ECLI:NL:PHR:2022:1256

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 december 2022
Publicatiedatum
30 januari 2023
Zaaknummer
21/02972
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 WVW 1994Art. 107 WVW 1994Art. 108 WVW 1994Art. 33 WVW 1994 (oud)Art. 15 Reglement rijbewijzen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rijbewijsplicht voor rijden op minibike op openbare weg

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens het rijden zonder rijbewijs op een bromfiets, in casu een minibike, op de openbare weg te Amsterdam. De verdachte voerde in cassatie aan dat voor het rijden op een minibike geen rijbewijs nodig is, omdat deze voertuigen niet voor de openbare weg zijn toegelaten en alleen op privéterrein mogen worden gebruikt.

De Hoge Raad overwoog dat het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar een toegelaten concluderende waarneming bevat dat het voertuig een bromfiets is in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. De minibike valt onder de wettelijke definitie van bromfiets, waarvoor een rijbewijs vereist is. Het feit dat het voertuig niet is goedgekeurd voor de openbare weg en niet mag worden gebruikt op de openbare weg, ontslaat de bestuurder niet van de rijbewijsplicht.

De Hoge Raad benadrukte dat de rijbewijsplicht een ruime reikwijdte heeft en dat uitzonderingen daarop beperkt zijn en expliciet in de wet zijn opgenomen. Het middel faalt en het cassatieberoep wordt verworpen. De veroordeling tot een geldboete wegens rijden zonder rijbewijs wordt daarmee bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor rijden zonder rijbewijs op een minibike bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/02972
Zitting6 december 2022
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1.
De verdachte is bij arrest van 8 juli 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens ‘overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ veroordeeld tot een geldboete van € 300,- subsidiair zes dagen hechtenis.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. C. Crince Le Roy, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.3.
Het middel bevat de klacht dat het hof het rijden zonder rijbewijs bewezen heeft verklaard, terwijl voor het rijden op een minibike geen rijbewijs nodig is. De bewezenverklaring zou derhalve niet uit de bewijsmiddelen kunnen volgen en onbegrijpelijk zijn.
1.4.
Alvorens ik het middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring, het gebezigde bewijsmiddel, een deel van de strafmotivering, een deel van het pleidooi en relevante (wettelijke) voorschriften weer.

2.Bewezenverklaring, bewijsmiddel, pleidooi en toepasselijke voorschriften

2.1.
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘hij op 2 juni 2020 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig (bromfiets) heeft gereden op de weg, Liendenhof, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.’
2.2.
Deze bewezenverklaring berust op het volgende bewijsmiddel:
‘Een proces-verbaal overtreding (…) van 16 juli 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Ik zag de verdachte op 2 juni 2020 op de openbare weg, zijnde de Liendenhof, in Amsterdam, op een bromfiets rijden. Ik zag dat het door de verdachte bestuurde voertuig een motorrijtuig betrof als bedoeld in artikel 1 onder Pro c van de Wegenverkeerswet 1994. Voor het besturen van dit motorrijtuig is een rijbewijs vereist. Na vordering toonde de verdachte geen geldig rijbewijs. Ik hoorde de verdachte zeggen: “ik ben aan het testrijden en heb helemaal geen rijbewijs”. Bij het raadplegen van het rijbewijzenregister bleek mij dat aan de verdachte nooit enig rijbewijs was afgegeven. De verdachte bleek te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] .’
2.3.
Het hof heeft ten aanzien van de strafoplegging onder meer het volgende overwogen:
‘De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het rijden zonder rijbewijs. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 juni 2021 is aan hem eerder voor een soortgelijk feit een strafbeschikking uitgevaardigd. De verdachte heeft daaruit kennelijk geen enkele lering getrokken. Anderzijds weegt mee dat de verdachte in onderhavige zaak heeft gereden op een minibiki. In die omstandigheid ziet het hof aanleiding om te volstaan met oplegging van een geldboete van na te melden hoogte.’
2.4.
De raadsman van de verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gehouden op 8 juli 2021 blijkens het van die zitting opgemaakte proces-verbaal bij pleidooi onder meer het volgende aangevoerd:
‘Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op een bromfiets heeft gereden zonder rijbewijs. Het voertuig waarop de verdachte heeft gereden, betreft echter een mini-voertuigje waarvoor een rijbewijs niet nodig is. De verdachte had daarmee niet op de openbare weg mogen rijden, maar op eigen grond had dat wel gemogen. Het verwijt dat de verdachte kan worden gemaakt, zit hem dus eigenlijk in het onverzekerd rijden. Nu een rijbewijs voor het betreffende voertuig niet nodig is, kan het ten laste gelegde feit niet worden bewezen.’
2.5.
Bij de beoordeling van het middel zijn een aantal bepalingen uit de WVW 1994 van belang. Ik geef deze bepalingen weer zoals zij luidden ten tijde van het tenlastegelegde feit:
Art. 1, eerste lid, aanhef en onder c en e: [1]
‘1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
b. wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten;
c. motorrijtuigen: alle voertuigen, bestemd om anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of aan het voertuig zelf aanwezig dan wel door elektrische tractie met stroomtoevoer van elders, met uitzondering van fietsen met trapondersteuning;
d. (…);
e. bromfiets:
a. motorrijtuig op twee wielen, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h, uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm3 of een elektromotor met een nominaal continu maximumvermogen van niet meer dan 4 kW, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig of een motorrijtuig als bedoeld in subonderdeel d;
b. (…)
c. (…)
d. een motorrijtuig als bedoeld in artikel 20b.
In ieder geval wordt als bromfiets aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs als bromfiets is aangeduid;’
Art. 20b:
‘1. Voorafgaande aan de toelating tot het verkeer op de weg kan Onze Minister een motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 25 km/h, uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm3 of een elektromotor met een nominaal continu maximumvermogen van niet meer dan 4 kW, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig, per type of individueel voertuig aanwijzen op grond van zijn veiligheidsaspecten, indien:
a. de toelating overeenstemt met de in artikel 2, eerste lid, onderdelen a en b, tweede lid en derde lid, onderdeel a, genoemde doeleinden; en
b. er voor dit motorrijtuig niet een typegoedkeuring overeenkomstig in het kader van de Europese Unie tot stand gekomen voorschriften vereist is.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld betreffende de aanwijzing.’
Art. 21, eerste lid, (oud): [2]
‘1. Bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers dienen te zijn goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg.’
Art. 33 (oud): [3]
‘1. Het is de eigenaar of houder van een voertuig dat ingevolge artikel 21, eerste lid, dient te zijn goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg verboden dit voertuig te laten staan op de weg of daarmee over de weg te rijden alsmede de bestuurder daarmee over de weg te laten rijden, indien het voertuig niet is goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg.
2. Onverminderd het eerste lid is het de bestuurder van een voertuig dat ingevolge artikel 21, eerste lid, dient te zijn goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg, verboden daarmee over de weg te rijden, indien het voertuig niet is goedgekeurd.
3. In bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op een voertuig dat ingevolge artikel 21, eerste lid, dient te zijn goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg, maar dat is ingeschreven in het kentekenregister.’
Art. 107, eerste lid:
‘1. Aan de bestuurder van een motorrijtuig op de weg dient door de daartoe bevoegde autoriteit een rijbewijs te zijn afgegeven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie waartoe dat motorrijtuig behoort.’
Art. 108, eerste lid, aanhef en onder a:
‘1. Artikel 107 is Pro niet van toepassing op bestuurders van:
a. bromfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, en gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een motor en bij algemene maatregel van bestuur aangewezen landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid;’ [4]

3.De bespreking van het middel

3.1.
De steller van het middel voert aan dat het in casu gaat om ‘een piepklein motortje, ook wel bekend onder de naam ‘
minibike’.’ Hij geeft aan dat de verdachte zich kan voorstellen ‘dat niet iedere verbalisant daarvan op de hoogte is’. Voor het rijden op een minibike zou geen rijbewijs nodig zijn. Ter onderbouwing van die stelling wijst de steller van het middel op een passage op een website van de rijksoverheid inzake minibikes. [5] Dat de verbalisant ‘stelt dat voor dit type voertuig een rijbewijs nodig is’ zou onjuist zijn. De steller van het middel wijst erop dat het gerechtshof enkel is uitgegaan van het proces-verbaal ‘waarin verder geen type van het voertuig is omschreven’. Dat voor de minibike geen rijbewijs nodig is, wordt beargumenteerd met de stelling dat ‘men er simpelweg niet mee mag rijden op de openbare weg, maar enkel op privéterrein. Het is dus niet zo dat je met een rijbewijs wel ineens op de openbare weg mag rijden met een minibike’.
3.2.
Het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van politie houdt in dat de opsporingsambtenaar heeft waargenomen dat de verdachte op een bromfiets reed. Dat is, naar het mij voorkomt, bij een opsporingsambtenaar in beginsel een - toegelaten - concluderende waarneming en niet een – niet toegelaten – conclusie. [6] Ik wijs er in dat verband nog op dat de raadsman van de verdachte in hoger beroep niet heeft gesteld en onderbouwd dat het ‘mini-voertuigje’ niet onder de wettelijke omschrijving van de ‘bromfiets’ zou vallen. Dat het voertuig onder de wettelijke omschrijving van de ‘bromfiets’ valt, wordt ook in cassatie niet – onderbouwd – betwist in het licht van de begripsbepalingen in art. 1 WVW Pro 1994. Evenmin wordt aangevoerd dat het proces-verbaal een niet toegelaten conclusie zou behelzen. Opgemerkt wordt alleen dat het gerechtshof ‘enkel (is) uitgegaan van dit proces-verbaal waarin verder geen type van het voertuig is omschreven’.
3.3.
Ten overvloede merk ik op dat de definitie van de ‘bromfiets’ in art. 1, eerste lid, onder e WVW 1994 leert dat een motorrijtuig op twee wielen waarvoor geen kentekenbewijs is afgegeven slechts als een ‘bromfiets’ kan worden aangemerkt als het een ‘door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h uur’ heeft. Als het motorrijtuig een verbrandingsmotor heeft, mag deze – wil het een bromfiets zijn - niet een cilinderinhoud hebben van meer dan 50 cm3. Als het voertuig een grotere maximumsnelheid en/of cilinderinhoud heeft, betekent dat evenwel niet dat de rijbewijsplicht niet geldt. Het brengt alleen mee dat het motorrijtuig tot een andere rijbewijscategorie behoort. [7]
3.4.
Uit de strafmotivering volgt dat het hof tevens heeft vastgesteld dat de verdachte heeft gereden op een ‘minibiki’, waarmee het hof kennelijk doelt op een ‘minibike’. De steller van het middel gaat er, zo begrijp ik, vanuit dat deze vaststelling niet met een veroordeling te verenigen is. Met een minibike is het, aldus de steller van het middel, ‘niet toegestaan om te rijden op de openbare weg’. Dat zou meebrengen, zo begrijp ik, dat voor het rijden op een minibike geen rijbewijs nodig is, en dat had tot vrijspraak moeten leiden.
3.5.
Ik merk op dat de omstandigheid dat de rijbewijsplicht niet van toepassing zou zijn op minibikes, zich niet noodzakelijkerwijs behoeft te vertalen in een vrijspraak. Harteveld merkt de uitzonderingen op de rijbewijsplicht die in art. 108 WVW Pro 1994 omschreven zijn – mijns inziens terecht – aan als kwalificatie-uitsluitingsgronden. [8] Het verweer van de raadsman kan worden opgevat als een beroep op een aanvullende, uit de systematiek van de WVW 1994 voortvloeiende kwalificatie-uitsluitingsgrond. Ik vat de klacht in dit licht aldus op dat deze zich tevens richt tegen de kwalificatiebeslissing.
3.6.
De verplichting om als bestuurder van een bromfiets op de weg een rijbewijs te hebben is in 2006 ingevoerd. [9] Het ging om het ‘rijbewijs AM’. [10] Voor die tijd diende de bestuurder van een bromfiets op de weg een (bromfiets)certificaat te hebben. [11] De uitzondering op de rijbewijsplicht voor bromfietsers die voordien in art. 108, eerste lid, onder a, WVW 1994 was neergelegd, is door deze wet komen te vervallen.
3.7.
De omvang van de rijbewijsplicht in art. 107 WVW Pro 1994 is ruim. Uit de bewoordingen van het artikel blijkt dat de verplichting rust op elke bestuurder van een motorrijtuig op de weg. Uitzonderingen op de regel dat (bestuurders van) motorrijtuigen op de weg onder de rijbewijsverplichting vallen, zijn als gezegd te vinden in art. 108 WVW Pro 1994. Zo’n uitzondering geldt onder meer voor bromfietsen van het type Segway. De ‘Aanwijzing door de Minister van Infrastructuur en Milieu van bepaalde zelfbalancerende bromfietsen in verband met de toelating tot het Nederlandse verkeer’ van 10 december 2010 bepaalt dat de zelfbalancerende bromfietsen van het merk Segway die voldoen aan nader aangeduide eisen ‘worden aangewezen als motorrijtuigen in de zin van artikel 20b, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. [12] Op grond van art. 108, eerste lid, aanhef en onder a, WVW 1994 is art. 107 WVW Pro 1994 vervolgens niet van toepassing op bestuurders van een Segway.
3.8.
Het derde hoofdstuk van de WVW 1994 zag tot 1 september 2020 op ‘Toelating en goedkeuring’ en ziet sindsdien (onder meer) op de ‘Goedkeuring van voertuigen’. [13] Het hoofdstuk bevatte ten tijde van het tenlastegelegde feit een tot de eigenaar of houder gericht verbod om een voertuig dat niet is goedgekeurd door toelating tot het verkeer op de weg ‘te laten staan op de weg of daarmee over de weg te rijden alsmede de bestuurder daarmee over de weg te laten rijden’. En het verbood de bestuurder van een voertuig dat diende te zijn goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg maar niet was goedgekeurd om daarmee over de weg te rijden (art. 33 WVW Pro (oud)).
3.9.
Dat laatste verbod is pas op 31 augustus 2013 ingevoerd. [14] Daarin ligt een aanwijzing besloten dat de regeling inzake toelating en goedkeuring van voertuigen los staat van de reikwijdte van de rijbewijsplicht. Als de rijbewijsplicht niet zou gelden voor bestuurders van voertuigen die niet zijn goedgekeurd, was de bestuurder die niet tevens eigenaar of houder was en die voor die datum met een dergelijk voertuig de weg op ging, in het geheel niet strafbaar. Uitgaande van de toepasselijkheid van de rijbewijsplicht had de invoering van dit verbod vooral toegevoegde waarde voor bestuurders die een geldig rijbewijs hadden.
3.10.
Ook aan de bepalingen inzake of de achtergrond van de rijbewijsplicht kan naar het mij voorkomt geen aanwijzing worden ontleend voor het standpunt dat een bestuurder van een niet goedgekeurd motorrijtuig geen rijbewijs zou behoeven te hebben. Achtergrond van de rijbewijsplicht is het gevaar dat van het besturen van het motorrijtuig uitgaat. [15] Dat blijkt ook uit de uitzonderingen op de rijbewijsplicht in art. 108, eerste lid, aanhef en onder a: daarbij gaat het om voertuigen waarvan het besturen (-mede- vanwege de lagere maximumsnelheid) minder grote gevaren meebrengt. [16] Dat een voertuig vanwege de daaraan verbonden gevaren niet is goedgekeurd vormt zo bezien geen reden om een uitzondering op de rijbewijsplicht aan te nemen. [17]
3.11.
Wat de bepalingen inzake het rijbewijs betreft wijs ik in het bijzonder op artikel 15 van Pro het Reglement rijbewijzen. Het eerste lid maakt onder a t/m k onderscheid tussen verschillende categorieën motorrijtuigen, waarvoor verschillende rijbewijzen worden afgegeven. In de omschrijving van motorrijtuigen in deze categorieën speelt het al dan niet goedgekeurd zijn van het betreffende motorrijtuig geen rol.
3.12.
Ik merk nog op dat de steller van het middel niet aanvoert dat de minibike geen motorrijtuig in de zin van art, 1, eerste lid, onder c, WVW 1994 is of dat één van de in art. 108 WVW Pro 1994 geformuleerde uitzonderingen op de rijbewijsplicht van toepassing is, en evenmin dat de eigenschappen van de minibike in kwestie zouden meebrengen dat het motorvoertuig niet onder één van de rijbewijscategorieën van art. 15 Reglement Pro rijbewijzen valt. Ik merk voorts op dat de steller van het middel niet klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op een ter terechtzitting gevoerd verweer.
3.13.
Al met al meen ik dat het middel faalt. Dat het niet is toegestaan om met een minibike op de openbare weg te rijden brengt niet mee dat voor het rijden op de minibike op de weg geen rijbewijs is vereist. In zoverre berust het middel op een onjuiste rechtsopvatting. Dat het hof het voertuig als een minibike heeft aangemerkt staat er niet aan in de weg dat het hof het bewezenverklaarde uit het gebezigde bewijsmiddel heeft kunnen afleiden en leidt er evenmin toe dat de bewezenverklaring onbegrijpelijk is. Aan kwalificatie van het bewezenverklaarde als overtreding van art. 107 WVW Pro 1994 staat het ook niet in de weg.
3.14.
Het middel faalt.
3.15.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.16.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De aanhef van art. 1, eerste lid, WVW 1994 is nadien gewijzigd door de Wet van 8 juli 2020,
2.Zie de Wet van 29 december 2008,
3.Zie de Wet van 29 december 2008,
4.De Wet van 20 mei 2020,
5.De betreffende pagina was ten tijde van het schrijven van deze conclusie niet raadpleegbaar, maar bevatte volgens de steller van het middel de volgende tekst: 'Een minibike is een mini motorfiets, bedoeld om mee te racen op kleine circuits, vergelijkbaar met een kartbaan. Een minibike is niet bedoeld voor het gebruik op de openbare weg. Een minibike is een kleine motor. Een minibike is ongeveer 50 centimeter hoog en 1 meter lang. Minibikes zijn bedoeld om te racen op een racebaan. De RDW keurt minibikes bijna nooit goed om aan het verkeer deel te nemen. Ze zijn daarom bijna altijd onverzekerd.' Zie thans voor een vergelijkbare tekst:
6.Vgl. B.F. Keulen en G. Knigge,
7.Zie art. 15, eerste lid, onderdelen b, c en d, van het Reglement rijbewijzen.
8.A.E. Harteveld, ‘Hoofdstuk 5. Papieren en vergunningen’, in: A.E. Harteveld & H.G.M. Krabbe,
9.Zie de Wet van 28 juni 2006 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de invoering van een bromfietsrijbewijs,
11.Art. 135 (oud) WVW 1994.
13.Wet van 8 juli 2020,
14.Die invoering hield mede verband met minibikes; zie
15.Vgl. de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de Wegenverkeerswet 1994 leidde (
16.Vgl.
17.Zie over de achtergronden van het niet goedkeuren van minibikes (onder meer)