ECLI:NL:PHR:2022:1098

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 november 2022
Publicatiedatum
22 november 2022
Zaaknummer
21/04526
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens diefstal van parfumflessen, ketting en horloge in vereniging

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens diefstal door twee of meer verenigde personen van parfumflessen, een ketting en een horloge uit een woning in de eerste helft van 2019. De bewezenverklaring steunt op verklaringen van de verdachte, de aangeefster en meerdere getuigen die het betreden van de woning en het wegnemen van goederen bevestigen.

De verdediging voerde aan dat de verklaringen van de aangeefster onbetrouwbaar waren en dat er geen concreet bewijs was dat de verdachte zelf de goederen had weggenomen. Ook werd betoogd dat de verdachte niet in de kamer was waar het horloge lag en dat een derde persoon het horloge zou hebben meegenomen. Het hof verwierp deze verweren en achtte de verklaring van de verdachte over de derde persoon ongeloofwaardig.

De advocaat-generaal constateerde dat het hof de bewijsmiddelen en verklaringen zorgvuldig had gewogen en dat de bewezenverklaring voldoende was gemotiveerd, ondanks enkele gebreken in de motivering over het horloge. Het cassatieberoep werd verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens diefstal door vereniging blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/04526 J
Zitting29 november 2022
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 27 oktober 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens "diefstal door twee of meer verenigde personen", veroordeeld tot een taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen jeugddetentie.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

3.Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2019 tot en met 14 juli 2019 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander in een woning gelegen aan de [a-straat 1] , parfumflessen en een ketting die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorden, te weten aan [betrokkene 1] en een horloge dat aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorde, te weten aan [betrokkene 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.”
3.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting in eerste aanleg van 17 november 2020, inhoudende:
Ik ben volgens mij twee keer in de woning van [betrokkene 2] geweest. Ik was met [betrokkene 3] . Twee vriendinnen van [betrokkene 2] waren daar ook. Ik ben even boven geweest. Er was een parfumflesje gestolen en een horloge. De tweede keer was ik volgens mij alleen met [betrokkene 3] gegaan. Ik heb het horloge teruggegeven aan de neef van [betrokkene 2] .
2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 3 september 2019 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2019261498-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven - (p. 13 t/m 22):
als verklaring van aangeefster [betrokkene 2] :
Ik woon op de [a-straat 1] te [plaats] . Het was voor de zomer. Ik was met [betrokkene 4] en [betrokkene 5] in de tuin. Ik zag dat [betrokkene 3] en [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) de tuin inliepen en bij mij naar binnen gingen via de schuifdeur. Ik zag dat [betrokkene 3] en [verdachte] beneden rondkeken. Ik zag dat ze naar boven gingen. Ik liep met ze mee. Ik zag dat zij in de kamer van mijn beide broers waren. Ik zag dat ze de parfums pakten en in hun jaszak stopten.
Twee weken later was ik alleen thuis. [betrokkene 4] en [betrokkene 5] kwamen bij mij in de tuin zitten. Toen kwam [betrokkene 3] met [verdachte] de tuin binnengelopen. Zij liepen direct naar boven. Ze gingen weer naar de kamer van mijn broers en daar vonden zij een gouden ketting van mijn jongste broer [betrokkene 1] . [betrokkene 3] had die ketting meegenomen.
[betrokkene 3] heeft een ketting en twee parfums gestolen. En [verdachte] heeft een parfum gestolen en mijn horloge. Dit was een zilveren Guess horloge.
3. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 september 2019 van de politie Eenheid Rotterdam met documentcode 1909091300.G. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 33 t/m 35):
als verklaring van [betrokkene 1] :
Ik heb gehoord dat [betrokkene 3] en [verdachte] bij mijn huis zijn geweest. Zelfs in mijn kamer, want er zijn spullen weg: een nepketting en twee parfums. Ze hadden ook het horloge van mijn zusje meegenomen.
4. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 september 2019 van de politie Eenheid Rotterdam met documentcode 1909091630.G. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 39 t/m 43):
als verklaring van [betrokkene 4] :
[betrokkene 2] en ik waren in haar huis. Mijn zusje was er ook. Dit was ongeveer een half jaar geleden. [betrokkene 3] en [verdachte] kwamen ook. Dus die kwamen in het huis van [betrokkene 2] . Zij gingen naar boven. [betrokkene 2] ging er achteraan om te kijken wat zij gingen doen. In het begin zei [betrokkene 3] dat zij dingen in het huis gingen pakken. Zij hadden dingen gepakt. [betrokkene 3] en [verdachte] . [betrokkene 2] vertelde aan mij en mijn zusje wat [betrokkene 3] en [verdachte] hadden gepakt. Ze hadden twee parfumflessen en het horloge van [betrokkene 2] .
5. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 18 september 2019 van de politie Eenheid Rotterdam met documentcode 1909181627.G. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 54 t/m 58):
als verklaring van [betrokkene 5] :
[betrokkene 4] en ik gingen bij [betrokkene 2] naar binnen. Na een paar minuten ging de deurbel. Toen stonden [betrokkene 3] ( het hof begrijpt: [betrokkene 3] ) en [verdachte] voor de deur. Mijn zus had mij naar boven gestuurd. Ik zat in de kamer van [betrokkene 2] . Ik zag [betrokkene 3] naar de kamer waar ik zat komen. Toen [betrokkene 3] en [verdachte] weg waren vertelde [betrokkene 2] dat [verdachte] een horloge van haar had afgepakt. Dit was echt een half jaar geleden of zo. [betrokkene 2] vertelde dat een horloge en een parfum zijn meegenomen.
6. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 21 oktober 2019 van de politie Eenheid Rotterdam met documentcode 1910211000.G. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 227 t/m 232):
als verklaring van [betrokkene 6] :
Het is ongeveer een half jaar geleden. Toen kwam [verdachte] naar mij toe om iets te vertellen. Hij vertelde dat twee jongens bij [betrokkene 2] thuis kwamen. Ze hadden van mijn neef parfum en een ketting gestolen, boven uit zijn kamer. Een paar maanden later vertelde [betrokkene 2] dat haar horloge weg was en dat [verdachte] hem had. Ik heb [verdachte] een berichtje gestuurd en gevraagd af te spreken, zodat hij het horloge kon teruggeven. Ik heb toen het horloge bij hem opgehaald.”
3.3
Het bestreden arrest houdt voorts, voor zover van belang, het volgende in:
“Vast staat dat in de eerste helft van 2019 uit de woning van [betrokkene 2] spullen zijn weggenomen. [betrokkene 2] heeft hierover verklaard dat er parfumflessen, een ketting en haar horloge zijn weggenomen. De broer van [betrokkene 2] heeft de politie laten weten dat hij twee parfumflessen en een ketting mist. [betrokkene 2] heeft verklaard dat de spullen zijn weggenomen door de verdachte en medeverdachte [betrokkene 3] , nadat de jongens boven in de woning waren geweest. Zij heeft gezien dat de verdachte en [betrokkene 3] de spullen wegnamen.
De aangifte wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen [betrokkene 4] en [betrokkene 5] . [betrokkene 4] heeft verklaard dat de verdachte en [betrokkene 3] in de woning van [betrokkene 2] zijn geweest, waar zij op dat moment ook aanwezig was. Zij heeft medeverdachte [betrokkene 3] toen horen zeggen dat zij dingen in het huis gingen pakken. Vervolgens is [betrokkene 3] samen met de verdachte naar boven gegaan en is [betrokkene 2] hen achterna gegaan. Getuige [betrokkene 5] zat op dit moment boven in de kamer van de broer van [betrokkene 2] en heeft de verdachte daar ook gezien. Direct nadat de verdachte en [betrokkene 3] de woning weer hadden verlaten heeft [betrokkene 2] tegen beide getuigen gezegd dat er spullen waren gestolen. [betrokkene 2] noemde toen de parfumflessen en haar horloge.
De verdachte heeft bevestigd dat hij samen met [betrokkene 3] in de woning van [betrokkene 2] is geweest en dat hij ook op de bovenverdieping van de woning is geweest. Verdachte heeft op de zitting in eerste aanleg voorts verklaard dat hij wist dat er een parfumflesje en een horloge waren gestolen uit de woning van [betrokkene 2] .
[betrokkene 2] heeft geruime tijd later haar horloge teruggekregen via haar neef, [betrokkene 6] . [betrokkene 6] kreeg dit horloge van de verdachte nadat hij er om gevraagd had. De verdachte stelt dat hij het horloge niet zelf uit de woning heeft weggenomen maar dat dit horloge is weggenomen door [betrokkene 7] , die volgens de verdachte samen met hem en [betrokkene 3] in de woning van [betrokkene 2] is geweest. Toen [betrokkene 6] om het horloge vroeg heeft hij tegen [betrokkene 7] gezegd dat hij het horloge aan verdachte moest geven zodat hij het kon teruggeven. Het hof acht deze verklaring van verdachte ongeloofwaardig. Allereerst is uit de bewijsmiddelen niet af te leiden dat [betrokkene 7] , een derde persoon, in de woning aanwezig is geweest. Noch aangeefster, noch de getuigen [betrokkene 4] en [betrokkene 5] hebben over de aanwezigheid van deze derde persoon verklaard. Voorts heeft de verdachte geen consistente verklaringen afgelegd en blijkt uit de omstandigheid dat hij in staat was het horloge af te geven kort nadat hem dat gevraagd werd, dat hij beschikkingsmacht had over dat horloge.
Gelet op het voorgaande in onderling verband bezien komt het hof tot de conclusie dat de verdachte tezamen en in vereniging met [betrokkene 3] spullen heeft weggenomen uit de woning van [betrokkene 2] .”

4.Het eerste middel

4.1
Het middel klaagt dat de verwerping door het hof van het verweer dat de verklaringen van aangeefster [betrokkene 2] onbetrouwbaar zijn en niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd, onvoldoende is gemotiveerd.
4.2
De door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting van 13 oktober 2021 overgelegde pleitnota houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Feit 3
De rechtbank is naar mening van de verdediging ten onrechte tot een wettig en overtuigend bewijs gekomen. Het staat denk ik niet ter discussie dat client in de woning is geweest. Client heeft dit ook verklaard en hij heeft verklaard dat er inderdaad spullen zijn weggenomen door anderen. Client heeft verder bekend dat hij het horloge uiteindelijk aan de neef van aangeefster heeft gegeven. De vraag is echter of er een concreet en direct bewijs in het dossier zit waaruit blijkt dat cliënt zelf de wegnemingshandelingen heeft verricht, dan wel dat hij in nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte heeft gehandeld.
De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de aangifte van [betrokkene 2] wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] . [betrokkene 2] zou direct tegen [betrokkene 4] hebben gezegd dat cliënt haar horloge en flessen parfum heeft meegenomen. Dat klopt, dat heeft [betrokkene 2] inderdaad ook gezegd als we de verklaring van [betrokkene 4] erop nalezen. Echter, [betrokkene 4] heeft nooit met eigen ogen gezien hoe, wanneer, waar en door wie het horloge is weggenomen. Klaarblijkelijk heeft [betrokkene 2] dit die bewuste dag tegen [betrokkene 4] gezegd, maar hoeveel waarde moeten we hechten aan wat [betrokkene 2] tegen anderen zegt? [betrokkene 2] verklaart namelijk ook tegen de rechter- commissaris dat client het horloge op een compleet ander moment bij een bushalte van haar arm zou hebben afgetrokken. Wanneer is het horloge dan weggenomen? Uit de woning of bij de bushalte? Je kan niet de ene verklaring gebruiken en de andere uitsluiten, dat is cherry picking.
Bovendien, [betrokkene 5] verklaart bij de politie dat alleen [betrokkene 3] in de kamer van [betrokkene 2] is gekomen. Zij verklaart niet dat [betrokkene 3] iets heeft weggenomen en zij verklaart niet dat cliënt in die kamer is geweest. Kortom, degene die wel alles gezien zou kunnen hebben, die verklaart niets belastends jegens client. Het bewijs is voor dit feit dan ook gebaseerd op 1 en dezelfde bron, namelijk het verhaal van [betrokkene 2] . Ik vraag me zoiezo af hoeveel waarde je aan de aangifte van [betrokkene 2] kunt hechten aangezien zij aantoonbaar zit te liegen over het feit dat zij zelf de verdachten heeft uitgenodigd. Hoeveel waarde kan je dan nog hechten aan het onderdeel van de weggenomen goederen? Misschien heeft [betrokkene 3] de spullen allemaal weggenomen maar wil [betrokkene 2] koste wat kost dat cliënt voor iets gaat branden. Nogmaals, het gaat erom dat er directe en concrete bewijsmiddelen in het dossier zitten waaruit blijkt dat dient de bewuste goederen zelf heeft weggenomen en dat ontbreekt. Je zou hooguit van een heling kunnen spreken maar dat is niet ten laste gelegd.”
4.3
In zijn dupliek heeft de raadsman van de verdachte voorts het volgende betoogd:
“Ik hoor de advocaat-generaal zeggen dat [betrokkene 2] heel specifiek over de goederen heeft verklaard. Dat heeft zij ook bij de rechter-commissaris gedaan. Zij heeft ook specifiek en gedetailleerd verklaard waar, wanneer en hoe het horloge van haar arm is afgerukt. Ik verzoek het hof niet veel waarde aan de verklaring van [betrokkene 2] te hechten. Met betrekking tot de constatering dat mijn cliënt niet heeft verklaard over hoe het horloge in zijn bezit is gekomen, verwijs ik naar de verklaring van mijn cliënt op zitting dat hij het horloge van [betrokkene 7] heeft gekregen. Hij heeft dus ter terechtzitting in eerste aanleg wel een verklaring afgelegd.”
4.4
In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijke standpunt inhoudt dat [betrokkene 2] wisselend heeft verklaard over waar en wanneer het horloge zou zijn weggenomen en dat [betrokkene 5] heeft verklaard dat alleen [betrokkene 3] in de kamer van [betrokkene 2] is gekomen. Dit zou betekenen dat de verdachte het horloge niet kan hebben weggenomen, aangezien het horloge in de kamer lag waar de verdachte volgens de getuige [betrokkene 5] niet is geweest. Hoewel niet op ieder onderdeel van het niet aanvaarde standpunt moet worden gereageerd, meent de steller van het middel dat de motivering in het onderhavige geval tekortschiet nu in het geheel niet wordt ingegaan op de tegenstrijdigheden in de verklaringen van [betrokkene 2] over het wegnemen van het horloge en ook niet expliciet op de tegenstrijdigheid tussen de verklaring van [betrokkene 2] en die van [betrokkene 5] over de vraag of de verdachte in de kamer van [betrokkene 2] is geweest. Het oordeel van het hof dat de aangifte steun vindt in de verklaring van [betrokkene 5] omdat zij zou hebben verklaard dat zij op dat moment
in de kamer van [betrokkene 2]was en dat zij [betrokkene 3] en de verdachte daar ook heeft gezien, zou bovendien onbegrijpelijk zijn, nu laatstgenoemde omstandigheid niet uit die verklaring volgt en het hof ook niet heeft aangegeven aan welk ander bewijsmiddel het deze omstandigheid heeft ontleend.
4.5
Ik merk allereerst op dat het door de verdediging ingenomen standpunt niet met zoveel woorden inhoudt dat de door aangeefster [betrokkene 2] afgelegde verklaringen wegens hun onbetrouwbaarheid van het bewijs moeten worden uitgesloten. Dat het hof in het bestreden arrest niet met zoveel woorden een overweging aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster heeft gewijd, is zo bezien niet onbegrijpelijk. Voorts is de selectie en waardering van het bewijsmateriaal voorbehouden aan de feitenrechter. Daarop stuiten de eerste twee klachten van dit middel af.
4.6
De derde klacht wordt ook bij het tweede middel aangevoerd en zal daar worden besproken.
4.7
Het middel faalt.

5.Het tweede middel

5.1
Het middel klaagt over de begrijpelijkheid van de motivering van de bewezenverklaring voor zover deze ziet op het weggenomen horloge.
5.2
In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat het hof in de nadere bewijsoverweging zoals weergegeven onder 3.3 overweegt dat aangeefster [betrokkene 2] zou hebben verklaard te hebben gezien dat haar horloge werd weggenomen, maar dat dit niet uit haar verklaring volgt. Volgens de steller van het middel spreekt zij specifiek over parfums en een ketting, maar niet over een horloge. Haar voor het bewijs gebezigde verklaring zou een ontoelaatbare conclusie bevatten, nu dit niet op een eigen waarneming is gebaseerd. Dat heeft volgens de steller van het middel tot gevolg dat de gehele bewijsconstructie wankelt, omdat de overige getuigen hun wetenschap op dit punt ontlenen aan [betrokkene 2] . Voorts wordt geklaagd dat het hof in genoemde nadere bewijsoverweging overweegt dat de aangifte steun vindt in de verklaring van [betrokkene 5] , omdat zij zou hebben verklaard dat zij op dat moment in de kamer van [betrokkene 2] was en dat zij [betrokkene 3] en de verdachte daar ook heeft gezien. Dit kan volgens de steller van het middel echter niet worden afgeleid uit de verklaring van [betrokkene 5] (bewijsmiddel 5). Deze overweging zou daarom onbegrijpelijk zijn. Ook wordt nog geklaagd dat het voor het bewijs bezigen van de verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 1) niet te verenigen valt met het bewijsoordeel dat de verdachte geen consistente verklaringen heeft afgelegd. De omstandigheid dat het hof geen geloof hecht aan de verklaring van de verdachte dat een zekere [betrokkene 7] het horloge zou hebben gestolen zou voorts niet te rijmen zijn met de door het hof voor het bewijs gebruikte verklaring van [betrokkene 6] dat hij van de verdachte heeft gehoord dat twee jongens de diefstal hebben gepleegd uit de woning van [betrokkene 2] (bewijsmiddel 6). Gelet op de strekking van de verklaring van de verdachte moet één van deze jongens [betrokkene 7] zijn. Ten slotte wordt nog geklaagd dat de in de bewijsoverweging opgenomen omstandigheid dat de verdachte in staat was om kort nadat hem gevraagd was het horloge af te geven, niet uit de verklaring van [betrokkene 6] noch uit de overige bewijsmiddelen kan worden afgeleid. De bewezenverklaring zou zodoende ontoereikend zijn gemotiveerd.
5.3
Ik ben het met de steller van het middel eens dat de bewijsoverweging van het hof de nodige gebreken vertoont. Daarbij wijs ik erop dat de vaststelling van het hof dat getuige [betrokkene 5] in de kamer van de broer van [betrokkene 2] zat en zij de verdachte daar ook heeft gezien niet uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 5] blijkt en evenmin blijkt waaraan het hof de bij de verwerping van het alternatieve scenario van de verdachte meegewogen omstandigheid dat de verdachte kort nadat hem dat gevraagd werd de beschikkingsmacht over het horloge had, heeft ontleend. De vaststelling van het hof dat de aangeefster heeft gezien dat de verdachte en [betrokkene 3] “de spullen” wegnamen, zou nog zo kunnen worden gelezen dat dit terugslaat op de spullen waarover haar broer heeft verklaard, te weten twee parfumflessen en een ketting. De als bewijsmiddel 6 gebezigde verklaring ziet op het tweede bezoek aan de woning en derhalve niet op het wegnemen van het horloge. De vraag is of bovengenoemde gebreken maken dat de bewezenverklaring (voor zover deze ziet op het horloge) ontoereikend is gemotiveerd.
5.4
Bewezen is verklaard dat de verdachte tezamen met één ander aan [betrokkene 1] toebehorende parfumflessen en een ketting heeft weggenomen en een aan [betrokkene 2] toebehorend horloge.
5.5
Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof vastgesteld dat:
  • i) de verdachte voorafgaand aan de zomer van 2019 samen met [betrokkene 3] tweemaal in de woning van aangeefster [betrokkene 2] is geweest;
  • ii) de eerste keer dat de verdachte in de woning was en even boven is geweest er (een) parfumfles(en) en een horloge zijn gestolen;
  • iii) beide keren zowel de aangeefster als haar vriendinnen [betrokkene 4] en [betrokkene 5] ook in de woning aanwezig waren;
  • iv) [betrokkene 4] heeft verklaard dat [betrokkene 3] haar heeft gezegd dat zij dingen in het huis gingen pakken;
  • v) [betrokkene 4] heeft verklaard dat de aangeefster de verdachte en [betrokkene 3] achterna ging toen zij in het huis naar boven gingen;
  • vi) aangeefster heeft verklaard dat zij zag dat [betrokkene 3] en de verdachte de eerste keer dat zij in huis waren boven in de kamer van haar beide broers parfums pakten en in hun jaszak stopten;
  • vii) aangeefster heeft verklaard dat zij zag dat de tweede keer dat [betrokkene 3] en de verdachte in haar huis waren weer naar de kamer van haar broers liepen en daar een gouden ketting van haar jongste broer [betrokkene 1] vonden en [betrokkene 3] deze ketting heeft meegenomen,
  • viii) [betrokkene 3] volgens de aangeefster een ketting en twee parfums heeft gestolen en de verdachte een parfum en haar zilveren Guess horloge;
  • ix) [betrokkene 5] in de kamer van de aangeefster zat en [betrokkene 3] naar die kamer toe zag komen;
  • x) [betrokkene 4] en [betrokkene 5] van de aangeefster hebben gehoord wat [betrokkene 3] en de verdachte zouden hebben gepakt (parfum(s) en het horloge van de aangeefster);
  • xi) [betrokkene 1] heeft verklaard dat er spullen weg zijn: een nepketting en twee parfums;
  • xii) de verdachte aan [betrokkene 6] (de neef van [betrokkene 2] ) heeft verteld dat twee jongens bij [betrokkene 2] thuis kwamen en die jongens van [betrokkene 6] neef (bedoeld zal zijn: [betrokkene 1] ) een parfum en een ketting uit zijn kamer hadden gestolen;
  • xiii) [betrokkene 6] het horloge van de aangeefster bij de verdachte heeft opgehaald.
5.6
Uit de onder 5.5 genoemde vaststellingen kan, in onderlinge samenhang bezien, niet alleen worden afgeleid dat het horloge tijdens het
eerste bezoekdat de verdachte en medeverdachte [betrokkene 3] aan de woning brachten is weggenomen, maar ook dat de verklaringen van de getuigen [betrokkene 4] en [betrokkene 5] betrekking hebben op dit
eerste bezoekvan de verdachte en [betrokkene 3] aan de woning van de aangeefster. Zij verklaren immers over de goederen die - ook volgens de verklaring van de verdachte - tijdens het eerste bezoek zijn weggenomen (t.w. parfumflesje en een horloge). Dat de aangeefster tijdens dat bezoek met de verdachte en [betrokkene 3] op de bovenverdieping van de woning was, vindt steun in de verklaring van getuige [betrokkene 4] dat zij zag dat aangeefster de verdachte en [betrokkene 3] naar boven volgde om te kijken wat zij gingen doen, terwijl getuige [betrokkene 5] ook nog heeft verklaard dat [betrokkene 3] tijdens dat bezoek naar de kamer van de aangeefster toekwam. [1]
5.7
Wat betreft de betrokkenheid van de verdachte houden genoemde vaststellingen in dat - voor zover hier van belang - de verdachte tijdens het eerste bezoek aan de woning van de aangeefster samen met [betrokkene 3] even boven in de woning is geweest, hij na dit bezoek wist dat er een parfumflesje en een horloge waren gestolen en de verdachte (een paar maand later) het horloge aan de neef van [betrokkene 2] heeft teruggegeven. Voorts houden de gebezigde bewijsmiddelen in dat [betrokkene 3] in het begin van het eerste bezoek tegen [betrokkene 4] had gezegd dat
zijdingen gingen pakken, terwijl het hof het door de verdachte geschetste alternatieve scenario over hoe de verdachte in het bezit is gekomen van het horloge - erop neerkomend dat een derde persoon ( [betrokkene 7] ) die met de verdachte en [betrokkene 3] in de woning is geweest het horloge heeft weggenomen - als ongeloofwaardig terzijde heeft gesteld.
5.8
Tegen voornoemde achtergrond meen ik dat uit de bewijsvoering in voldoende mate kan worden afgeleid dat de verdachte en [betrokkene 3] tijdens het eerste bezoek, waarbij onder meer het horloge is buitgemaakt, gezamenlijk zijn opgetreden met de intentie om dingen in het huis te pakken. ’s Hofs oordeel dat de diefstal in vereniging is gepleegd is zo bezien niet onbegrijpelijk. Dat er direct steunbewijs ontbreekt voor wie het horloge heeft weggenomen doet daar mijns inziens niet aan af.
5.9
Overigens merk ik op dat hof naast het horloge ook bewezen heeft verklaard dat er parfumflessen en een ketting door de verdachte en zijn medeverdachte zijn weggenomen, zodat de aard en de ernst van hetgeen is bewezenverklaard ook met weglating van het horloge uit de bewezenverklaring, niet worden aangetast, terwijl het feit door het hof ook niet als meermalen gepleegd is gekwalificeerd en uit de strafmotivering niet blijkt dat het aantal buitgemaakte goederen een (strafverhogende) rol heeft gespeeld.
5.1
Het middel faalt.
6. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Over waar in de woning het horloge zich precies bevond houden de gebezigde bewijsmiddelen niets in.