Conclusie
een integrale en gelijktijdige ontwikkeling van de stationslocatie” door middel van "
een nieuwe gezamenlijk gedragen stedenbouwkundige opzet".
de gemeente[toezegt, A-G]
zich in te spannen om ervoor te zorgen dat het westelijke plandeel (stationsgebouw) gelijktijdig aan het oostelijk deel zal worden opgeleverd". Ook heeft LPM in die brief geschreven met betrekking tot de inrit van de parkeergarage ervan uit te gaan dat "
indien de goedkeuring van het UWP vertraging oploopt vanwege de Startgoed/NS-ontwikkeling het UWP gesplitst wordt waarna de goedkeuringsprocedure van het oostelijke deel ongehinderd voort zal worden gezet." In dezelfde periode is namens LPM een intentieverklaring getekend met [de hotelexploitant] voor het verwerven van het door LPM te realiseren hotel.
fors” achterloopt in de planning ten opzichte van LPM. In de notulen staat, voor zover relevant:
daar een zeg in (...)". Het VO is per brief van 29 maart 2010 vastgesteld door de gemeente, met inachtneming van een lijst afspraken en een zogenaamd toets-advies.
stedenbouwkundige koppeling tussen het westelijk (station) en het oostelijk (hotel/woningen) plandeel." Volgens haar is het: "
Door de onduidelijkheden in het westelijk plandeel (...) voor ons niet zinvol het oostelijk plandeel tot bouwvergunning uit te werken omdat de kans op ingrijpende planaanpassing veel te groot is. Eerst zal meer duidelijkheid moeten worden gegeven over de realisatie van het westelijk plandeel.” Partijen hebben vervolgens over en weer gecommuniceerd over hun standpunten over het al dan niet bestaan van een zodanige koppeling tussen het oostelijk en het westelijk deel, die de ontwikkeling wederzijds afhankelijk maakt.
Toerekenbare tekortkoming / onrechtmatige daad
thans hun samenwerking ten aanzien van de ontwikkeling en realisatie vanuitsluitend[onderstreping rb]
het oostelijk deelgebied willen vastleggen.”
een oordeel over[haar, rb]
ontwerp (...) niet te wachten op nadere uitwerking van openbare ruimte of station. (...) station en hofgebouw hebben beiden een eigenstandig karakter.” C.V. wilde ook zeker stellen dat de ontwikkeling van haar oostelijk deel geen vertraging zou oplopen zo blijkt uit haar brief van 12 december 2008, waarin zij vooruitloopt op een mogelijke splitsing van het uitwerkingsplan zodat "
de goedkeuringsprocedure van het oostelijke deel ongehinderd voort zal worden gezet.”. En alhoewel de gemeente aanvankelijk nog vasthield aan een integrale ontwikkeling van project Lelylaan, werd ook van haar kant in het daaropvolgende overleg tussen partijen van 7 januari 2009 bevestigd dat oost ongeacht de ontwikkeling van west doorontwikkeld kon worden. Tegen deze achtergrond past juist de overweging in de Realisatieovereenkomst dat partijen zich hebben willen beperken tot afspraken rondom de realisatie van uitsluitend het oostelijk deel. En ook de gang van zaken na totstandkoming van de Realisatieovereenkomst bevestigt dat partijen uitgingen van een onafhankelijke dóórontwikkeling van het oostelijk deel, waarbij west zich juist aan oost zou aanpassen als het eenmaal zover was met de ontwikkeling. C.V. is zich pas op het standpunt gaan stellen dat sprake was van een onlosmakelijke koppeling vanaf het moment dat de gemeente haar is gaan aanspreken op de nakoming van haar verplichtingen op grond van de Realisatieovereenkomst (zie onder 2.21). Een redelijke uitleg van de Realisatieovereenkomst brengt dan ook niet mee dat de gemeente zich tot meer verbonden heeft dan de letterlijk in de overeenkomst opgenomen verplichtingen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1richt de C.V. rechtsklachten tegen rov. 3.6.1. De C.V. klaagt ten eerste dat indien en voor zover het hof heeft geoordeeld dat de inhoud van het Uitwerkingsplan 2009 niet relevant is voor de uitleg van de Realisatieovereenkomst, het hof het Haviltex-criterium heeft miskend door uitsluitend betekenis te hechten aan de grammaticale betekenis van de bewoordingen van de overeenkomst, althans door te oordelen dat de uitgangspunten zoals vastgelegd in het Uitwerkingsplan 2009 niet relevant zijn voor de uitleg.
eerste klachtvan het subonderdeel mist feitelijke grondslag omdat het hof, in tegenstelling tot wat het subonderdeel tot uitgangspunt neemt, niet heeft geoordeeld dat de inhoud van het Uitwerkingsplan 2009 niet relevant is voor de uitleg van de Realisatieovereenkomst. De klacht faalt daarom. Ik licht dat toe.
taalkundige uitleg van de Realisatieovereenkomst” een dergelijke koppeling zelfs lijkt te weerspreken. Vervolgens overweegt de rechtbank in rov. 4.8 dat als “
de overige omstandigheden,zoals het door C.V. aangehaalde uitwerkingsplan 2009, daarbij worden betrokken” [onderstreping, A-G], daaruit ook niet blijkt dat partijen een harde koppeling voor ogen hebben gehad. De rechtbank, en daarmee het hof, heeft dus uitdrukkelijk het Uitwerkingsplan 2009 relevant geacht voor de uitleg van de Realisatieovereenkomst.
Uit de paragrafen uit het uitwerkingsplan[Uitwerkingsplan 2009, A-G]
waarnaar C.V. heeft verwezen, maar ook uit de correspondentie en de considerans van de overeenkomsten tussen partijen” weliswaar volgt dat partijen (en met name de gemeente gezien de initiële correspondentie) een integrale en gemeenschappelijke aanpak van het gebied rondom het station Lelylaan hebben willen nastreven en mogelijke risico’s voor ogen hadden, maar dat de C.V. niet heeft geconcretiseerd welke specifieke verplichtingen of voorwaarden een zogenaamde onverbrekelijke koppeling tussen beide delen hebben gecreëerd, en dat dergelijke voorwaarden evenmin uit het dossier zijn gebleken.
tweede klachtis dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door bij zijn oordeel geen rekening te houden met stellingen en producties die de C.V. voor het eerst in hoger beroep heeft ingenomen respectievelijk overgelegd. Volgens het subonderdeel getuigt het overnemen door het hof van rechtsoverwegingen 4.3 tot en met 4.10 uit het vonnis van de rechtbank van die onjuiste rechtsopvatting, omdat de rechtbank per definitie niet de voor het eerst in hoger beroep ingenomen stellingen en onderliggende producties heeft meegenomen in zijn oordeel. Die aanvullende stellingen en producties betreffen volgens de C.V. correspondentie tussen partijen die aan het sluiten van de Realisatieovereenkomst is voorafgegaan met betrekking tot het verzoek van de C.V. aan de gemeente om ook in de Realisatieovereenkomst de koppeling tussen het oosten en westen terug te laten komen. De gemeente heeft afwijzend op dat verzoek gereageerd, aldus het subonderdeel.
ook in hoger beroep” onvoldoende heeft onderbouwd dat er op grond van de overeenkomst(en) van partijen een harde koppeling bestond tussen het oostelijk en westelijk plandeel, waarmee het heeft geoordeeld dat ook de nieuwe stellingen en aanvullende producties in hoger beroep, niet maken dat de C.V. voldoende onderbouwd heeft dat een ‘harde koppeling’ is overeengekomen. Het hof heeft dus niet miskend dat deze aanvullende stellingen en onderliggende producties relevant waren voor de uitleg van de Realisatieovereenkomst. Het subonderdeel onderkent overigens ook zelf dat het hof deze correspondentie in zijn oordeel heeft meegenomen [12] . De klacht faalt.
subonderdeel 1.2richt de C.V. verschillende motiveringsklachten tegen rov. 3.6.1. De C.V. klaagt
ten eerstedat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat het hof de uitgangspunten van het Uitwerkingsplan 2009, waarnaar door de gemeente werd verwezen bij haar weigering om in de Realisatieovereenkomst ook de koppeling tussen het oostelijk deelgebied en het westelijk deelgebied op te nemen, niet kenbaar bij zijn beslissing heeft betrokken. Daarbij is volgens het subonderdeel mede relevant dat het Uitwerkingsplan 2009 drie maanden na de totstandkoming van de Realisatieovereenkomst is vastgesteld en dat uit het Uitwerkingsplan 2009 nog steeds de door de C.V. bepleite koppeling tussen het oostelijk en westelijk deelgebied bleek.
ten tweede, ook onbegrijpelijk omdat het hof bij zijn beslissing niet de reden heeft betrokken dat de gemeente geen koppeling in de Realisatieovereenkomst wenste op te nemen, noch de inhoud van het (drie maanden later dan de Realisatieovereenkomst vastgestelde) Uitwerkingsplan 2009 dat als bijlage aan de Realisatieovereenkomst was gehecht. Het subonderdeel voert aan dat de reden voor de weigering was dat die koppeling reeds afdoende bleek uit het Uitwerkingsplan 2009.
ten derdedat voor zover de beslissing van het hof mede gebaseerd is op de overweging van de rechtbank in rov. 4.9 van het vonnis dat in het overleg van 7 januari 2009 werd bevestigd dat het oostelijk deelgebied ongeacht de ontwikkeling van het westelijk deelgebied kon worden doorontwikkeld, het oordeel van het hof ook in dat opzicht onbegrijpelijk is. Het subonderdeel voert daartoe aan dat het hof, evenals de rechtbank, het onderscheid tussen ‘ontwikkelen’ en ‘realiseren’ uit het oog lijkt te zijn verloren. De enkele omstandigheid dat tijdens het genoemde overleg aan de orde is gekomen dat de ontwikkeling van het oostelijk deelgebied kon doorgaan indien de gemeente ‘er nog niet uit was’ met NS/Startgoed met betrekking tot het westelijk deel, betekent volgens de klacht nog niet dat ook de realisatie doorgang kon vinden.
ten vierdedat de enkele omstandigheid dat uit het Uitwerkingsplan 2009 volgt dat de oplevering van het westelijk deelgebied later zou plaatsvinden dan het oostelijk deelgebied, de beslissing van het hof evenmin begrijpelijk maakt. Volgens het subonderdeel is door de C.V. aangevoerd dat zij bij gebrek aan enig zicht op ontwikkeling, laat staan realisatie, van het westelijk deelgebied, geen aanvraag voor een bouwvergunning kon indienen, omdat de C.V. daardoor verplicht zou worden om, na afgifte van de omgevingsvergunning, de realisatie van het oostelijk deelgebied te starten.
ten vijfdeen tot slot dat het hof niet kenbaar bij zijn beslissing heeft meegenomen dat de C.V. in hoger beroep erop heeft gewezen dat ontwikkeling en realisatie van het oostelijk deelgebied voor haar uitsluitend economisch haalbaar en rendabel kon zijn indien (op enig moment) het westelijk deelgebied ook zou worden ontwikkeld en gerealiseerd, en dat de gemeente dat wist of behoorde te weten. Deze stelling is ook relevant voor de uitleg van de Realisatieovereenkomst, aldus het subonderdeel.
eerste en tweede klachtzien beide op het Uitwerkingsplan 2009 en kunnen gezamenlijk worden behandeld. In de kern genomen betoogt de C.V. dat uit het Uitwerkingsplan 2009 een koppeling tussen het oostelijk en westelijk deelgebied blijkt en dat dit de reden was waarom de gemeente niet die koppeling (ten overvloede) wilde opnemen in de Realisatieovereenkomst, en dat deze niet kenbaar meegenomen stellingen de uitleg van het hof onbegrijpelijk maken. Het subonderdeel verwijst bij deze klachten niet naar vindplaatsen in de processtukken waar de aangevoerde stellingen zouden zijn ingenomen. Nu de gemeente desondanks inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen deze klachten [17] en de rechtsstrijd daarmee heeft aanvaard [18] , kom ik toe aan een inhoudelijke bespreking hiervan.
al te selectief” de correspondentie zou hebben gelezen door dit te miskennen. Dit betoog mist feitelijke grondslag. De C.V. heeft in feitelijke instanties niet de stelling ingenomen dat dit voor de gemeente de reden was. Ik lees dat in ieder geval niet in de processtukken.
dathet westelijk deelgebied ook zou worden ontwikkeld en gerealiseerd [29] . Deze stelling is echter niet relevant voor de uitlegvraag die het hof beantwoordt, namelijk of er een harde koppeling is overeengekomen in de zin dat er voor de gemeente een verplichting was om het westelijk deelgebied (uiterlijk)
gelijktijdigaan het oostelijk deelgebied te ontwikkelen. Dat dit de uitlegvraag was blijkt uit rov. 3.6.1 waarin het hof de stellingen van de C.V. zo begrijpt dat de ‘harde koppeling’ een verplichting voor de gemeente inhield om het westelijk deel gelijktijdig aan het oostelijk deel te ontwikkelen en realiseren en rov. 3.6 waarin het hof onder meer overweegt dat de C.V. er mee bekend was dat de gemeente vasthield “
aan separate en niet gelijktijdige realisatie”. In cassatie is deze uitleg van haar stellingen niet door de C.V. bestreden.
derde klachtstelt het subonderdeel een terminologische kwestie aan de orde, namelijk het onderscheid tussen ‘ontwikkelen’ en ‘realiseren’. In de kern is de klacht van de C.V. dat voor zover het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op de overweging dat uit het overleg tussen partijen van 7 januari 2009 blijkt dat het oostelijk deelgebied onafhankelijk van het westelijk deelgebied kon worden doorontwikkeld, het oordeel onbegrijpelijk is omdat deze omstandigheid nog niet betekent dat het oostelijk deelgebied ook onafhankelijk van het westelijk deelgebied kon worden gerealiseerd.
vierde klachtstelt de C.V. opnieuw het Uitwerkingsplan 2009 aan de orde. De klacht is dat de enkele omstandigheid dat daaruit volgt dat de oplevering van het westelijk deelgebied later zou plaatsvinden dan het oostelijk deelgebied, de beslissing van het hof evenmin begrijpelijk maakt. Het subonderdeel betoogt dat de C.V. heeft aangevoerd dat zij bij gebrek aan enig zicht op ontwikkeling, laat staan realisatie, van het westelijk deelgebied, geen bouwaanvraag kon indienen, omdat de C.V. daardoor, na afgifte van de omgevingsvergunning, verplicht zou worden om te starten met realisatie van het oostelijk deelgebied.
stedenbouwkundige en architectonische samenhang” en het waarborgen “
op architectonisch niveau” van de “
beeldrijm tussen oost en west”, maar daarbij wordt in het midden gelaten hoe dat doel moet worden bereikt.
vijfde klachtbetreft de stelling van de C.V. dat de ontwikkeling en realisatie van het oostelijk deelgebied voor haar uitsluitend economisch haalbaar en rendabel kon zijn indien (op enig moment) het westelijk deelgebied ook zou worden ontwikkeld en gerealiseerd, en dat de gemeente dat wist of behoorde te weten. De C.V. klaagt dat het uitlegoordeel in rov. 3.6.1 onbegrijpelijk is in het licht van deze niet kenbaar door het hof meegenomen stelling [35] .
gelijktijdigaan de ontwikkeling en realisatie van het oostelijk deelgebied. Dit volgt uit rov. 3.6 en 3.6.1 [36] . Deze uitleg van de stellingen van de C.V. door het hof is in cassatie niet bestreden en daarvan dient dan ook te worden uitgegaan. De stelling die het subonderdeel aanvoert ziet alleen op het feit
dathet westelijk deelgebied ook zou worden ontwikkeld en gerealiseerd, en laat in het midden of dat voorafgaand aan, gelijktijdig met, of na de ontwikkeling en realisatie van het oostelijk deelgebied zou moeten plaatsvinden. De stelling is dus niet relevant voor de beantwoording van de uitlegvraag die voorlag. De klacht faalt daarom al bij gebrek aan belang.