Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
Het middel
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte ontving een strafbeschikking van het CJIB gedateerd 29 december 2017 tot betaling van een geldboete. Hij stuurde op 11 januari 2018 een brief aan het parket waarin hij verzet aantekende tegen de strafbeschikking. Deze brief werd op 17 januari 2018 ontvangen door het parket. Volgens artikel 257e Sv moet verzet binnen veertien dagen na dagtekening van de strafbeschikking bij het parket zijn ingediend.
Het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat de ontvangstdatum bij het parket bepalend is voor de tijdigheid van het verzet (ontvangstleer) en verklaarde het verzet te laat en daarmee niet-ontvankelijk. De verdediging voerde aan dat analoge toepassing van bestuursrechtelijke termijnen (verzendleer) tot een andere uitkomst zou moeten leiden, maar het hof verwierp dit omdat de Awb niet van toepassing is op strafzaken en de jurisprudentie in strafzaken de ontvangstleer hanteert.
De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad bevestigt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehuldigd en dat het verzet terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het verzet tegen de strafbeschikking is te laat ingediend en de verdachte is niet-ontvankelijk verklaard.