Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Iederten achterblijven bij de verbintenis die niet door een opschortingsbevoegdheid wordt gerechtvaardigd, is een tekortkoming. De klacht faalt dus.
niet meer dande combinatie van (1) de omstandigheid dat de opleidingsovereenkomst voortduurde en (2) de inactiviteit van het Graafschap College in het schooljaar 2017/2018, is die veronderstelling onjuist. Het hof heeft met betrekking tot de eventuele tekortkoming in de nakoming van de inspanningsverbintenis van het Graafschap College, aan de hand van alle omstandigheden van het geval beoordeeld wat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend onderwijsinstelling in gelijke omstandigheden mag worden verwacht. Hetgeen in het middel onder (i)-(v) is aangevoerd, maakt het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.
jegens [verweerder]en om de omstandigheden zoals die binnen de rechtsverhouding tussen het Graafschap College en [verweerder] aan de orde zijn. Ik wijs in dit verband op de overweging van het hof dat het feit dat [verweerder] bij de gemeente Deventer de stage niet succesvol heeft afgerond en bij de gemeente Winterswijk niet mocht beginnen, niet betekent dat [verweerder]
met de juiste begeleidingvan het Graafschap College een andere stage niet met succes had kunnen voltooien (rechtsoverweging 3.17). Verder nog: wangedrag van [verweerder] is klaarblijkelijk
nietaan de orde, noch iets dat daarmee is te vergelijken (anders dan stelling (i) suggereert).
Deze tekortkoming heeft schade veroorzaakt
met de juiste begeleidingeen stageplek hebben kunnen vinden en de stage hebben kunnen voltooien. Dat is een aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden oordeel, dat niet onbegrijpelijk is, onder meer in verband met wat het hof over het behalen door [verweerder] van het BOA-praktijkexamen heeft overwogen.
versneldevervolgopleiding waarvoor [verweerder] zich had ingeschreven (zie het slot van het citaat).
zonder ondersteuning van het Graafschap Collegeheeft plaatsgevonden. Volgens het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof zegt het behalen van het BOA-praktijkexamen daarom iets over het functioneren van [verweerder] in praktijksituaties.
met de juiste begeleidingeen stage succesvol zou hebben kunnen voltooien en heeft de bij eerdere stages ondervonden moeilijkheden wel degelijk onder ogen gezien.
Een ingebrekestelling was niet vereist en er is niet te laat geklaagd
geen schadezou hebben geleden, omdat hij in september 2018 met zijn vervolgopleiding aan de slag zou hebben gekund (vergelijk rechtsoverweging 3.8), maar dat zou volgens wat in het oordeel van het hof besloten ligt, niet hebben weggenomen dat het Graafschap College daaraan voorafgaand was
tekortgeschoten.
onder 2.3.2van het middel is te lezen, komt grotendeels neer op een herhaling van zetten. In de derde alinea voert de steller van het middel nog aan dat de beslissing van het hof niet juist is omdat, zo begrijp ik, de algemene inspanningsverplichting van een onderwijsinstelling ten opzichte van haar leerlingen (die voortdurend van aard is), zich concretiseert in verplichtingen tot het volbrengen van bepaalde prestaties (die niet voortdurend van aard zijn). Ik herhaal dat de beoordeling of een voortdurende verbintenis enige tijd niet is nagekomen, grotendeels feitelijk van aard is en wijs er opnieuw op dat het hof heeft vastgesteld dat het Graafschap College vanaf 15 september 2017 zijn inspanningen om nog een tweede stageplaats te vinden of [verweerder] daarbij te helpen, geheel heeft gestaakt.
niet uitsluitendvan belang is of de schuldenaar door het achterwege blijven van een (eerdere) klacht in haar belangen is geschaad. Wel is volgens de rechtspraak van uw Raad die omstandigheid in belangrijke mate medebepalend en geldt dat als die belangen niet zijn geschaad, er niet spoedig voldoende reden zal zijn de schuldeiser een gebrek aan voortvarendheid te verwijten. [13] Dit laatste brengt ook mee dat de rechter die vaststelt dat niet blijkt dat de schuldenaar in zijn belangen is geschaad, veelal zijn afwijzing van het beroep op de klachtplicht niet nog nader zal behoeven te motiveren. Of inderdaad zo’n nadere motivering niet nodig is, hangt uiteraard van het partijdebat af, maar de rechtsklacht van het onderdeel slaagt in ieder geval niet: uit de omstandigheid dat het hof de afwijzing van het beroep op de klachtplicht uitsluitend heeft gemotiveerd met de overweging dat het Graafschap College niet heeft gesteld (in ieder geval niet met betrekking tot de tekortkoming die is gelegen in het feit dat het zich na 18 september 2017 niet meer voor [verweerder] heeft ingespannen) op welke wijze het door een te late klacht in zijn belangen is geschaad, volgt niet dat het hof heeft miskend dat alle omstandigheden van het geval van belang zijn. De motiveringsklacht zoals onder 2.4.1 opgenomen, kan evenmin slagen omdat hij ons niet op enige bijzonderheid in het tussen partijen gevoerde debat wijst.
onder 2.4.2alsnog wel. Daar zegt het onderdeel namelijk dat het Graafschap College heeft aangevoerd dat, als tijdig was geklaagd, zij zich alsnog had kunnen inspannen om een tweede stageplaats voor [verweerder] te vinden (waarvoor in het schooljaar 2017/2018 nog voldoende tijd was) en dat zo de studievertraging van [verweerder] had kunnen worden voorkomen of beperkt. Ik loop de vindplaatsen in het dossier na waarnaar de klacht verwijst.
voldoende concreetheeft gesteld op welke wijze het door een te late klacht in zijn belangen is geschaad.