ECLI:NL:PHR:2022:1259
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet tijdig indienen middelen
De verdachte is door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot 216 dagen gevangenisstraf wegens medeplegen van een opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 3 onder Pro A van de Opiumwet. Tevens is onttrekking aan het verkeer van in beslaggenomen voorwerpen bevolen en bewaring van een geldbedrag van €3.500,- gelast ten behoeve van de rechthebbende.
Op 4 december 2020 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De aanzegging van het cassatieberoep is op 31 mei 2021 betekend. Echter, binnen de wettelijk gestelde termijn van zestig dagen na betekening zijn geen middelen van cassatie ingediend namens de verdachte.
Omdat de verdachte niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft ingediend, kan hij volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dan ook dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet tijdig indienen van middelen.