AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad oordeelt over rechtsherstel box 3 vermogensrendementsheffing jaren 2015-2018
Belanghebbende maakt bezwaar tegen de vermogensrendementsheffing in box 3 over de jaren 2015 tot en met 2018, waarbij het forfaitaire stelsel sinds 2017 in strijd wordt geacht met het recht op eigendom en het gelijkheidsbeginsel uit het EVRM. De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de heffing voor 2015 en 2016 niet in strijd is met het EVRM, maar voor 2017 en 2018 wel, hoewel zij geen aanleiding zagen voor vermindering wegens het ontbreken van een individuele buitensporige last.
De Hoge Raad bevestigt dat het arrest van 24 december 2021 (het Kerstarrest) geen gevolgen heeft voor de jaren tot en met 2016, maar dat het forfaitaire stelsel vanaf 2017 op stelselniveau strijdig is met het EVRM. De Hoge Raad bepaalt dat alleen het werkelijk behaalde rendement in de heffing mag worden betrokken voor de jaren in geschil en verwijst het geschil naar het hof voor nadere beoordeling van het recht op rechtsherstel en de omvang daarvan.
De conclusie benadrukt dat de invulling van wat een redelijke compensatie is voor rechtsherstel voorbehouden is aan de feitenrechters, die op basis van de specifieke omstandigheden een keuze maken uit verschillende mogelijkheden. Daarbij kan het werkelijke rendement worden vastgesteld als de netto opbrengst van rente, dividend en huur zonder aftrek van financieringskosten. De Hoge Raad oordeelt niet dat het box 3-stelsel geheel buiten toepassing moet worden gesteld, maar dat per belastingplichtige moet worden onderzocht of sprake is van benadeling.
De conclusie gaat tevens in op de juridische betekenis van het Kerstarrest, de verschillen tussen het oude en nieuwe stelsel, en de rol van de wetgever in het oplossen van het rechtstekort. Ook worden mogelijke alternatieve vormen van rechtsherstel besproken, evenals de vraag of belastingplichtigen die geen tijdig bezwaar maakten ook rechtsherstel kunnen krijgen. De zaak benadrukt het belang van een zorgvuldige en redelijke toepassing van het rechtsherstel in de praktijk.
Uitkomst: Cassatieberoep ongegrond voor 2015-2016 en gegrond voor 2017-2018 met verwijzing naar het hof voor beoordeling rechtsherstel.
Voetnoten
1.Inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen.
2.De inspecteur van de Belastingdienst / kantoor Den Haag.
3.Het Eerste Protocol bij het EVRM.
4.Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
5.Zie (voor 2017) het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 7 juli 2018, nr. 2018-12775,
6.Algemene wet inzake rijksbelastingen.
7.De Rechtbank Den Haag.
8.Rechtbank Den Haag 16 september 2020, nrs. SGR 19/7840, SGR 19/7842, SGR 20/957 en SGR 20/958, ECLI:NL:RBDHA:2020:9203 (niet gepubliceerd). 9.Gerechtshof Den Haag.
11.De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst.
13.Zie r.o. 9 van de uitspraak van de Rechtbank.
18.G.T.K. Meussen, ‘Vaarwel 2021 en welkom 2022’,
19.Ik verwijs hiervoor ook naar mijn conclusie voor het Kerstarrest van 1 november 2021, nr. 21/01243, ECLI:NL:PHR:2021:1019. 20.Zie onder meer
21.Wanneer rekening wordt gehouden met het totaal van de opbrengst, moet naar mening ook rekening worden gehouden met eventuele negatieve rente.
22.Zie
23.In het externe advies dat is gepubliceerd bij de brief van de Staatssecretaris van 1 februari 2022 aan de Tweede Kamer (Bijlage 8), wordt ook opgemerkt dat uit het Kerstarrest zelf niet blijkt dat de Hoge Raad bij het rechtsherstel rekening houdt met de aftrekbaarheid van kosten. Verder wordt in dit advies opgemerkt dat in een forfaitair stelsel een directe aftrek van deze kosten niet mogelijk is, zoals ook bij de introductie van de vermogensrendementsheffing is opgemerkt. In beginsel brengen de stelselwijzigingen in 2017 geen wijzigingen in dit uitgangspunt, aldus het advies. Volgens het advies ligt het het meest voor de hand de omvang van het te bieden rechtsherstel te baseren op de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever om uitsluitend de ‘netto voordelen’ te belasten. Dat betekent dat rekening dient te worden gehouden met de aantoonbare werkelijke kosten die dienen ter werving, inning en behoud van de werkelijk behaalde rendementen in box 3. Tot deze kosten behoren volgens het advies ook financieringslasten.
24.Zie tevens onder meer
25.De Staatssecretaris heeft eind vorig jaar – naar aanleiding van vragen van Kamerlid Omtzigt – medegedeeld dat in het toekomstige box 3 stelsel de werkelijke inkomsten, bestaande uit de reguliere voordelen (bijv. rente en dividend), de gerealiseerde waardeontwikkelingen en de niet-gerealiseerde waardeontwikkelingen worden belast. Zie de Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 5 november 2021,
26.Het begrip ‘redelijkheid en billijkheid’ wordt immers beïnvloed door de in het maatschappelijk verkeer bestaande opvattingen en geeft daarmee een poort voor de – veranderende – maatschappelijke werkelijkheid; een werkelijkheid die op haar beurt weer wordt beïnvloed door het recht. Zie R. Ortlep,
27.De minister en de staatssecretaris van Financiën gaan ervan uit dat cryptovaluta in principe behoren tot de rendementsgrondslag van box 3. Zie
28.Brief van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst van 1 februari 2022, kenmerk 2022-0000035345.
29.Bij deze brief is een aantal bijlagen opgenomen, waaronder een extern advies van 28 januari 2022. Zie Bijlage 8 bij de Brief van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst van 1 februari 2022, kenmerk 2022-0000035345. In dit advies is onder meer ingegaan op de vraag (i) of er op grond van het Kerstarrest ten behoeve van het bieden van rechtsherstel ruimte is voor een invulling van het begrip ‘werkelijk rendement’, waarbij ook vermogenswinsten tot het werkelijk rendement worden gerekend, (ii) welke kosten er in mindering komen op het rendement, en (iii) de beoordeling of en in hoeverre het werkelijk rendement lager is dan het wettelijk vastgestelde voordeel uit sparen en beleggen moet plaatsvinden per box 3-bezitting of voor alle box 3-bezittingen als geheel.
30.Het lijkt ook wel denkbaar dat de bevoegde staatssecretaris van Financiën een besluit zou vaststellen dat dienaangaande richtinggevend is.
31.Zoals gesuggereerd in mijn conclusie voor het Kerstarrest van 1 november 2021, nr. 21/01243, ECLI:NL:PHR:2021:1019. 32.Hiervoor pleiten ook de feiten en cijfers zoals opgenomen in Bijlage 1 bij de Brief van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst van 1 februari 2022, kenmerk 2022-0000035345. Uit de beantwoording van de feitelijke vragen van de vaste commissie voor Financiën box 3 door de staatssecretaris blijkt verder dat in 2017 1,3 miljoen belastingplichtigen alleen spaargeld hadden in box 3. In 2018 waren dit er circa 1,1 miljoen. Volgens de staatssecretaris is dit aantal in 2022 gehalveerd ten opzichte van 2017 als gevolg van de verdere verhoging van het heffingvrije vermogen.
33.Zie ook Bijlage 8 bij de Brief van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst van 1 februari 2022, kenmerk 2022-0000035345.
34.Zie onder meer
35.Bijlage 7 bij de Brief van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst van 1 februari 2022, kenmerk 2022-0000035345.