3.3De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
• de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 4 april 2021 in het strafvorderlijk onderzoek tegen [betrokkene 1] onder die persoon de Rolex model 326935 met serienummer [001] in beslag is genomen;
• het klaagschrift, ingediend op 7 mei 2021 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv;
• het verweerschrift van de officier van justitie; en
• de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 30 juli 2021. Gehoord zijn de officier van justitie, mr. E. de Feijter, klager, mr. Y. Quint als raadsman van klager en [betrokkene 1] als belanghebbende.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het gelegde beslag met last tot teruggave aan de klager.
Daartoe is aangevoerd dat het horloge niet aan belanghebbende maar aan klager toebehoort.
Belanghebbende droeg het horloge uitsluitend op de dag van inbeslagneming en zou het horloge de volgende dag teruggeven. Ter onderbouwing van het klaagschrift heeft klager een handgeschreven rekening, een garantiebewijs en vijf getuigenverklaringen overgelegd.
De officier van justitie heeft zich schriftelijk en in raadkamer op het standpunt gesteld dat het horloge niet aan klager maar aan belanghebbende toebehoort. Belanghebbende droeg het horloge op het moment dat hij staande werd gehouden. Hij heeft toen geprobeerd het horloge te verbergen voor de politie. Nadat het horloge in beslag werd genomen heeft hij niet verklaard dat het niet zijn eigendom was. Dit heeft hij ook niet meegedeeld tijdens de verhoren die daarna plaatsvonden. Pas ruim een maand na inbeslagneming heeft klager meegedeeld dat het horloge niet van hem is. Op de telefoon van belanghebbende zijn foto’s aangetroffen waarop te zien is dat hij het horloge in 2019 en 2020 al droeg. Belanghebbende heeft bovendien op 21 juli 2020 een gesprek gevoerd met [betrokkene 2] over het horloge. Ook de handgeschreven bon en de toegezonden foto van het garantiebewijs tonen niet aan klager de eigenaar van het horloge is. Om die reden is de officier van justitie van mening dat het horloge niet aan klager toebehoort en dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard.
In raadkamer heeft de raadsman het standpunt van klager herhaald en aangevoerd dat het klaagschrift pas na een maand is ingediend omdat er tijd nodig was voor het opstellen van het klaagschrift.
Belanghebbende heeft in raadkamer bevestigd dat het horloge toebehoort aan klager en dat het enige tijd heeft geduurd voordat het klaagschrift werd ingediend, omdat hij de overgelegde getuigenverklaringen nog moest regelen. Daarnaast heeft hij bevestigd dat hij contact heeft gehad over het horloge met [betrokkene 2] , maar hij heeft verklaard dat hij dit deed in het belang van klager. Het horloge op de foto’s uit 2019 en 2020 betreft een replica van het echte horloge dat belanghebbende in het buitenland heeft gekocht.
2. De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in het klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het conservatoir beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 r.o. 2.14, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94a, eerste of tweede lid, Sv gelegd beslag te onderzoeken: (i) of ten tijde van de beslissing op het klaagschrift sprake van een redelijk vermoeden van schuld van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde (in het geval van conservatoir beslag tot bewaring van het recht tot verhaal voor een schadevergoedingsmaatregel, artikel 94a lid 3 Sv) of vijfde categorie (in het geval van conservatoir beslag tot bewaring van het recht tot verhaal voor een geldboete of ontnemingsmaatregel, respectievelijk artikel 94a lid I en 2 Sv) kan worden opgelegd; en
(ii) of zich het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
Indien een derde - als zodanig kan ook gelden degene onder wie het beslag feitelijk is gelegd, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht - die stelt eigenaar te zijn, op grond van artikel 522a Sv een klaagschrift heeft ingediend, dient de rechter als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven. Indien de klager als eigenaar wordt aangemerkt, zal de rechter tevens moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van artikel 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet. (HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823,NJ 2010/654, r.o. 2.15) Bij de beoordeling van de vraag of de klager die stelt eigenaar te zijn, inderdaad redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt zal de rechter niet hoeven te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar zal daarbij wel civielrechtelijke aspecten mogen betrekken (vgl, HR 6 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3826, NJ 2003, 459). Het gaat in de beslagprocedure om een voorlopig oordeel omtrent de eigendomsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp (HR 3 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6983). De rechtbank is van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat klager redelijkerwijs als eigenaar moet worden aangemerkt van het inbeslaggenomen horloge. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Door klager zijn bij het klaagschrift diverse stukken gevoegd waaruit zou blijken dat hij eigenaar van het horloge is. Er zijn diverse ongedateerde verklaringen gevoegd van personen die verklaren dat belanghebbende feitelijk het horloge droeg van klager. Opmerkelijk is hierbij dat belanghebbende in raadkamer heeft verklaard dat hij deze verklaringen heeft geregeld voor klager. Dit doet vermoeden dat de getuigen is gevraagd een specifieke verklaring af te leggen. Door klager is ook een handgeschreven rekening ingediend ter onderbouwing van zijn standpunt. De rechtbank stelt vast dat de naam van de koper van het horloge op deze bon niet is vermeld. Nu het aankoopbedrag van € 29.750,00 bovendien contant is voldaan, bestaat er geen mogelijkheid om via bankafschriften te controleren of het horloge daadwerkelijk door klager is aangekocht. Voorts heeft klager foto’s van het garantiebewijs van de horloge ingediend. Het valt de rechtbank hierbij op dat zichtbaar is dat de foto’s niet met de telefoon van klager zelf zijn genomen, maar aan hem zijn toegezonden door een derde genaamd “Schatje”. Ten aanzien van het garantiebewijs zelf valt op dat bij “purchaser” geen enkele naam is ingevuld. Daarnaast kan een enkel garantiebewijs ook niet gelden als eigendomsbewijs. De ingediende stukken tonen dan ook niet aan dat klager de eigenaar van het horloge is.
Uit het raadkamer dossier blijkt echter wel dat er in 2019 en 2020 foto’s zijn gemaakt waarop te zien is dat belanghebbende een horloge draagt dat op zijn minst zeer sterk lijkt op het inbeslaggenomen horloge. Bovendien heeft belanghebbende bevestigd dat hij contact heeft gehad met [betrokkene 2] over een servicebeurt voor het horloge. Dit geeft ondersteuning aan het standpunt van het Openbaar Ministerie dat het horloge niet toebehoort aan klager maar aan belanghebbende.
Daar komt bij dat als uitgangspunt geldt dat een beslagene in beginsel aangemerkt wordt als redelijkerwijs rechthebbende. De rechtbank stelt vast dat in onderhavige zaak niet klager maar belanghebbende de beslagene is. Belanghebbende droeg het horloge en heeft het bij zijn staandehouding geprobeerd te verbergen voor de politie. Gedurende de eerste maand na zijn staandehouding heeft hij op geen enkele manier kenbaar gemaakt dat hij niet de eigenaar zou zijn van het horloge. Pas ruim een maand na de inbeslagname is door klager een klaagschrift ingediend waarin hij heeft meegedeeld de eigenaar van het horloge te zijn. Uit het raadkamerdossier blijkt niet dat klager dit eerder, bijvoorbeeld op het moment van inbeslagname van het horloge, op enigerlei wijze kenbaar heeft gemaakt bij de politie of het Openbaar Ministerie.
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende wordt verdacht van betrokkenheid bij de productie van synthetische drugs in drie labs en de (poging tot) uitvoer van een grote hoeveelheid Xtc-pillen. In dit kader is er een machtiging tot het leggen van conservatoir beslag afgegeven. Gelet hierop heeft belanghebbende er alle belang bij om te verbergen dat het horloge aan hem toebehoort en te doen voorkomen dat het aan klager toebehoort. Immers, het horloge zou kunnen dienen ter betaling van een geldboete of een ontnemingsbedrag. Dit zou betekenen dat belanghebbende het horloge zou verliezen. Om die reden kan de rechtbank er niet van uitgaan dat belanghebbende in raadkamer de waarheid heeft gesproken.
Gelet op alle voornoemde bevindingen is de rechtbank van oordeel dat niet klager, maar belanghebbende [betrokkene 1] aangemerkt dient te worden als redelijkerwijs rechthebbende op het horloge. Om die reden zal zij het klaagschrift dan ook ongegrond verklaren.”