Conclusie
Hof) aangenomen niet-ontvankelijkheid van de verzoeksters in hun enquêteverzoeken voor zover die betrekking hebben op een bepaalde stichting particulier fonds, omdat deze stichting niet kan worden beschouwd als stichting in de zin van art. 2:272 lid Pro 1, aanhef en sub a van het Burgerlijk Wetboek van Curaçao (hierna: het
BWC).
1.De feiten
Beschikking). [1]
erflater), een zeer vermogende Israëlische zakenman. De erflater was gehuwd met [de vrouw] (hierna:
[de vrouw]), met wie hij twee dochters had: [dochter 1] (hierna:
[dochter 1]) en [dochter 2] (hierna:
[dochter 2]). [dochter 1] heeft uit een inmiddels ontbonden huwelijk vier kinderen. [dochter 2] heeft geen kinderen. Omstreden is of de erflater nog een derde, buitenechtelijke dochter heeft: [betrokkene 1] .
Trust), die is vormgegeven als een discretionary trust waarbij de trustees "at their absolute discretion" besluiten over de uitkeringen (aan de beneficiaries) en andere bestedingen van het in de Trust ondergebrachte vermogen. De beneficiaries van de Trust zijn omschreven als "All descendants of [de grootvader] and [de grootmoeder] , PL- [plaats] , and their relatives, [de grootvader] and [de grootmoeder] are grandparents of [de erflater] , date of birth: [geboortedatum] . 1942", alsmede een viertal museale instellingen. Trustees zijn thans de rechtspersonen naar het recht van Liechtenstein Lopag Trust reg., Admintrust Verwaltungsanstalt en Cato Trust reg. (hierna, in vrouwelijk enkelvoud:
Lopag c.s.).
BGNIC), een verzekeringsmaatschappij die net als haar moeder is gevestigd op de Kaaiman Eilanden. BGNIC hield tot 24 mei 2017 alle aandelen - 6.000 in totaal - in Solid Holding N.V. (hierna:
Solid).
PES). Bestuurders van Solid zijn [bestuurder 1] (hierna:
[bestuurder 1]) en [bestuurder 2] (hierna:
[bestuurder 2]). Laatstgenoemde was tot 3 december 2018 ook een bestuurder van BGNIC.
SFPF). Daarmee verwaterde het 100% belang van BGNIC tot minder dan 1%.
2.Het procesverloop
In feitelijke instantie bij het Hof
de zaak met nummer CUR2021H00176heeft BGNIC bij een op 3 juni 2021 bij het Hof ingekomen verzoekschrift vooreerst verzocht dat het Hof, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, met betrekking tot
Solid:
b. Solid zal verbieden uitkeringen te doen aan haar aandeelhouders zonder voorafgaande goedkeuring van BGNIC;
c. Solid zal verbieden overeenkomsten aan te gaan of rechtshandelingen te verrichten die een waarde vertegenwoordigen van meer dan € 30.000,-- zonder voorafgaande goedkeuring van BGNIC, met uitzondering van redelijke kosten in verband met deze enquêteprocedure;
d. de aandelen die SFPF houdt in Solid ten titel van beheer zal overdragen aan een onafhankelijke derde of, subsidiair, het stemrecht op de aandelen die SFPF houdt in Solid zal schorsen.
SFPF:
a. het bestuur ( [bestuurder 2] en PES) zal schorsen als bestuurders van SFPF, de “Protector” van SFPF ( [bestuurder 1] ) zal schorsen als “Protector” van SFPF en over zal gaan tot tijdelijke aanstelling van één of meer onafhankelijke bestuurders van SFPF;
b. de bevoegdheden van de “Monitoring Beneficiaries” zoals vastgelegd in de statuten van SFPF zal schorsen;
c. SFPF zal verbieden uitkeringen te doen aan haar beneficiaries zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van BGNIC;
d. SFPF zal verbieden overeenkomsten aan te gaan of rechtshandelingen te verrichten die een waarde vertegenwoordigen van meer dan € 30.000,-- zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van BGNIC, met uitzondering van redelijke kosten in verband met deze enquêteprocedure;
e. de aandelen die SFPF houdt in Solid ten titel van beheer zal overdragen aan een onafhankelijke derde of, subsidiair, het stemrecht op de aandelen die SFPF houdt in Solid zal schorsen.
de zaak met nummer CUR2021H00183heeft Lopag c.s. bij een op 14 juni 2021 bij het Hof ingekomen verzoekschrift verzocht dat het Hof, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, met betrekking tot
SFPF:
1. schorsing van [bestuurder 2] en PES als bestuurders van SFPF, met benoeming van een tijdelijke bestuurder van die stichting;
2. benoeming van een onafhankelijke bewaarder van de Solid aandelen die SFPF onrechtmatig houdt;
3. buitenwerkingstelling van het bepaalde in art. 5, 7, 8 en 9 van de statuten van SFPF;
4.
subsidiair, voor zover het Hof geen aanleiding zou zien de genoemde artikelen buiten werking te stellen: schorsing van [bestuurder 1] als “Protector” van SFPF met benoeming van een tijdelijke “Protector” in zijn plaats en met bepaling dat voor de uitoefening van de bevoegdheden van de “Monitoring Beneficiaries” als bedoeld in die art. 5, 7, 8 en 9 telkens de toestemming van de tijdelijke “Protector” benodigd is;
5.
meer subsidiair, voor zover het Hof geen aanleiding zou zien om de bestuurders van SFPF te schorsen, het bepaalde in art. 5, 7, 8 en 9 van de statuten van SFPF buiten werking te stellen en de “Protector” van SFPF te schorsen: een bevel aan de bestuurders en de “Protector” om zich te onthouden van het verrichten van enige betalingshandeling dan wel het geven van enige instructie aan enige bankrelatie van SFPF die niet direct betrekking heeft op de instandhouding van SFPF als rechtspersoon naar het recht van Curaçao. En voorts, een verbod aan de bestuurders en de “Protector” van SFPF om enige rechtshandeling te verrichten namens SFPF zonder de toestemming van het Hof, het bovenstaande op straffe van verbeurte van een dwangsom van NAƒ 50.000,-- per dag, met een maximum van NAƒ 5.000.000,--;
6. althans een zodanige andere voorziening als het Hof in goede justitie gepast acht om een einde te maken aan de onaanvaardbare situatie bij SFPF hangende dit geding, met veroordeling van SFPF in de kosten van dit geding.
de zaak met nummer CUR2021H00176:
a. Solid verboden uitkeringen te doen aan haar aandeelhouders zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van BGNIC;
b. Solid verboden om overeenkomsten aan te gaan of rechtshandelingen te verrichten die een waarde vertegenwoordigen van meer dan € 30.000,-- zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van BGNIC, met uitzondering van redelijke kosten in verband met deze enquêteprocedure;
c. het stemrecht op de aandelen die SFPF en BGNIC houden in Solid geschorst tot het moment dat de aandelen van SFPF bij nadere beschikking van het Hof zullen zijn overgedragen aan een door het Hof aan te wijzen beheerder;
de zaak met nummer CUR2021H00183:
3.Bespreking van het cassatiemiddel
SRK-uitspraak)” (nrs. 4.3-4.6) en subklachten onder het opschrift “SFPF houdt ook los van Solid een onderneming in stand” (nrs. 4.7-4.8 onder het sub-opschrift “Inbreng van arbeid of middelen", en nrs. 4.9-4.10 onder het sub-opschrift “Economische activiteiten”). Ik verwijs hierna wat betreft deze subklachten naar de subonderdelen 4.3-4.10.
Subonderdelen 4.3-4.6: “Onderneming van Solid mede door SFPF in stand gehouden (beroep opSRK
-uitspraak)”
SRK-beschikking van de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam (hierna: de
OK) [4] en komen neer op het volgende.
SRK-uitspraak van de Ondernemingskamer” - moet worden geconcludeerd dat SFPF en Solid de formeel door Solid uitgeoefende onderneming gezamenlijk in stand houden (aan hen gezamenlijk een onderneming toebehoort). Hiermee houdt, zo hebben BGNIC en Lopag c.s. betoogd, (ook) SFPF een onderneming in stand als bedoeld in art. 2:272 lid Pro 1, aanhef en sub a BWC. Het subonderdeel noemt daarbij sub i t/m iv, onder verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken, stellingen van BGNIC en Lopag c.s. Het subonderdeel klaagt vervolgens dat het Hof, door niet (kenbaar) in te gaan op dit essentiële betoog van BGNIC en Lopag c.s. en hetgeen zij in verband daarmee hebben aangevoerd, zijn oordeel dat SFPF niet kan worden beschouwd als een stichting in de zin van art. 2:272 lid Pro 1, aanhef en sub a BWC onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd.
SRK-beschikking van de OK) te behandelen en te verwerpen, dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Dit betoog strekt immers niet ertoe “dat SFPF (zoals bij een zogeheten opwaartse concernenquête) "
bottom-up" (doordat BGNIC
als aandeelhouder vanSolid bevoegd is op grond van een ruime uitleg van art. 2:272 lid Pro 1, aanhef en sub c BW ook een enquête te verzoeken ten aanzien van SFPF), dus
indirectvia Solid, tot zelfstandig onderzoeksobject wordt gemaakt”. Maar dat SFPF naast Solid tot zelfstandig onderzoeksobject wordt gemaakt, omdat ook SFPF een onderneming in de zin van art. 2:272 lid Pro 1, aanhef en sub a BWC mede in stand houdt (en BGNIC
belanghebbendeis in de zin van die bepaling en dus
rechtstreeksbevoegd is een enquête verzoeken ten aanzien van SFPF). In ieder geval heeft het Hof miskend dat de rechtspraak van de OK en de Hoge Raad wél ruimte biedt om SFPF op grond van het mede in stand houden van de onderneming van Solid tot zelfstandig onderzoeksobject te maken. De OK heeft die ruimte immers uitdrukkelijk geboden in de
SRK-uitspraak. De Hoge Raad heeft zich daarover nog niet uitgelaten, maar uit zijn rechtspraak valt niet af te leiden dat die ruimte er niet zou zijn “(integendeel: vgl. de
Heuga Holding-beschikking en de
Provincie Zuid-Holland-beschikking)”. [8]
i. Wat het Hof oordeelt in de Beschikking
SRK-beschikking van de OK, [13] voor zover hier relevant. Ten slotte keer ik onder 3.7-3.12 hierna terug naar de subonderdelen.
Handelsregisterverordening) heeft toebehoord. Het moet dan gaan om een zelfstandig optredende organisatorische eenheid waarin door inbreng van arbeid en middelen aan derden met winstoogmerk diensten of goederen worden geleverd.
SRK-beschikking van de OK, zoals daarop van verzoekende zijde in dit verband beroep was gedaan, [16] in het onderhavige geval gezien rov. 2.1 sub a t/m i geen ruimte biedt om aan te nemen dat aan SFPF - sinds 24 mei 2017 dus grootaandeelhouder van Solid - op enig tijdstip in de drie jaar voorafgaande aan het enquêteverzoek tezamen met Solid zo’n onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening heeft toebehoord. Daarvoor beantwoordt het onderhavige geval onvoldoende aan het geval dat de OK daar voor ogen heeft. Genoemd beroep is derhalve ontoereikend om SFPF in dit geval langs die weg te laten voldoen aan het onder b bedoelde vereiste.
-beschikking van de OK
SRK-beschikking van de OK.
SRK) en de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Groep Rechtsbijstandverzekering (hierna: de
Vereniging).
SRK-beschikking gevolgde benadering toepast op het daar voorliggende geval, welk geval naar haar oordeel voldoende beantwoordt aan het geval dat de OK voor ogen had in de
SRK-beschikking. Ik citeer de desbetreffende passage: [22]
subonderdeel 4.3.
SRK-beschikking van de OK in het kader van de ontvankelijkheid van hun enquêteverzoeken ten aanzien van SFPF, welk beroep het Hof dus verwerpt. Zie onder 3.5.1-3.5.4 hiervoor. Daarbij betrek ik dat het Hof aldus oordelend afdoende duidelijk maakt waarom het deze uitkomst bereikt. Dit geval, zoals blijkt uit rov. 2.1 sub a t/m i, beantwoordt onvoldoende aan het geval dat de OK voor ogen had in de
SRK-beschikking waarop BGNIC en Lopag c.s. zich ter zake hebben beroepen. Reden waarom de
SRK-beschikking - de daarin door de OK gehanteerde benadering - hier reeds geen ruimte biedt om SFPF, bezien in samenhang met Solid, aan te merken als stichting in de zin van art. 2:272 lid Pro 1, aanhef en sub a BWC. Dat vergt geen ingewikkeld speurwerk. Zo blijkt aanstonds uit rov. 2.1 sub a t/m i dat in het onderhavige geval geen sprake is van een samenstel van statutaire bepalingen van Solid en SFPF waaruit volgt dat zij economisch en organisatorisch onlosmakelijk (nauw) met elkaar zijn verbonden en in wezen deel uitmaken van één samenhangende structuur; [23] althans van een daarmee op één lijn te stellen constellatie. Dat dit anders zou zijn, is door BGNIC en Lopag c.s. bij het Hof ook niet kenbaar betoogd. Het tegendeel wordt welbeschouwd evenmin aangevoerd door het subonderdeel, [24] nog daargelaten dat de daarbij genoemde vindplaatsen in de gedingstukken zijdens BGNIC en Lopag c.s. lang niet alle zien op hun beroep in feitelijke instantie op de
SRK-beschikking van de OK, voor zover kenbaar gedaan. Daarmee wijkt dit geval al op een essentieel punt af van het geval dat de OK voor ogen had in de
SRK-beschikking, naar ook bevestiging vindt in haar enquêtebeschikking van 16 november 2022. Zie onder 1.1-1.9 en 3.6-3.6.7 hiervoor. Bij deze stand van zaken gaf het in het subonderdeel bedoelde betoog van BGNIC en Lopag c.s., voor zover dat al correspondeert met hetgeen zij in werkelijkheid blijkens de gedingstukken kenbaar hebben aangevoerd in feitelijke instantie in het kader van hun beroep op de
SRK-beschikking, het Hof geen aanleiding tot een nadere motivering wat betreft dat door BGNIC en Lopag c.s. gedane beroep op de
SRK-beschikking.
subonderdeel 4.4.
SRK-beschikking van de OK geldend recht weergeeft, gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de Beschikking en mist het daarmee feitelijke grondslag. Nergens blijkt uit dat het Hof in de Beschikking niet aanneemt dat de
SRK-beschikking geldend recht weergeeft, integendeel. Zie onder 3.8-3.8.2 hiervoor.
SRK-beschikking ruimte biedt om aan te nemen dat een stichting beschouwd kan worden als een stichting in de zin van art. 2:272 lid Pro 1, aanhef en sub a BWC indien bezien in samenhang met een naamloze vennootschap (wier onderneming dan mede door de stichting in stand wordt gehouden), ontbeert het subonderdeel eveneens feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van de Beschikking. Daarin onderkent het Hof die mogelijkheid, maar oordeelt het onder meer dat “in dit geval” de
SRK-beschikking geen ruimte biedt om aan te nemen dat SFPF beschouwd kan worden als een stichting in de zin van art. 2:272 lid Pro 1, aanhef en sub a BWC indien bezien in samenhang met Solid. Zie onder 3.8-3.8.2 hiervoor.
SRK-beschikking geen ruimte biedt om aan te nemen dat SFPF beschouwd kan worden als een stichting in de zin van art. 2:272 lid Pro 1, aanhef en sub a BWC indien bezien in samenhang met Solid. [25] Zoals uiteengezet bij de behandeling van subonderdeel 4.3 - zie onder 3.8-3.8.2 hiervoor - oordeelt het Hof in rov. 2.4 dat dit geval, gezien rov. 2.1 sub a t/m i, onvoldoende beantwoordt aan het geval dat de OK voor ogen had in de
SRK-beschikking waarop BGNIC en Lopag c.s. zich ter zake hebben beroepen. Zo blijkt aanstonds uit rov. 2.1 sub a t/m i dat in het onderhavige geval geen sprake is van een samenstel van statutaire bepalingen van Solid en SFPF waaruit volgt dat zij economisch en organisatorisch onlosmakelijk (nauw) met elkaar zijn verbonden en in wezen deel uitmaken van één samenhangende structuur; althans van een daarmee op één lijn te stellen constellatie. Daarmee wijkt dit geval al op een essentieel punt af van het geval dat de OK voor ogen had in de
SRK-beschikking, naar ook bevestiging vindt in haar enquêtebeschikking van 16 november 2022. In het licht daarvan geeft ’s Hofs verwerping van dat betoog van BGNIC en Lopag c.s. inzake de
SRK-beschikking geen blijk van een onjuiste toepassing van die beschikking in het onderhavige geval. Daaraan doet niet af wat het subonderdeel (in lijn met subonderdeel 4.3) aan feiten en omstandigheden noemt, nog daargelaten dat de daarbij genoemde vindplaatsen in de gedingstukken zijdens BGNIC en Lopag c.s. lang niet alle zien op hun beroep in feitelijke instantie op de
SRK-beschikking van de OK, voor zover kenbaar gedaan. Daarin valt welbeschouwd evenmin te lezen dat in het onderhavige geval sprake is van een samenstel van statutaire bepalingen van Solid en SFPF waaruit volgt dat zij economisch en organisatorisch onlosmakelijk (nauw) met elkaar zijn verbonden en in wezen deel uitmaken van één samenhangende structuur; althans van een daarmee op één lijn te stellen constellatie. Uit dit een en ander vloeit voort dat voor zover het subonderdeel aanvoert dat de daarin genoemde feiten en omstandigheden wel beantwoorden aan het geval dat de OK voor ogen had in de
SRK-beschikking, het subonderdeel m.i. uitgaat van een onjuiste lezing van die beschikking en aldus een (rechts)opvatting voorstaat die geen steun vindt in die beschikking.
subonderdeel 4.5.
SRK-beschikking van de OK), maar ervan uitgaande dat dit betoog ertoe strekt dat SFPF naast Solid tot zelfstandig onderzoeksobject wordt gemaakt “doordat BGNIC
als aandeelhoudervan Solid bevoegd is op grond van een ruime uitleg van art. 2:272 lid Pro 1, aanhef en sub c BW ook een enquête verzoeken ten aanzien van SFPF”, níet “omdat ook SFPF een onderneming in de zin van art. 2:272 lid Pro 1, aanhef en onder a BW mede in stand houdt (en BGNIC
belanghebbendeis in de zin van die bepaling en dus
rechtstreeksbevoegd is een enquête te verzoeken ten aanzien van SFPF)”. Nergens blijkt uit dat het Hof in de Beschikking dit betoog anders heeft verstaan dan als corresponderend met hetgeen BGNIC en Lopag c.s. in werkelijkheid blijkens de gedingstukken hebben aangevoerd in feitelijke instantie in het kader van hun beroep op de
SRK-beschikking, erop neerkomend dat ook SFPF een onderneming in de zin van art. 2:272 lid Pro 1, aanhef en sub a BWC mede in stand houdt (en BGNIC en Lopag c.s., als belanghebbende in de zin van die bepaling, dus rechtstreeks bevoegd zijn een enquête te verzoeken ten aanzien van SFPF). Niet voor niets stelt het Hof in rov. 2.4 voorop dat voor zover het enquêteverzoek van BGNIC betrekking heeft op SFPF de ontvankelijkheid een probleem is, nu dat verzoek erop afstuit dat
SFPF niet kan worden beschouwd als een stichting in de zin van art. 2:272 lid Pro 1, aanhef en sub a BWC(waarop rov. 2.5 aansluit). Welke lijn het Hof blijkens rov. 2.6, eerste zin doortrekt naar het enquêteverzoek van Lopag c.s. Zie onder 3.8-3.8.2 hiervoor.
subonderdeel 4.6.
Inbreng van arbeid of middelen”
enmiddelen" aan derden met winstoogmerk diensten of goederen worden geleverd, letterlijk moet worden opgevat en aldus moet worden gelezen dat de factoren arbeid en middelen cumulatief vereist zijn en dat er dus geen sprake is van een onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening als wel middelen zijn ingebracht, maar geen arbeid. Het Hof heeft dan miskend dat die factoren niet cumulatief vereist zijn.
Het Hof heeft dan om te beginnen het in subonderdeel 4.7 gestelde miskend. Indien het Hof dit niet heeft miskend, is de gedachtegang zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk, omdat vaststaat dat in SFPF middelen zijn ingebracht, zodat voor de kwalificatie als onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening niet (meer) relevant is of ook arbeid is ingebracht. Althans omdat het Hof (indien dat naar zijn oordeel niet vast zou staan) in ieder geval had moeten motiveren waarom naar zijn oordeel geen middelen zijn ingebracht in SFPF. Dit is de
eerste klacht.
Ook indien het in subonderdeel 4.7 gestelde niet zou opgaan en het Hof zou bedoelen dat het in dienst hebben van twee bestuurders en een commissaris (“Protector”) niet kan worden beschouwd als (voldoende) inbreng van arbeid, getuigt de gedachtegang van het Hof van een onjuiste rechtsopvatting, althans is die gedachtegang zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Het in dienst hebben door een stichting van twee bestuurders en een commissaris moet wel degelijk gekwalificeerd worden als (voldoende) inbreng van arbeid. In ieder geval valt niet in te zien waarom in een geval als het onderhavige het in dienst hebben van twee bestuurders en een commissaris (“Protector”), geen (voldoende) inbreng van arbeid zou vormen, te meer indien tevens sprake is van inbreng van middelen. Dit is de
tweede klacht.
“
Economische activiteiten”
In het kader van hun betoog dat aan SFPF een onderneming heeft toebehoord (en nog steeds toebehoort), hebben BGNIC en Lopag c.s. aangevoerd dat SFPF - naast de aankoop van het pakket aandelen in het Lexinta-fonds - bepaalde economische activiteiten (heeft) verricht, in het subonderdeel samengevat weergegeven onder i t/m iii. In het licht van deze stellingen van BGNIC en Lopag c.s. is genoemd oordeel van het Hof onvoldoende gemotiveerd, aangezien het Hof daar niet (kenbaar) op deze stellingen is ingegaan. Dit is de
eerste klacht. [30] Indien en voor zover in genoemd oordeel van het Hof besloten ligt dat de door BGNIC en Lopag c.s. gestelde activiteiten (afzonderlijk of in combinatie) niet kunnen worden gekwalificeerd als economische activiteiten die meebrengen dat sprake is van een onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Althans valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien waarom deze economische activiteiten niet zouden (kunnen) kwalificeren als economische activiteiten van SFPF. In het bijzonder getuigt ook van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk, dat het Hof kennelijk alleen rekening houdt met economische activiteiten "sinds de emissie", aangezien die emissie en de onder i genoemde verwerving van de aandelen in Solid door SFPF bij die emissie (uiteraard) na de oprichting van SFPF hebben plaatsgevonden, zodat niet valt in te zien waarom, en ook rechtens onjuist is dat, die verwerving van aandelen niet zou kwalificeren als relevante economische activiteit van SFPF (als onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening). Dit is de
tweede klacht.
Indien en voor zover het Hof de onder ii en iii bedoelde economische activiteiten niet in aanmerking heeft genomen, omdat die volgens het Hof meer dan drie jaren voorafgaand aan de indiening van het enquêteverzoek zouden hebben plaatsgevonden, is dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van BGNIC en Lopag c.s. Uit die stellingen volgt immers dat de onder ii bedoelde procedures nog steeds lopen en dus ook nog liepen in de periode van drie jaren voorafgaand aan de indiening van het enquêteverzoek. Uit die stellingen volgt ook dat de onder iii bedoelde transacties (“behoudens de genoemde betaling aan [betrokkene 2] die dateert van in of rond november 2017”) mede hebben plaatsgevonden in de periode van drie jaren voorafgaand aan de indiening van het enquêteverzoek. Dit is de
derde klacht.
incidenteleactiviteit van een stichting een dusdanige
omvangkan hebben dat er sprake is van een aan de betrokken stichting toebehorende onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening, waar het Hof oordeelt dat van SFPF sinds de emissie, in verband waarmee zij is opgericht, "hooguit één enkele" economische activiteit (als een onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening) bekend is, te weten de aankoop van een omvangrijk pakket aandelen, én die activiteit bovendien meer dan drie jaar voor het indienen van het enquêteverzoek heeft plaatsgevonden, zodat er geen sprake van is dat aan SFPF op enig tijdstip binnen die periode van drie jaar een onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening heeft toebehoord. Dit is de
eerste klacht.
Als het Hof dit niet heeft miskend, is genoemd oordeel van het Hof zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Dit omdat dan niet valt in te zien dat de eenmalige aankoop van een omvangrijk pakket aandelen niet zou (kunnen) meebrengen dat sprake is van een onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening. Dit is de
tweede klacht.
Althans en/of tevens heeft het Hof met genoemd oordeel miskend dat de betrokken onderneming na afloop van een incidentele activiteit als hiervoor bedoeld niet direct ophoudt onderneming te zijn, zeker niet indien die activiteit (zoals in het onderhavige geval) bestaat uit de aankoop van een omvangrijk pakket aandelen en die aandelen en de opbrengst daarvan - tezamen met eventueel ingebrachte andere middelen/ander vermogen/andere activa - nadien door de betrokken stichting worden beheerd ten behoeve van derden (teneinde uitkeringen aan of ten behoeve van die derden te doen). Dit is de
derde klacht.
Indien het Hof dit niet heeft miskend, is genoemd oordeel van het Hof in het licht van de stellingen van BGNIC en Lopag c.s. niet naar behoren gemotiveerd. BGNIC en Lopag c.s. hebben immers (kort gezegd) betoogd dat de aandelen in het Lexinta-fonds na de aankoop daarvan door SFPF - tezamen met de ingebrachte andere middelen/ander vermogen/andere activa (onder meer: aandelen in Solid en dividend van € 99 miljoen) - zijn en worden beheerd ten behoeve van de “Monitoring Beneficiaries”, in het bijzonder ten behoeve van [dochter 1] , onder meer door het voeren van procedures en het doen van betalingen. Lopag c.s. heeft in dit verband ook betoogd dat (het bestuur van) SFPF op instructie van [dochter 1] een situatie in stand houdt die "vermogen verwerft en uitpondt". En dat het feit dat de emissie en het dividendbesluit dateren van 2017, niet betekent dat SFPF sinds die tijd volledig inactief is en dat haar beleid geen economische impact heeft, aangezien SFPF een springlevende entiteit is die het vermogen van Solid en daarmee een aanzienlijk deel van de nalatenschap van de erflater "in gijzeling houdt" en actief aanwendt ten behoeve van [dochter 1] .
subonderdeel 4.7.
aan derden met winstoogmerk diensten of goederen worden geleverd, in de zin van rov. 2.4, vierde zin. [34] Reden waarom er volgens het Hof niet gesproken kan worden van een of meer economische activiteiten van SFPF zelf als een onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening, als bedoeld in rov. 2.4, derde zin. Zie ook onder 3.5.1 sub a-d en 3.5.2-3.5.4 hiervoor.
subonderdeel 4.8.
eerste klachtvoortbouwt op subonderdeel 4.7, strandt deze in het voetspoor van dat subonderdeel. Zie onder 3.15-3.15.2 hiervoor. De klacht strandt ook voor het overige, voor zover deze daar al uitgaat van een juiste lezing van de Beschikking en daarmee feitelijke grondslag heeft: ’s Hofs gedachtegang is, ook zonder nadere motivering, wel degelijk begrijpelijk. Het Hof overweegt immers niet dat SFPF niet kan worden beschouwd als een stichting in de zin van art. 2:272 lid Pro 1, aanhef en sub a BWC, nu van arbeid en/of middelen onvoldoende sprake is om daarvan - “arbeid” en/of “middelen” - te kunnen spreken. Wel dat SFPF niet als zo’n stichting kan worden beschouwd, omdat niet kan worden aangenomen dat SFPF op enig moment vanaf haar oprichting - laat staan in de relevante driejaarsperiode - heeft gekwalificeerd als een zelfstandig optredende organisatorische eenheid waarin door inbreng van arbeid en/of middelen
aan derden met winstoogmerk diensten of goederen worden geleverd, in de zin van rov. 2.4, vierde zin. Reden waarom er volgens het Hof niet gesproken kan worden van een of meer economische activiteiten van SFPF zelf als een onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening, als bedoeld in rov. 2.4, derde zin. Zie ook onder 3.5.1 sub a-d, 3.5.2-3.5.4 en 3.15.1 sub b hiervoor. Dáárbij kan het Hof ook zonder nadere motivering als omstandigheid betrekken, zoals het doet in rov. 2.4, vijfde zin, dat SFPF “afgezien van haar bestuurders en Protector geen werknemers in dienst heeft”.
tweede klacht. In het bijzonder geldt dus dat het Hof in rov. 2.4 niet bedoelt “dat het in dienst hebben van twee bestuurders en een commissaris (Protector) niet kan worden beschouwd als (voldoende) inbreng van arbeid”. Zie onder 3.16.1 hiervoor. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de klacht. Dit behoeft geen verdere toelichting.
subonderdeel 4.9.
eerste klachtsteunt op stellingen van BGNIC en Lopag c.s. in feitelijke instantie met als strekking dat SFPF, naast de door het Hof in rov. 2.4, vijfde zin van de Beschikking bedoelde aankoop van een omvangrijk pakket aandelen (“het pakket aandelen in Lexinta-fonds”), onder meer de volgende drie economische activiteiten (heeft) verricht:
Ad ibetrekt het Hof wel degelijk in rov. 2.4, vijfde zin, gezien ook rov. 2.1 sub g en i, bij beantwoording van de vraag of aan SFPF zelf (dus los van Solid) een onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening toebehoort. Dat het Hof daar “sinds de emissie” schrijft, betekent gezien het zinsverband niet dat het Hof daar
ad i(die emissie) buiten beschouwing laat, wel dat het Hof daar ook - dus naast
ad i(die emissie) - het tijdvak daarna beziet (met inachtneming van het processuele debat). De klacht gaat hier dus uit van een onjuiste lezing van de Beschikking en ontbeert daarmee feitelijke grondslag. Dat SFPF direct na haar oprichting aandelen in Solid heeft verworven (bij de emissie van aandelen Solid aan SFPF) staat logischerwijs niet in de weg aan ’s Hofs oordeel dat niet kan worden aangenomen dat SFPF op enig moment vanaf haar oprichting - laat staan in de relevante driejaarsperiode - heeft gekwalificeerd als een zelfstandig optredende organisatorische eenheid waarin door inbreng van arbeid en/of middelen
aan derden met winstoogmerk diensten of goederen worden geleverd, in de zin van rov. 2.4, vierde zin. Reden waarom er volgens het Hof niet gesproken kan worden van een of meer economische activiteiten van SFPF zelf als een onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening, als bedoeld in rov. 2.4, derde zin.
Ad igaf het Hof (dus) geen aanleiding dat oordeel nog weer nader te motiveren. Zie ook onder 3.5.1 sub a-d, 3.5.2-3.5.4 en 3.15.1 sub b hiervoor.
Ad iibetrekt het Hof ter zake niet, klaarblijkelijk in het licht van het processuele debat. Door Solid en SFPF is ten aanzien van
ad iihet gemotiveerde verweer gevoerd dat het hier weliswaar gaat om een activiteit van SFPF in de driejaarsperiode voorafgaand aan het indienen van de verzoekschriften door BGNIC en Lopag c.s., maar niet gaat om een
economischeactiviteit die relevant is voor de in rov. 2.4, vierde zin vervatte maatstaf en de vraag of aan SFPF zelf (dus los van Solid) een onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening toebehoort: [38]
ad iidoor BGNIC en Lopag c.s. gestelde waarop de klacht zich beroept, valt derhalve buiten hetgeen, naar ’s Hofs niet onbegrijpelijke oordeel in rov. 2.4, vijfde zin, blijkens het processuele debat per saldo concreet is aangevoerd aan verzoekende zijde wat betreft economische activiteiten van SFPF zelf als een onderneming in de zin van rov. 2.4, derde en vierde zin. Dat inzake
ad iidoor BGNIC en Lopag c.s. gestelde gaf het Hof (dus) evenmin aanleiding zijn onder a genoemde oordeel nog weer nader te motiveren. Zie ook onder 3.5.1 sub a-d, 3.5.2-3.5.4 en 3.15.1 sub b hiervoor.
Ad iiibetrekt het Hof ter zake niet, klaarblijkelijk eveneens in het licht van het processuele debat. Uit de gedingstukken zijdens BGNIC en Lopag c.s. [40] rijst het beeld dat
ad iiidoor hen is aangevoerd niet zozeer in het kader van de vraag of aan SFPF zelf (dus los van Solid) een onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening toebehoort, maar veeleer als stelling in het te onderscheiden kader van:
ad iiidoor BGNIC en Lopag c.s. gestelde waarop de klacht zich beroept, valt derhalve buiten hetgeen, naar ’s Hofs niet onbegrijpelijke oordeel in rov. 2.4, vijfde zin, blijkens het processuele debat [44] per saldo concreet is aangevoerd aan verzoekende zijde wat betreft economische activiteiten van SFPF zelf als een onderneming in de zin van rov. 2.4, derde en vierde zin. Dat inzake
ad iiidoor BGNIC en Lopag c.s. gestelde gaf het Hof (dus) evenmin aanleiding zijn onder a genoemde oordeel nog weer nader te motiveren. Zie ook onder 3.5.1 sub a-d, 3.5.2-3.5.4 en 3.15.1 sub b hiervoor.
tweede klacht. Voor zover deze betrekking heeft op de in de eerste klacht bedoelde stelling
ad i, strandt de klacht in het voetspoor van de eerste klacht. Zoals daar uiteengezet bij
ad i, betrekt het Hof dit wel degelijk in rov. 2.4, vijfde zin, gezien ook rov. 2.1 sub g en i, bij beantwoording van de vraag of aan SFPF zelf (dus los van Solid) een onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening toebehoort. En is van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering zijdens het Hof ter zake geen sprake. Zie onder 3.17.1 sub a hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting. Voor zover de klacht betrekking heeft op de in de eerste klacht bedoelde stellingen
ad iien
ad iii, strandt de klacht in het voetspoor van de eerste klacht. Zoals daar uiteengezet bij
ad iien
ad iii, is het niet zo dat het Hof de met deze stellingen corresponderende activiteiten wel betrekt bij beantwoording van de vraag of aan SFPF zelf (dus los van Solid) een onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening toebehoort, maar oordeelt dat deze activiteiten niet (kunnen) kwalificeren als economische activiteiten van SFPF zelf als zo’n onderneming. Daarmee gaat de klacht uit van een onjuiste lezing van de Beschikking en mist deze feitelijke grondslag. Dat het Hof de met deze stellingen corresponderende activiteiten niet betrekt bij beantwoording van die vraag is als gezegd, gezien het processuele debat, niet onbegrijpelijk. Zie onder 3.17.1 sub b-c hiervoor. Dit behoeft evenmin verdere toelichting.
derde klacht. Ook deze loopt vast op een onjuiste lezing van de Beschikking en daarmee een gebrek aan feitelijke grondslag. Naar volgt uit de behandeling van de eerste klacht is het immers niet zo, anders dan de onderhavige klacht veronderstelt, dat het Hof de in de eerste klacht bedoelde stellingen
ad iien
ad iii“niet in aanmerking heeft genomen omdat die volgens het Hof meer dan drie jaren voorafgaand aan de indiening van het enquêteverzoek zouden hebben plaatsgevonden”. Zie onder 3.17.1 sub b-c hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
subonderdeel 4.10.
eerste klachttot vertrekpunt neemt, ziet het Hof in de Beschikking niet eraan voorbij dat ook een
incidenteleactiviteit [45] van een stichting een dusdanige
omvangkan hebben dat er sprake is van een aan de betrokken stichting toebehorende onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening. Het Hof hanteert een ander springend punt [46] naar het bereiken van de conclusie dat SFPF (ook) niet kan worden beschouwd als een stichting in de zin van art. 2:272 lid Pro 1, aanhef en sub a BWC indien zij op zichzelf wordt bezien, niet in samenhang met Solid (welke naamloze vennootschap, anders dan SFPF, rechtens geacht wordt een onderneming in stand te houden en daarmee eo ipso vatbaar is voor een enquête). Te weten dat niet kan worden aangenomen dat SFPF op enig moment vanaf haar oprichting - laat staan in de relevante driejaarsperiode - heeft gekwalificeerd als een zelfstandig optredende organisatorische eenheid waarin door inbreng van arbeid en/of middelen
aan derden met winstoogmerk diensten of goederen worden geleverd, in de zin van rov. 2.4, vierde zin. Reden waarom er volgens het Hof niet gesproken kan worden van een of meer economische activiteiten van SFPF zelf als een onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening, als bedoeld in rov. 2.4, derde zin. Dus evenmin van zo’n ‘incidentele activiteit’; daaraan komt het Hof niet toe. Zie ook onder 3.5.1 sub a-d, 3.5.2-3.5.4 en 3.15.1 sub b hiervoor. De klacht ontbeert daarmee feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van de Beschikking.
tweede klachtbiedt BGNIC en Lopag c.s. evenmin soelaas. Ook zonder nadere motivering valt heel wel in te zien dat, naar besloten ligt in ‘s Hofs oordeel, de eenmalige aankoop van een omvangrijk pakket aandelen (voorafgaand aan de onderhavige driejaarsperiode) nog niet meebrengt dat sprake is van een onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening. Daarmee is immers naar de aard nog niet gegeven dat SFPF op enig moment (in de relevante driejaarsperiode) heeft gekwalificeerd als een zelfstandig optredende organisatorische eenheid waarin door inbreng van arbeid en/of middelen
aan derden met winstoogmerk diensten of goederen worden geleverd, in de zin van rov. 2.4, vierde zin. En dus evenmin dat gesproken kan worden van een of meer economische activiteiten van SFPF zelf als een onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening, als bedoeld in rov. 2.4, derde zin. Zie ook onder 3.5.1 sub a-d, 3.5.2-3.5.4 en 3.15.1 sub b hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
derde klacht. Anders dan deze tot vertrekpunt neemt, gaat het Hof in de Beschikking niet ervan uit dat een onderneming na afloop van zo’n incidentele activiteit als bedoeld in de eerste klacht direct ophoudt onderneming te zijn. Noch [47] dat “SFPF kennelijk al binnen circa zeven maanden na de bedoelde aandelenkoop [de aankoop van het omvangrijke pakket aandelen (in het Lexinta-fonds) op 17 november 2017, A-G] [is] opgehouden een onderneming in stand te houden”. Het Hof hanteert als gezegd een ander springend punt naar het bereiken van de conclusie dat SFPF (ook) niet kan worden beschouwd als een stichting in de zin van art. 2:272 lid Pro 1, aanhef en sub a BWC indien zij op zichzelf wordt bezien, niet in samenhang met Solid (welke naamloze vennootschap, anders dan SFPF, rechtens geacht wordt een onderneming in stand te houden en daarmee eo ipso vatbaar is voor een enquête). Te weten dat niet kan worden aangenomen dat SFPF op enig moment vanaf haar oprichting - laat staan in de relevante driejaarsperiode - heeft gekwalificeerd als een zelfstandig optredende organisatorische eenheid waarin door inbreng van arbeid en/of middelen
aan derden met winstoogmerk diensten of goederen worden geleverd, in de zin van rov. 2.4, vierde zin. Reden waarom er volgens het Hof niet gesproken kan worden van een of meer economische activiteiten van SFPF zelf als een onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening, als bedoeld in rov. 2.4, derde zin. Dit sluit in dat volgens het Hof SFPF zelf op geen enkel moment zo’n onderneming in stand heeft gehouden. Zie onder 3.18.1-3.18.2 hiervoor. De klacht gaat hier dus uit van een onjuiste lezing van de Beschikking en ontbeert daarmee feitelijke grondslag.
Voor zover de klacht ook zou aanvoeren dat het Hof in rov. 2.4, vijfde zin miskent dat de aankoop door SFPF van een omvangrijk pakket aandelen (meer dan drie jaar voor het indienen van het enquêteverzoek) maakt dat zij kwalificeert als zo’n onderneming in de zin van rov. 2.4, derde en vierde zin, ziet de klacht eraan voorbij dat die aankoop logischerwijs niet in de weg staat aan ’s Hofs oordeel dat niet kan worden aangenomen dat SFPF op enig moment vanaf haar oprichting - laat staan in de relevante driejaarsperiode - heeft gekwalificeerd als een zelfstandig optredende organisatorische eenheid waarin door inbreng van arbeid en/of middelen
aan derden met winstoogmerk diensten of goederen worden geleverd, in de zin van rov. 2.4, vierde zin. Reden waarom er volgens het Hof niet gesproken kan worden van een of meer economische activiteiten van SFPF zelf als een onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening, als bedoeld in rov. 2.4, derde zin. Dit geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, noch overigens van een ontoereikende motivering. Zie ook onder 3.5.1 sub a-d, 3.5.2-3.5.4, 3.15.1 sub b en 3.18.2 hiervoor.
Voor zover de klacht ook zou aanvoeren dat het Hof miskent dat het door SFPF na die aankoop beheren van die aandelen en de opbrengst daarvan - tezamen met eventueel ingebrachte andere middelen/ander vermogen/andere activa - ten behoeve van derden (teneinde uitkeringen aan of ten behoeve van die derden te doen) [48] maakt dat zij kwalificeert als zo’n onderneming in de zin van rov. 2.4, derde en vierde zin, ziet de klacht eraan voorbij dat het Hof in de Beschikking zulk beheer niet betrekt bij beantwoording van de vraag of SFPF kan worden beschouwd als een stichting in de zin van art. 2:272 lid Pro 1, aanhef en sub a BWC indien zij op zichzelf wordt bezien, niet in samenhang met Solid. En dus evenmin oordeelt dat zulk beheer nog niet maakt dat SFPF kwalificeert als zo’n onderneming in de zin van rov. 2.4, derde en vierde zin. De klacht gaat hier dus uit van een onjuiste lezing van de Beschikking en ontbeert daarmee feitelijke grondslag. Daarbij zij aangetekend dat de reden dat het Hof zulk beheer daarbij niet betrekt eruit bestaat dat dit valt buiten hetgeen hier, naar ’s Hofs oordeel in rov. 2.4, vijfde zin, blijkens het processuele debat per saldo concreet is aangevoerd aan verzoekende zijde wat betreft economische activiteiten van SFPF zelf als zo’n onderneming. Zoals uiteengezet bij de behandeling van de vierde klacht onder 3.18.4 hierna, welke klacht eveneens strandt, is ’s Hof uitleg van de gedingstukken ter zake m.i. niet onbegrijpelijk. [49]
vierde klacht. Ook deze loopt vast. Voor zover de klacht terugvalt (zie de tweede zin) op
ad iien
ad iiien bijbehorende vindplaatsen in de gedingstukken zijdens BGNIC en Lopag c.s. als bedoeld in subonderdeel 4.9, strandt de klacht in het voetspoor van dit subonderdeel. Naar volgt uit de behandeling van dit subonderdeel is het niet onbegrijpelijk dat volgens het Hof het inzake dat
ad iien
ad iiidoor BGNIC en Lopag c.s. gestelde waarop dit subonderdeel zich beroept, valt buiten hetgeen blijkens het processuele debat per saldo concreet is aangevoerd aan verzoekende zijde wat betreft economische activiteiten van SFPF zelf als een onderneming in de zin van rov. 2.4, derde en vierde zin. Zie onder 3.17-3.17.4 hiervoor. Ik lees - gelijk het hof - in dat gestelde geen betoog zijdens BGNIC en Lopag c.s., in het kader van de vraag of SFPF kan worden beschouwd als een stichting in de zin van art. 2:272 lid Pro 1, aanhef en sub a BWC indien zij op zichzelf wordt bezien, [50] “dat de aandelen in het Lexinta-fonds na de aankoop daarvan door SFPF - tezamen met de ingebrachte andere middelen/ander vermogen/andere activa (onder meer: aandelen in Solid en dividend van 99 miljoen euro) - zijn en worden beheerd ten behoeve van de Monitoring Beneficiaries, in het bijzonder ten behoeve van [dochter 1] ”, etc.
Voor zover de klacht poneert (zie de derde zin) dat door Lopag c.s. is aangevoerd dat (het bestuur van) SFPF op instructie van [dochter 1] een situatie in stand houdt die “vermogen verwerft en uitpondt”, baat dit BGNIC en Lopag c.s. evenmin. Uit de desbetreffende vindplaats blijkt dat de desbetreffende, nogal cryptisch geformuleerde zin aanvangt met “Met voornoemde activiteiten”, etc. [51] Die activiteiten van SFPF zien kennelijk, en kort gezegd:
ad bbetrekt het Hof dus bij beantwoording van genoemde vraag. Zie mede onder 3.5.1 sub a-d, 3.5.2-3.5.4 en 3.15.1 sub b hiervoor.
Ad cbetrekt het Hof dus niet bij beantwoording van die vraag, wat als gezegd niet onbegrijpelijk is. Zie mede onder 3.17.1 sub b en dit 3.18.4 hiervoor. Genoemd betoog lees ik - gelijk het Hof - evenmin in die op
ad a,
ad ben
ad cbetrekking hebbende vindplaatsen in het verzoekschrift zijdens Lopag c.s. Hetzelfde geldt voor genoemde zin, aanvangend met “Met voornoemde activiteiten”, etc.: ook daarin valt genoemd betoog niet te ontwaren. Ik zie niet dat het Hof bij beantwoording van genoemde vraag in zijn motivering meer had moeten doen met die zin. Dit wordt vanzelfsprekend niet anders door de enkele woorden “vermogen verwerft en uitpondt” in die zin, welke woorden de klacht benadrukt.
Het slot van de klacht (zie het vervolg van de derde zin) treft evenmin doel. Dit ziet op de volgende, door mij onderstreepte zin in de pleitnota zijdens Lopag c.s.: [55]
Dat de uitgifte en het dividendbesluit dateren van 2017, betekent immers niet dat de Stichting sedert die tijd volledig inactief is en dat haar beleid geen economische impact heeft. Ten eerste is de Stichting een springlevende entiteit die het vermogen van Solid en daarmee een aanzienlijk deel van de nalatenschap van [de erflater] in gijzeling houdt en actief aanwendt ten behoeve van [dochter 1] .”