Conclusie
high intensive careafdeling. Twee dagen vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de zorgmachtiging heeft de rechtbank het verzoek tot verlening van een aansluitende zorgmachtiging afgewezen. Betrokkene is toen uit de instelling ontslagen. In deze Wvggz-klachtprocedure heeft betrokkene verschillende klachten ingediend, zowel tegen de beslissing tot opnemen in een accommodatie als tegen het handelen van de zorgaanbieder gedurende de opname (met name de eerste dagen). De rechtbank heeft de klachten, op één na, ongegrond verklaard. Het cassatiemiddel komt op tegen de ongegrondverklaring van een aantal van die klachten.
1.Feiten en procesverloop
indien sprake is van decompensatie van het toestandsbeeld van betrokkene en/of het ernstig nadeel niet langer in het ambulante kader kan worden afgewend”: ‘beperken van de bewegingsvrijheid’, ‘insluiten’, ‘uitoefenen van toezicht op betrokkene’ en ‘opnemen in een accommodatie’. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek voor het overige [4] aangehouden tot een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 20 februari 2021.
high intensive care(HIC) afdeling van de zorgaanbieder.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Psychische stoornis en ernstig nadeel’ en ‘
Proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid’ ten aanzien van betrokkene een beeld heeft geschetst dat uitgaat van onjuiste vooronderstellingen. Het onderdeel stelt dat de rechtbank daar verwijst naar de hiervoor in alinea 1.2 genoemde beschikking van 20 november 2020, maar dat voorbij wordt gegaan “aan alle problemen die er met die beschikking zijn, zoals in de procedure uitgebreid aan de orde gesteld”. Volgens het onderdeel mag de omstandigheid dat tegen de beschikking geen cassatieberoep is ingesteld geen reden zijn “om aan die problemen voorbij te gaan”, zeker niet omdat betrokkene “van een en ander” niet op de hoogte was en zij dus ook geen cassatieadvocaat heeft kunnen benaderen. Volgens het onderdeel is het onjuist dat de rechtbank uitgaat van informatie, bij de totstandkoming waarvan betrokkene niet betrokken is geweest, waartegen zij zich niet heeft kunnen verdedigen en die zij niet heeft ontvangen, waardoor er een beeld van haar wordt geschetst “op basis waarvan op 30 en 31 januari 2021 ten onrechte gereageerd is”, althans dat het onbegrijpelijk is dat de rechtbank “een dergelijke keuze uit de feitelijke informatie heeft gebruikt”, althans dat een en ander onvoldoende is gemotiveerd.
toelichting onder 1.1in op de beschikking van 20 november 2020 en in de
toelichting onder 1.2op het verzoek om een aansluitende zorgmachtiging en de afwijzing van dat verzoek. Met betrekking tot de beschikking van 20 november 2020 stelt het onderdeel, puntsgewijs weergegeven, het volgende:
Psychische stoornis en ernstig nadeel’ (blz. 8 en 9 van de bestreden beschikking) heeft de rechtbank het volgende overwogen:
Proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid’ het volgende overwogen:
geencassatieberoep ingesteld. Voor zover het onderdeel betoogt dat betrokkene niet wist dat er op die datum ten aanzien van haar een zorgmachtiging was afgegeven, en dat zij daarom ook geen cassatieberoep heeft kunnen instellen, faalt dit betoog. Uit meerdere gedingstukken blijkt dat betrokkene, haar moeder
ende opvolgend advocaat van betrokkene tijdig binnen de cassatietermijn op de hoogte zijn gesteld van de beschikking van 20 november 2020. Zo blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van 4 februari 2021, waar onder meer het op 20 november 2020 deels aangehouden verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging mondeling is behandeld, dat de zorgmachtiging van 20 november 2020 meermaals ter sprake is gekomen. [16] Sterker nog, de rechtbank heeft de behandeling van de verzoeken ter zitting aangehouden zodat de opvolgend advocaat de beschikking kon krijgen over het procesdossier dat ten grondslag heeft gelegen aan de uitspraak van 20 november 2020. De mondelinge behandeling is nadien voortgezet ter zitting van 18 februari 2021. Na 4 februari 2021 was er derhalve nog voldoende tijd om cassatieberoep in te stellen van de beschikking van 20 november 2020, indien betrokkene dit wenste.
indien sprake is van decompensatie van het toestandsbeeld (…) en/of het ernstig nadeel niet langer in het ambulante kader kan worden afgewend”. Dit betekent dat aan hetgeen door de politie en hulpverleners is waargenomen vlak vóór en na de opname op 30 januari 2021 meer gewicht toekomt dan aan hetgeen in de beschikking van 20 november 2020 wordt vermeld over het toestandsbeeld van betrokkene op dat moment. De rechtbank overweegt in de door het onderdeel bestreden passage dat betrokkene op 30 januari 2021 door de politie is aangetroffen op straat, waarbij zij in gevecht was met haar moeder, dat zij onder fors verzet door de politie naar de PEH is gebracht, dat zij daar aan het schreeuwen was, agressief was en niet coöperatief, en dat er volgens de zorgverleners “
een ernstig vermoeden van psychotische decompensatie” was. De rechtbank oordeelt dat zij geen aanknopingspunten ziet om de verslaglegging op basis van informatie van de politie en de hulpverleners voor onjuist te houden. De rechtbank overweegt daarnaast dat ook vóór 30 januari 2021 de aanwijzingen voor psychotische decompensatie en ernstig nadeel voldoende zijn onderbouwd. Het oordeel dat er bij betrokkene (in elk geval) op 30 januari 2021 een ernstig vermoeden van psychotische decompensatie was, berust op een aan de rechtbank voorbehouden waardering van de destijds opgemaakte verslagen en afgelegde verklaringen. Die waardering is feitelijk en kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het oordeel is niet onbegrijpelijk. In de beslissing op grond van art. 8:9 Wvggz Pro van 30 januari 2021 [18] heeft [psychiater 1] in de toelichting bij alle vormen van verplichte zorg het volgende geschreven: “
Voor bewaren van veiligheid van jezelf en derden en in het kader van observatie van uw huidige psychiatrisch toestandsbeeld”. Naar het ernstig vermoeden van psychotische decompensatie diende in de dagen na de opname (die op een zaterdagavond heeft plaatsgevonden) derhalve nader onderzoek te worden gedaan.
nade beschikking van 20 november 2020 en zelfs van
nade opname op 30 januari 2021, daar is opgenomen. In de rapportage schrijft de psychiater dat hij betrokkene “nu niet direct als overduidelijk psychotisch” ervaart. De verklaring ziet niet op de periode daarvóór.
toelichting onder 1.2, die blijkens het kopje betrekking heeft op het verzoek tot verlening van een aansluitende zorgmachtiging en de beschikking van 18 februari 2021, staat puntsgewijs weergegeven het volgende:
in de beschikking van 20 november 2020, omdat er “problemen met die beschikking zijn”. In de toelichting onder 1.2 worden stellingen ingenomen die alle betrekking hebben op de periode van ná genoemde beschikking. Hetgeen in de toelichting naar voren wordt gebracht stuit af op de hiervóór weergegeven gronden. Betrokkene mocht blijkens de afgegeven zorgmachtiging worden opgenomen in een accommodatie, indien sprake is van decompensatie van haar toestandsbeeld en/of het ernstig nadeel niet langer in het ambulante kader kan worden afgewend. De rechtbank heeft zich aangesloten bij het oordeel van de zorgverleners dat er bij betrokkene op zaterdagavond 30 januari 2021 een ernstig vermoeden van psychotische decompensatie was. Zoals gezegd is dit oordeel feitelijk en niet onbegrijpelijk. Dat op 18 februari 2022 het verzoek om een zorgmachtiging (het overblijvende deel waarover op 20 november 2020 niet is beslist) is afgewezen, alsmede het verzoek om een aansluitende zorgmachtiging, doet aan het bovenstaande niet af. Dit zegt niet zoveel over de periode daarvóór en met name niet over de periode rond de opname eind januari 2021. Voor deze opname en het opvolgend verblijf in een accommodatie bestond een titel.
toelichting onder 2.1staat, samengevat, dat “het overleggen van de zorgmachtiging op maandagmiddag nadat de zorgmachtiging al vanaf zaterdagavond ten uitvoer gelegd is”, in strijd is met de wet. Betrokkene had gelet op het bepaalde in art 8:7 lid 3 Wvggz Pro “voordat er wat dan ook met haar gebeurde” een afschrift van de beschikking van 20 november 2020 moeten ontvangen, aldus de klacht.
nietom een verplichting van de zorgaanbieder tot afgifte van de zorgmachtiging aan de betrokken patiënt. Het is de zorgaanbieder die een afschrift van de zorgmachtiging
dient te ontvangenvoordat zij mag overgaan tot tenuitvoerlegging van de daarin bepaalde vormen van verplichte zorg. Met betrekking tot dit aspect is in de klachtprocedure (terecht) geen klacht naar voren gebracht. Vaststaat dat aan betrokkene en haar moeder twee dagen na de opname een afschrift van de zorgmachtiging is verstrekt. Hieruit kan worden afgeleid dat de zorgaanbieder reeds een afschrift van de zorgmachtiging in haar bezit had. Zie in dat verband ook de beschikking van 20 november 2020, waarin de rechtbank aan het slot de griffier gelast om de zorgaanbieder tegen de nader te bepalen vervolgzitting op te roepen, alsmede de beslissing op grond van art. 8:9 Wvggz Pro die is opgesteld door een psychiater die werkzaam is
bij de zorgaanbieder.
toelichting onder 2.2staat dat op grond van art. 5 lid 2 EVRM Pro niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd voordat hij op de hoogte is gebracht van de tegen hem liggende beschuldigingen, en dat dit artikel ook van toepassing is in geval van een psychiatrische opname. Vervolgens wordt herhaald dat betrokkene er niet van op de hoogte was dat er een procedure is geweest tot verlening van een zorgmachtiging, dat zij niet is gehoord en dat zij de beslissing van 20 november 2020 niet heeft ontvangen. De toelichting vermeldt verder dat een agent bij wie betrokkene een keer aangifte had gedaan, betrokkene herkende op het moment dat zij werd aangehouden, dat deze agent op de hoogte was van het bestaan van de zorgmachtiging en dat toen “een en ander in gang is gezet”. In de toelichting staat dat er direct bij aankomst in de accommodatie van de zorgaanbieder allerlei dwangmaatregelen zijn getroffen zonder dat er geluisterd werd naar betrokkene en haar moeder, en dat betrokkene op dat moment ondanks herhaald verzoek niet in de gelegenheid is gesteld een advocaat te bellen. Aan het slot van de toelichting is de volgende passage opgenomen: “
Als men op 30 januari 2021 niet de beschikking had over de beschikking van 20 november 2020 kan gevoeglijk aangenomen worden dat men ook niet heeft geweten bij [de zorgaanbieder] in Leiden wat de problemen in relatie tot die beschikking waren en dus gehandeld op basis van onvoldoende informatie”.
uitsluitendeen beslissing gegeven op de klacht dat art. 8:7 lid 3 Wvggz Pro is geschonden. In de overweging heeft de rechtbank geen beslissing gegeven op de klachten tegen het toepassen van dwangmiddelen bij aankomst in de PEH en het (al dan niet) de gelegenheid hebben geboden aan betrokkene om contact op te nemen met een advocaat. Hiervóór is uiteengezet dat art. 8:7 lid 3 Wvggz Pro niet is geschonden, omdat in dit artikel uitsluitend is bepaald dat
aan de zorgaanbiedereen afschrift van de afgegeven zorgmachtiging moet zijn verstrekt voordat kan worden overgegaan tot toepassing van de in die machtiging bepaalde vormen van verplichte zorg. Aangenomen moet worden dat dit is gebeurd.
Moeder vertelt dat er inderdaad een lopende zorgmachtiging is en dat zij daar geen inzage in krijgt omdat patiënte daar gezien haar toestand niet mee kan instemmen”. Uit deze passage blijkt in elk geval dat betrokkene en haar moeder op het moment van opname in de PEH bekend waren met het bestaan van de zorgmachtiging. Het onderdeel verwijst niet naar een passage in de gedingstukken waarin staat dat betrokkene zelf om een afschrift van de zorgmachtiging heeft gevraagd. De zorgaanbieder mocht er op het moment van opname van betrokkene (dan ook) vanuit gaan dat zij ook bekend was met de inhoud van de ten aanzien van haar verleende zorgmachtiging. De rechtbank heeft overwogen dat de zorgmachtiging op basis waarvan verplichte zorg is verleend op maandagmiddag aan betrokkene en haar moeder is overgelegd, en dat dit “voldoende spoedig” is. Ik meen (in het licht van het voorgaande: ten overvloede) dat dit oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en ook niet onbegrijpelijk is. In dat verband zij opgemerkt dat betrokkene op een zaterdagavond is aangehouden en is overgebracht naar de psychiatrische eerste hulp. Op maandag 1 februari 2021, der eerste reguliere werkdag, is zij overgebracht naar de high intensive care afdeling van de zorgaanbieder. Op die dag is een afschrift van de zorgmachtiging verstrekt aan betrokkene en haar moeder. Ik meen met de rechtbank dat dit in het licht van de gebeurtenissen van de anderhalve dag daarvóór voldoende spoedig is. In dat verband is ook van belang dat de geneesheer-directeur van de zorgaanbieder ter zitting van 19 april 2022 heeft verklaard dat het buiten kantoortijden niet altijd mogelijk is direct stukken te verstrekken. [21] Aldus is van schending van het bepaalde in art. 5 lid 2 EVRM Pro geen sprake.
toelichting onder 2.3staat dat de behandeling die betrokkene onderging een behandeling was in strijd met art. 3 EVRM Pro. Voor zover deze klacht al voldoet aan de eisen die aan een cassatiemiddel mogen worden gesteld stuit zij af op de gronden zoals hiervoor uiteengezet. De rechtbank heeft in de door het onderdeel bestreden passage geen oordeel gegeven over de behandeling van betrokkene.
toelichting onder 3.1(met als kopje ‘Feiten met betrekking tot de zorgmachtiging, beschikking van 20 november 2020’) wordt hetgeen eerder is weergegeven in de toelichting onder 1.1 op onderdeel I, herhaald. De klacht maakt niet duidelijk waarom het bestreden oordeel in het licht van de stellingen in de toelichting onjuist dan wel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. In de bestreden passage gaat de rechtbank in op de wilsbekwaamheid van betrokkene
ten tijde van de opname op 30 januari 2021. Dat tijdstip was bepalend, mede gelet op hetgeen in de beschikking van 20 november 2020 is overwogen. [22] De toelichting sluit derhalve niet aan op de bestreden overwegingen.
toelichting onder 3.2heeft als kopje: ‘Aanhouding door politie, strijd met artikel 5 lid 2 EVRM Pro’. In de toelichting wordt deels herhaald wat ook al staat in de toelichting onder 2.2 bij onderdeel II: na de aanhouding in de avond op 30 januari 2021 zijn betrokkene en haar moeder naar de PEH zijn gebracht, waar betrokkene “in de isoleercel belandde zonder dat haar een kopie van de beschikking inzake de zorgmachtiging werd verstrekt”. Geklaagd wordt dat dit in strijd is met art. 5 lid 2 EVRM Pro.
toelichting onder 3.3(dat als kopje heeft: ‘Wils(on)bekwaamheid, criteria?’) bevat stellingen die zich niet eenvoudig laten samenvatten. Daarom geef ik de passage hieronder volledig weer:
Als betrokkene in de komende drie maanden opgenomen wordt, kan er binnen de instelling opnieuw een poging gedaan worden om betrokkene te horen”. Zoals gezegd heeft de rechtbank bepaald dat ten aanzien van betrokkene de verplichte vorm van zorg ‘opnemen in een accommodatie’ mag worden toegepast, indien sprake is van (i) decompensatie van haar toestandsbeeld en/of (ii) het ernstig nadeel niet langer in het ambulante kader kan worden afgewend.
op basis van het gedrag van betrokkeneer een ernstig vermoeden van een psychotische decompensatie was en dat zij “
onvoldoende in staat leek op te kunnen komen voor haar belangen” is feitelijk en in het licht van het voorgaande niet onbegrijpelijk. Als ik goed zie, heeft de rechtbank alleen een oordeel gegeven over de wilsbekwaamheid van betrokkene
ten tijde van en kort na de opname. Voor zover het onderdeel ervan uit gaat dat de rechtbank heeft geoordeeld dat betrokkene wilsonbekwaam was gedurende de gehele periode dat zij in de accommodatie opgenomen is geweest, mist het feitelijke grondslag.
Voor bewaren van veiligheid van jezelf en derden en in het kader van observatie van uw huidige psychiatrische toestandsbeeld”. Uit het laatste deel van deze passage kan worden afgeleid dat het gegeven oordeel met betrekking tot de actuele gezondheidstoestand slechts een voorlopig oordeel is – gegeven uitsluitend op basis van informatie van de arts-assistent en een verpleegkundige van de crisisdienst (zie de hiervoor in alinea 2.35 geciteerde overweging) – en dat in de dagen na de opname
nader onderzoekdoor een psychiater diende plaats te vinden. Eerder op blz. 11 heeft de rechtbank in het kader van de bespreking van de klacht op grond van art. 8:4 lid Pro 1, onder l, Wvggz overwogen dat uit het verslag van het verloop van de opname blijkt dat zorgverleners gedurende de opname zeer regelmatig onderzoek hebben gedaan naar het toestandsbeeld van betrokkene. Ook dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden.
De vragen over wilsbekwaamheid zijn juridisch van aard. Voor het juridisch starten van de verplichte zorg, was er een evaluatiemoment op 30 of 31 januari 2021. Vervolgens wordt bekeken wat qua zorg passend is. Het is niet zo dat bij elk gesprek dat plaatsvindt de juridische wilsbekwaamheid weer aan de orde komt. Wel wordt gekeken naar geestelijke gesteldheid in het algemeen en doelmatigheid en proportionaliteit in de behandeling. Dat is een continue toetsing. Dat op 30 januari 2021 wilsonbekwaamheid is geconstateerd, betekent niet dat zij per definitie de rest van de opname wilsonbekwaam is geweest. Het is vervelend als gedwongen zorg toegepast moet worden. Dit moet dan ook zorgvuldig worden gedaan.
Er zijn diverse momenten met hulpverleners geweest, waarbij constant gekeken is naar aanwijzingen voor een stoornis, de relatie met het ernstig nadeel en of zorg vrijwillig kan worden gegeven. Daarbij wordt ook geïnformeerd bij naasten en ketenpartners. Op de afdeling is verzoekster niet in de separeer geweest en is haar geen gedwongen medicatie gegeven. Dit gebeurde alleen op de PEH. Er waren al langere tijd aanwijzingen voor een stoornis. Het nadeel kan ook bestaan uit maatschappelijke teloorgang.
Een opname kan langer duren om goed zicht te krijgen en diagnostiek te doen. Daar is soms een observatietijd voor nodig, zeker als het gaat om iemand om wie grote zorgen zijn en met wie geen vrijwillig contact is. In het opnameverslag zou een doel van opname genoemd zijn.
Bij verzoekster kwam ook sterk uit het zorgplan naar voren dat eerst diagnostiek verricht moest worden, waarna behandeling geboden kon worden. Er is langer dan een halfjaar zeer uitvoerig door het wijkteam geprobeerd contact te leggen met verzoekster. Er was een optelsom van aanwijzingen voor een stoornis. Er zijn negen maanden tot een jaar psychotische klachten omschreven door de huisarts en naasten. Verzoekster is eerder op de PEH geweest, waar toen psychotische symptomen zijn geconstateerd. Er zijn politiemeldingen van januari tot augustus vol met psychotische uitspraken en er is herhaaldelijk een terugkoppeling geweest van de politie naar de GGZ. Er was sprake van verward en onsamenhangend gedrag.
Het FACT-team heeft geen diagnostiek kunnen doen. Op 4 februari 2021 was de diagnostiek nog onvoldoende afgerond. Er was toen nog geen contact met verzoekster. Het is te kort door de bocht om bij een moment van beoordeling door [psychiater 2] waarbij verzoekster zich goed presenteert, te zeggen dat er geen stoornis is. (…)” [29]
toelichting onder 4.1heeft betrekking op het oordeel met betrekking tot de klacht op grond van art. 8:9 lid 5 Wvggz Pro. In de toelichting staat dat de beoordeling van de rechtbank voorbijgaat aan de feitelijke situatie waarin betrokkene zich op 30 januari 2021 ten tijde van de aanhouding en de overbrenging naar de PEH bevond. Betoogd wordt dat de feitelijke situatie op een onjuiste wijze is geïnterpreteerd. In de toelichting wordt vermeld dat er gelet op art. 8:9 lid 5 Wvggz Pro en art. 5 lid 1 EVRM Pro geen enkele reden was om betrokkene het recht op het benaderen van een advocaat te ontnemen.
nietdat het betreffende artikel is geschonden doordat er in het bewuste weekend beperkingen zijn opgelegd in het contact van betrokkene met een advocaat. In het verzoekschrift op grond van art. 10:7 Wvggz Pro wordt de klacht herhaald, zij het dat aan het slot wordt verduidelijkt tegen welke personen de klacht zich richt.
toelichting onder 4.2heeft betrekking op het oordeel met betrekking tot de klacht op grond van art. 8:14 Wvggz Pro. In de toelichting staat, puntsgewijs weergegeven, het volgende:
geenoordeel heeft gegeven over het separeren van betrokkene bij aankomst in de PEH. De rechtbank heeft alleen een oordeel gegeven over het onderzoek aan kleding en lichaam dat heeft plaatsgevonden. De klacht dat betrokkene te gemakkelijk in ‘de separeer’ is gezet hoeft dan eigenlijk geen bespreking. De rechtbank heeft eerder op blz. 9 over onder meer de separatie het volgende geoordeeld:
ambtshalve van op de hoogte isdat bij separatie
standaard, op grond van de huisregelsonder meer een onderzoek aan kleding en lichaam wordt verricht om te voorkomen dat een betrokkene gevaarlijke voorwerpen bij zich heeft en hiermee schade aanricht. In het licht van dit oordeel volstaat de enkele stelling dat de huisregels niet zijn overgelegd naar mijn mening niet.
De huisregels zijn gericht op een ordelijke gang van zaken binnen de accommodatie en de veiligheid van betrokkene, andere patiënten en het personeel. De huisregels dienen algemeen van aard te zijn, op de persoon gerichte beperkingen horen niet in de huisregels thuis, maar dienen onderdeel te zijn van het zorgplan van betrokkene.
alleenart. 8:14 Wvggz Pro de wettelijke basis vormt voor het mogen doen van onderzoek aan kleding en lichaam van een opgenomen patiënt, faalt dit betoog. Er zijn meerdere wettelijke grondslagen voor deze bevoegdheid. Ik noem allereerst art. 8:9 Wvggz Pro. Op grond van deze bepaling kan de zorgverantwoordelijke ter uitvoering van (onder meer) een zorgmachtiging een beslissing nemen tot het verlenen van verplichte zorg. Indien in de zorgmachtiging is bepaald dat ten aanzien van de betrokkene de vorm van verplichte zorg ‘onderzoek aan kleding of lichaam’ (art. 3:2 lid Pro 2, aanhef en onder e, Wvggz) mag worden toegepast, en de zorgverantwoordelijke een beslissing geeft op grond van art. 8:9 Wvggz Pro, dan is de bevoegdheid tot onderzoek aan lichaam en/of kleding gegrond op de beslissing op grond van dat artikel.
nietis bepaald dat ten aanzien van hem deze vorm van verplichte zorg mag worden toegepast.
nietin voorziet, voor zover dit tijdelijk ter afwending van een noodsituatie noodzakelijk is, gelet op ernstig nadeel, de veiligheid binnen de accommodatie of andere locatie waar de zorg of verplichte zorg wordt verleend, de bescherming van rechten en vrijheden van anderen, of de voorkoming van strafbare feiten. De duur van deze tijdelijke verplichte zorg is beperkt tot een periode van maximaal drie dagen (art. 8:12 lid 1 Wvggz Pro). Indien de zorgverantwoordelijke van oordeel is dat de tijdelijke verplichte zorg na deze periode moet worden voortgezet, kan hij daartoe uitsluitend beslissen indien een door hem gemotiveerde aanvraag tot wijziging van de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging door de geneesheer-directeur, vergezeld van zijn advies daarover, bij de officier van justitie is ingediend (art. 8:12 lid 3 Wvggz Pro).