ECLI:NL:PHR:2022:1259

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2022
Publicatiedatum
13 februari 2023
Zaaknummer
20/04009
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 435 SvArt. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet tijdig indienen middelen

De verdachte is door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot 216 dagen gevangenisstraf wegens medeplegen van een opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 3 onder Pro A van de Opiumwet. Tevens is onttrekking aan het verkeer van in beslaggenomen voorwerpen bevolen en bewaring van een geldbedrag van €3.500,- gelast ten behoeve van de rechthebbende.

Op 4 december 2020 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De aanzegging van het cassatieberoep is op 31 mei 2021 betekend. Echter, binnen de wettelijk gestelde termijn van zestig dagen na betekening zijn geen middelen van cassatie ingediend namens de verdachte.

Omdat de verdachte niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft ingediend, kan hij volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dan ook dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet tijdig indienen van middelen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/04009
Zitting20 december 2022

CONCLUSIE

E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 1 december 2020 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 216 dagen, met aftrek van het voorarrest. Bovendien heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van in beslaggenomen voorwerpen en de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven geldbedrag van € 3.500,-.
Er bestaat samenhang met de zaken 20/04075 en 20/04067. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
Op 4 december 2020 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 31 mei 2021 betekend. Namens de verdachte is niet binnen zestig dagen nadien een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG