ECLI:NL:PHR:2022:1078

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 november 2022
Publicatiedatum
19 november 2022
Zaaknummer
20/03871
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 117 SvArt. 119 lid 2 SvArt. 134 lid 2 sub c SvArt. 353 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens beëindigd beslag op lampen

Klaagsters hebben bij de rechtbank Limburg verzocht om opheffing van het beslag op 458 Dimlux expert 600W lampen, welke in beslag waren genomen in verband met een strafzaak. De rechtbank verklaarde dit verzoek ongegrond. Vervolgens stelden klaagsters cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

Uit onderzoek blijkt dat het beslag op de lampen op 31 maart 2020 rechtsgeldig is beëindigd op grond van artikel 134 lid 2 sub c van Pro het Wetboek van Strafvordering, omdat de machtiging als bedoeld in artikel 117 Sv Pro is verleend en het voorwerp niet om baat is vervreemd. De lampen zijn op die datum vernietigd door Domeinen Roerende Zaken.

De procureur-generaal concludeert dat de rechtbank de klaagsters niet ontvankelijk had moeten verklaren in hun beklag en dat het cassatieberoep daarom niet ontvankelijk is. Tevens wordt opgemerkt dat eventuele teruggave van de voorwerpen in de strafzaak geregeld wordt door de strafrechter en dat bij vernietiging een vergoeding kan worden betaald. Indien geen last tot teruggave volgt, rest klaagsters slechts een civiele procedure.

De conclusie leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep wegens het beëindigd zijn van het beslag.

Uitkomst: Het cassatieberoep van klaagsters is niet ontvankelijk verklaard wegens rechtsgeldige beëindiging van het beslag op de lampen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/03871 B
Zitting22 november 2022
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klaagster 2] ., gevestigd te [vestigingsplaats]
[klaagster 1] , gevestigd [vestigingsplaats]
hierna: de klaagsters

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft bij beschikking van 3 november 2020 het klaagschrift van de klaagsters, [klaagster 1] (hierna: [klaagster 1] ) en [klaagster 2] (hierna: [klaagster 2] ), strekkende tot opheffing van het beslag op en teruggave aan hen van 458 onder [klaagster 1] inbeslaggenomen lampen, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagsters. Mr I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1
Uit namens mij ingewonnen inlichtingen blijkt het volgende:
(i) In het digitale beslagportaal van het openbaar ministerie is geregistreerd dat op 19 maart 2020 beslag is gelegd op 458 Dimlux expert 600W lampen en dat de lampen zijn getaxeerd op een totale waarde van € 70.761,-.
(ii) In het beslagportaal is voorts geregistreerd dat de “beheersbeslissing” van het openbaar ministerie van 31 maart 2020 inhoudt: “Deponeren en machtiging vernietigen obv 117”.
(iii) Tevens is op 31 maart 2020 in het beslagportaal de mededeling geregistreerd dat de goederen door de firma [A] zijn voorzien van “stickers” vermeldend het proces-verbaal nummer en het goednummer.
(iv) Als “huidige status” houdt het beslagportaal in: “22. Opdracht uitgevoerd door bewaarder – DRZ”.
(v) Per e-mailbericht heeft het beslagbureau laten weten dat bij beslissing van de officier van justitie van 31 maart 2020, de 458 Dimlux lampen zijn vernietigd door de Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Het beslagbureau heeft verder laten weten dat uit het politiesysteem blijkt dat de lampen behoorden bij een (in een loods aangetroffen) grote partij drugs gerelateerde goederen, die gebruikt worden bij het vervaardigen van softdrugs en bij de opbouw van een hennepplantage, en dat in de regel zulke goederen rechtstreeks worden vernietigd door DRZ.
2.2
Artikel 134 lid 2 Sv Proluidt:
“Het beslag wordt beëindigd doordat hetzij
(...)
c. de machtiging als bedoeld in artikel 117 is Pro verleend en het voorwerp niet om baat is vervreemd;
(...)”
2.3
Op grond van het voorgaande en gelet op art. 117 Sv Pro blijkt dat het beslag op 31 maart 2020 rechtsgeldig [1] is beëindigd op grond van art. 134 lid 2 onder Pro c Sv. Dat betekent dat de rechtbank de klaagsters niet ontvankelijk had dienen te verklaren in hun beklag als bedoeld in art. 552a Sv en de klaagsters niet ontvankelijk zijn in het cassatieberoep. [2]
2.4
Ik merk ten overvloede op dat de strafrechter in het kader van de behandeling van de strafzaak ten gronde ex. art. 353 Sv Pro een beslissing dient te nemen over de inbeslaggenomen voorwerpen en dat, indien alsnog de teruggave wordt bevolen terwijl dat feitelijk niet meer mogelijk is, de bewaarder van het voorwerp op grond van art. 119 lid 2 Sv Pro overgaat tot betaling van de prijs die de voorwerpen redelijkerwijze bij verkoop zouden hebben opgebracht. [3] Indien de officier van justitie besluit de onderliggende strafzaak te seponeren, is het aan hem om de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen te gelasten. Deze last kan zich vertalen naar terugbetaling van de in art. 119 lid 2 Sv Pro bedoelde waarde indien de voorwerpen inmiddels zijn vernietigd. [4] Mocht een last tot teruggave uitblijven dan rest de klaagsters slechts een procedure bij de burgerlijke rechter. [5]

3.Slotsom

Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagsters in hun cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Indien de vervreemding of vernietiging niet rechtsgeldig is geschied, is het beslag nog niet geëindigd en kan daarover ex art. 552a Sv worden geklaagd. Vlg. HR 19 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:949, rov. 2 en HR 2 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AG1758, rov. 3.3.1.
3.Vgl. HR 2 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AG1758, onder 4.3 en de conclusie van Spronken van 9 juni 2020, 19/04330 (niet gepubliceerd) onder 2.3.
5.HR 25 juni 1991,