburg Centrum. Ik reed met mijn taxi op de linkerrijstrook. Mijn snelheid aldaar was ongeveer 80 kilometer per uur, wat daar de maximumsnelheid is. Ik zag in mijn rechterbuitenspiegel een zilvergrijze Audi aan komen rijden. Ik zag dat hij op dezelfde rijstrook reed als waar ik reed, links dus. Ik zag dat deze zilvergrijze Audi een stuk sneller reed als dat ik reed. Ik zag dat hij snel op mij in liep. Hierop wilde ik mij verplaatsen naar de rechterrijstrook om de Audi door te laten. Al voordat ik naar rechts kon, zag ik dat genoemde Audi mij rechts inhaalde over de rechterrijstrook. Ik reed nog steeds 80 kilometer per uur. Ik zag dat de Audi mij vlot passeerde. Ik zag dat de Audi voor mij weer naar links kwam. Ik zag dat hij, toen hij voor mij reed, op mij uitliep. Ik zag dat de ruitenwissersproeiers van de grijze Audi aan gingen. Ik maak hieruit op dat hij een gebaar naar mij wilde maken dat ik eerder naar rechts had moeten gaan. Dit alles gebeurde ter hoogte van Amarant op de Bredaseweg. Ik zag vervolgens dat de Audi met een behoorlijk snelheidsverschil van mij wegreed. Ik reed zelf nog
steeds de maximum toegestane snelheid, namelijk 80 kilometer per uur. Op het moment dat ik het verkeerslicht met de Burgemeester Baron van Voorst tot Voorstweg naderde, zag ik dat de verkeerslichten aldaar op geel sprongen. Ik zag dat de Audi nog steeds voor mij reed. Ik zag dat voor de Audi andere voertuigen reden. Ik zag dat de remlichten van de voertuigen voor de Audi aan gingen, kennelijk om te stoppen voor het verkeerslicht. Ik zag dat de Audi vervolgens net voor een ander voertuig, wat op de rechterrijstrook reed, langs kon. Ik zag dat het verkeerslicht inmiddels op rood was gesprongen. Ik zag dat de Audi via de rechterrijstrook door rood reed. Op het moment dat ik de Audi door rood zag rijden, zag ik allerlei spullen en mensen door de lucht vliegen.
Ik weet zeker dat de bestuurder van de Audi door rood is gereden. Op het moment dat de Audi door rood reed, reed ik ongeveer 150 meter achter hem. Ik had goed zicht op de zilvergrijze Audi en de verkeerslichten, voor en tijdens de aanrijding.”
7. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 27 juni 2017 (pagina’s 130 - 131), inhoudende - zakelijk weergegeven - de afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 2]:
“Op dinsdag 27 juni 2017 reed ik omstreeks 08.20 uur als bestuurder van mijn personenauto, een zwarte Audi A3. Ik kwam uit de richting van Breda en ik reed over de Bredaseweg te Tilburg. Ik verminderde vaart vanwege rood verkeerlicht bij de kruising. Ik reed op de rijstrook voor rechtdoor. Ik denk dat ik circa 40 à 50 km/h reed en steeds verder aan het afremmen was. Er reden twee andere voertuigen voor mij tot aan de verkeerslichten. We remden steeds verder af. Op enig moment zie ik een personenauto, grijze Audi, aan komen rijden. Ik dacht te zien dat deze vanaf de Burgemeester Baron van Voorst tot Voorstweg kwam. Het vreemde was dat dit voertuig een rare manoeuvre maakte. Ik zag deze auto ineens in mijn rechter gezichtsveld verschijnen. Dusdanig alsof deze een bocht maakte, vandaar mijn aanname dat deze van links kwam. Ik had hem ook niet op mijn rijstrook zien rijden. Ik zag vervolgens bij deze Audi allerlei zaken de lucht in vliegen. Ik dacht dat hij ergens tegen aan had gereden. Het leek ook echt alsof de auto dwars door de bocht, dan wel over de kruising gereden kwam.”
10. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 27 juni 2021 (pagina’s 215 - 220), inhoudende - zakelijk weergegeven - de afgelegde verklaring van de verdachte:
“V: staat voor vraag verbalisant
A: staat voor antwoord verdachte
(pagina 218)
V: Rij jij vaker op de Bredaseweg?
A: Ja, om naar mijn werk te gaan.
V: Hoe vaak per week rij je op de Bredaseweg te Tilburg?
A: Ik rij daar 5 dagen in de week.
V: Kon jij de wegsituatie goed overzien?
A: Ja. Alleen de fietsers heb ik niet gezien.
V: Wat is er volgens jou gebeurd vanochtend?
A: Ik rijd naar mijn werk. Ik rijd op de linkerrijstrook van de Bredaseweg te Tilburg. Ik zag dat voor mij een taxibusje reed. Ik zag dat de taxi op de linkerrijstrook bleef rijden. Ik deed mijn knipperlicht naar rechts uit om van rijstrook te wisselen. Ik haalde vervolgens de taxi rechts in.
(pagina 219)
V: heb jij net voor het verkeerslicht een andere auto rechts ingehaald?
A: Ja.
V: Stond deze stil voor het verkeerslicht?
A: Ik zag hem wel afremmen. Ik zag dat de remlichten branden.”
10. Het hof heeft uit de bewijsmiddelen (in het bijzonder bewijsmiddel 7 en 10) kennelijk afgeleid dat de tweede inhaalmanoeuvre een noodzakelijke factor was voor het gevolg (de aanrijding). Dat is (mede nu in feitelijke aanleg geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over het ontbreken van het causaal verband is naar voren gebracht [2] ) niet onbegrijpelijk gelet op de omstandigheid dat de getuige verklaart dat hij nadat de grijze Audi in zijn rechter gezichtsveld was verschenen vervolgens allerlei zaken de lucht in zag vliegen. Dit heeft het hof kennelijk zo begrepen en kunnen begrijpen dat het ongeval mede het onmiddellijke gevolg was van het rechts inhalen. Zonder de inhaalmanoeuvre rechts langs de stilstaande auto was er geen aanrijding gevolgd. Dat er mogelijk ook een aanrijding was gevolgd bij links inhalen maakt dit niet anders. Dat de aanrijding mede door de inhaalmanoeuvre in redelijkheid aan verdachte kan worden toegerekend is evenmin onbegrijpelijk. Van enige de causale keten verstorende factor is geen sprake. [3]
11. Het hof heeft ook de eerste inhaalmanoeuvre langs de taxibus kennelijk aangemerkt als een noodzakelijke factor bij de totstandkoming van het ongeval. Ook dat vind ik niet onbegrijpelijk. Het hof heeft kennelijk het rijgedrag in de laatste, zeer korte periode voor de aanrijding in aanmerking genomen. Het tweede rechts inhalen was die ochtend geen incident. Niet volledig valt uit te sluiten dat de eerste keer rechts inhalen (kort voor het tweede inhalen) geïsoleerd bezien nog geen noodzakelijke factor is [4] , maar in combinatie met de herhaling waarna onmiddellijk een ongeval volgde, heeft het hof kennelijk de rijwijze van verdachte, in bijzonder het bij herhaling rechts inhalen, in aanmerking genomen als noodzakelijke factor. Te wijzen is ook nog op het gebaar dat verdachte na de eerste inhaalmanoeuvre maakte in de richting van de bestuurder van de taxibus. Dat de aanrijding mede door beide inhaalmanoeuvres in redelijkheid aan verdachte kan worden toegerekend is niet onbegrijpelijk. Al met al heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk een beeld voor ogen van een verdachte die de snelheid erin houdt door rechts in te halen en zo poogt een rood verkeerslicht te vermijden. Zo ontstaan nu eenmaal ongelukken.
12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362, NJ 2012/301 m.nt. Keijzer r.o 2.4.1.(HIV). Onder meer herhaald in HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4491, NJ 2013,194, (overval juwelier) HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:585, NJ 2017,470 (toedienen ibogaïne).
2.Uit de aan het proces-verbaal van de zitting van het hof gevoegde pleitaantekeningen blijkt dat wel is opgemerkt: “In dat verband geldt dat het rechts inhalen niet in causaal verband staat met het ongeval, en dit deel van de tenlastelegging niet bewezen kan worden verklaard.”
3.Vgl. "letale longembolie" (HR 26 juni 1979, ECLI:NL:HR:1978:AC2616, NJ 1979/60) en "aortaperforatie" (HR 23 december 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC7087, NJ 1981/534).
4.Er moet dan wel met een zekere mate van waarschijnlijkheid vaststaan dat het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden als de verdachte het inhalen achterwege had gelaten. In de onderhavige zaak is dat niet veel meer dan een slag in de lucht. Van de kant van verdachte is een dergelijke standpunt niet uitdrukkelijk ingenomen en onderbouwd. Zie ook de conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Knigge in zijn conclusie van 21 september 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM9407.