ECLI:NL:PHR:2022:1167

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 december 2022
Publicatiedatum
12 december 2022
Zaaknummer
21/01220
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 435 SvArt. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte in cassatie wegens niet-indienen middelen

De verdachte is bij arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor medeplegen van invoer van cocaïne, in strijd met artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet, tot een gevangenisstraf van 985 dagen waarvan 365 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Het cassatieberoep is ingesteld, maar de verdachte heeft niet binnen de wettelijke termijn van twee maanden na betekening van de aanzegging op 11 april 2022 schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend bij de Hoge Raad.

De gerechtelijke brief is aangeboden op het adres van de verdachte, maar daar was niemand bereid deze aan te nemen. Hierdoor is niet voldaan aan artikel 437, tweede lid, Sv, waardoor de verdachte niet in het cassatieberoep kan worden ontvangen.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is daarom dat de verdachte niet-ontvankelijk verklaard moet worden in het cassatieberoep.

Uitkomst: De verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/01220
Zitting13 december 2022

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 9 maart 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod’, veroordeeld tot 985 dagen gevangenisstraf, waarvan 365 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/01003 en 21/01728. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 11 april 2022 betekend. De gerechtelijke brief is uitgereikt aan een medewerker van het parket van de Procureur-Generaal. Zij is op 22 en 29 maart 2022 (en naar ik begrijp op 5 april 2022) aangeboden aan het adres [a-straat 1], [postcode] [plaats], alwaar volgens de akte van uitreiking niemand aanwezig of bereid was om de brief aan te nemen. Uit de BRP-bevraging van 11 april 2022 blijkt dat dit adres sinds 25 november 2014 het BRP-adres van verdachte is.
Art. 437, tweede lid, Sv bepaalt dat de verdachte door of namens wie beroep in cassatie is ingesteld, op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht is binnen twee maanden nadat de in art. 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging is betekend, bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur houdende zijn middelen van cassatie te doen indienen. Nu dit voorschrift niet in acht is genomen kan de verdachte niet in het beroep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG