ECLI:NL:PHR:2022:20

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 januari 2022
Publicatiedatum
10 januari 2022
Zaaknummer
21/05052
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:1 WvggzArt. 3:2 lid 2 sub a WvggzArt. 3:3 WvggzArt. 3:4 WvggzArt. 6:4 lid 1 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling noodzakelijkheid en motivering verplichte zorg bij zorgmachtiging Wvggz

Betrokkene kreeg door de rechtbank Gelderland een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) verleend, waarbij verplichte zorgvormen zoals het toedienen van vocht, voeding en medicatie, bewegingsbeperkingen en opname in een accommodatie werden opgelegd.

De advocaat van betrokkene voerde aan dat de zorgmachtiging onterecht niet was beperkt tot de noodzakelijke zorgonderdelen om ernstig nadeel af te wenden. Met name werd betwist dat het toedienen van vocht en voeding noodzakelijk was, omdat betrokkene deze niet weigerde. De rechtbank motiveerde dit oordeel onvoldoende en beriep zich op een onjuiste rechtsopvatting door te stellen dat deze zorgvormen als geheel in de wet zijn opgenomen en niet geschrapt kunnen worden.

De Hoge Raad overweegt dat bij bezwaar tegen een bepaalde vorm van verplichte zorg de rechter een nadere motivering en beperking dient aan te brengen binnen de wettelijke categorieën van art. 3:2 lid 2 Wvggz Pro. De rechtbank heeft dit nagelaten en onvoldoende onderzocht of het toedienen van vocht en voeding noodzakelijk was, waardoor de motivering ontoereikend is.

De Hoge Raad concludeert dat de klacht gegrond is, vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank Gelderland voor een inhoudelijke beoordeling van de noodzakelijkheid van het toedienen van vocht en voeding als verplichte zorg in de zorgmachtiging.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug voor nadere beoordeling van de noodzakelijkheid van het toedienen van vocht en voeding als verplichte zorg.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/05052
Zitting7 januari 2022
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[betrokkene]
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. C. Reijntjes-Wendenburg,
tegen
De officier van Justitie in het arrondissementsparket Gelderland,
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
In deze Wvgg-zaak klaagt betrokkene dat de rechtbank ten onrechte de zorg, genoemd in art. 3:2 lid 2 sub a Wvggz Pro, niet heeft beperkt tot de onderdelen van zorg, die (daadwerkelijk) noodzakelijk waren om ernstig nadeel af te wenden of een ander in de wet genoemd doel te behalen.

1.Feiten en procesverloop

1.1
Voor betrokkene is door de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) op 9 november 2020 een zorgmachtiging op de voet van artikel 6:5, aanhef en onder a, Wvggz verleend voor de periode tot en met 8 mei 2021. Op 22 april 2021 is door de rechtbank een aansluitende zorgmachtiging verleend voor de periode tot en met 22 oktober 2021.
1.2
Bij verzoekschrift van 1 oktober 2021 heeft de officier van justitie aansluitend op voormelde zorgmachtiging(en) een machtiging tot het verlenen van verplichte zorg op grond van de Wvggz voor de duur van 12 maanden verzocht.
1.1
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2021, in de accommodatie GGNet.
1.2
Tijdens de mondelinge behandeling zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
- de psychiater verbonden aan GGNet;
- de nicht van betrokkene.
1.3
De rechtbank heeft bij beschikking van 11 oktober 2021 de zorgmachtiging tot 11 april 2022 verleend. Daartoe is als volgt overwogen.
“2.1. Betrokkene geeft aan dat het goed met haar gaat. Betrokkene wil naar huis en naar haar echtgenoot. De advocaat brengt naar voren dat de verstandelijke beperking bij betrokkene voorliggend is. Nu de Wvggz ziet op een psychische stoornis, volstaat deze wet niet en is een verkeerde machtiging aangevraagd. De advocaat bepleit dan ook dat een rechterlijke machtiging op grond van de Wet zorg en dwang (hierna: Wzd) aangevraagd dient te worden. Om die reden verzoekt de advocaat primair om afwijzing van het verzoek. Daarnaast is de advocaat van mening dat het ernstige nadeel ‘levensgevaar’ niet voldoende onderbouwd is. De psychiater geeft aan dat er nimmer sprake is geweest van een levensgevaarlijke situatie, waardoor dit puur hypothetisch. Tevens is de advocaat van mening dat het ernstige nadeel ‘ernstig lichamelijk letsel’ slechts ziet op de huidaandoening van betrokkene. Mocht de rechtbank echter van oordeel zijn dat een zorgmachtiging op grond van de Wvggz toch toegewezen dient te worden, bepleit de advocaat dat de vorm van verplichte zorg
‘het toedienen van vocht en voeding’niet noodzakelijk is. Betrokkene eet en drink immers goed. Daarnaast is de vorm van verplichte zorg
‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ook niet noodzakelijk, nu zowel uit de overgelegde stukken als de mondelinge behandeling blijkt dat deze vorm van verplichte zorg te verstrekkend is. Ook de vorm van verplichte zorg
‘het opnemen in een accommodatie’is volgens de advocaat niet noodzakelijk. Een opname is slechts nodig om het toestandsbeeld van betrokkene te stabiliseren. Betrokkene is echter reeds gestabiliseerd. Volgens de advocaat dienen deze vormen van verplichte zorg dan ook afgewezen te worden.
(…)
2.4. Naar het oordeel van de rechtbank is gebleken dat het gedrag dat uit de stoornis voortvloeit, leidt tot het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstig nadeel, gelegen in:
o ernstig lichamelijk letsel;
o ernstige psychische schade;
o ernstige verwaarlozing;
o maatschappelijke teloorgang.
Anders dan door de advocaat is bepleit, is de rechtbank van oordeel dat er wel degelijk sprake is van ernstig lichamelijk letsel. Betrokkene is niet zelfredzaam. Met name de zelfzorg in combinatie met de huidaandoening van betrokkene, te weten psoriasis, is zorgelijk. Betrokkene is niet adequaat in het behandelen van haar huidaandoening, waardoor het risico op infecties groot is. Daarnaast lukt het betrokkene niet om zelfstandig structuur aan te brengen in haar leven, waardoor zij in passiviteit vervalt. Hierdoor ontstaat depressiviteit. De rechtbank is, net als namens betrokkene is bepleit, van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat er sprake is van levensgevaar.
2.5. Om het ernstig nadeel af te wenden en de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren, heeft betrokkene zorg nodig.
2.6. Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Betrokkene toont geen ziekte-inzicht en weigert zorg. Hieruit vloeit voort dat betrokkene evenmin inzicht heeft in de risico’s die bestaan zodra de structuur, die haar op dit moment geboden wordt door de verplichte zorg, uit haar leven wegvalt. Om die reden is verplichte zorg nodig. De rechtbank is van oordeel dat de in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg en de daarbij aangegeven duur noodzakelijk zijn, mede gelet op het zorgplan, de medische verklaring en het advies van de geneesheer-directeur. Deze vormen van zorg bestaan uit:
o het toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische behandelmaatregelen;
o het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
o het opnemen in een accommodatie.
alle voor de duur van zes maanden. Omdat er voor betrokkene momenteel geen plek beschikbaar is in een VG-setting, maar betrokkene uiteindelijk wel gebaat is bij een dergelijke setting, ziet de rechtbank aanleiding om de duur van de zorgmachtiging te beperken tot zes maanden. Anders dan de advocaat bepleit, is de rechtbank van oordeel dat de vorm van verplichte zorg
‘het toedienen van vocht, voeding en medicatie’als geheel in de wet als een verplichte vorm van zorg is opgenomen en om die reden het toedienen van vocht en voeding niet geschrapt kan worden. De rechtbank wijst, zoals namens betrokkene is bepleit, de vorm van verplichte zorg
‘het beperk[ing]en van de bewegingsvrijheid’af, nu de psychiater heeft aangegeven dat dit niet noodzakelijk is. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.”
1.4
Namens betrokkene is - tijdig [1] - beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van 11 oktober 2021. Er is geen verweerschrift ingediend door de officier van justitie.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel bevat één onderdeel dat nader is toegelicht in de randnummers 1.1 t/m 1.9.
2.2
Het middel klaagt in de kern dat de rechtbank in strijd heeft gehandeld met het systeem van de wet, zoals dat voortvloeit uit de artikelen 3:1, 3:2, 3:3, 3:4 en 6:4 lid 1 Wvggz, door de zorg, genoemd in art. 3:2 lid 2 sub a Wvggz Pro, niet nader te beperken tot de onderdelen van zorg, die noodzakelijk zijn om ernstig nadeel af te wenden dan wel een ander in art. 3:4 Wvggz Pro genoemd doel te bereiken. In elk geval heeft de rechtbank niet aan haar motiveringsverplichting voldaan, die voortvloeit uit de artikelen 30 en 230 Rv, artikel 121 Grondwet Pro, artikel 6 lid 1 in Pro verbinding met artikel 5 lid 1 EVRM Pro en de eis van een goede procesorde, nu de advocaat uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt tegen toewijzing van de zorgvorm ‘vocht’ en ‘voeding’, als verplichte zorgvormen genoemd in art. 3:2 lid 2 sub a Wvggz Pro.
2.3
Het oordeel van de rechtbank in rov. 2.6 dat de vorm van verplichte zorg
‘het toedienen van vocht, voeding en medicatie’als geheel in de wet als een verplichte vorm van zorg is opgenomen en om die reden het toedienen van vocht en voeding niet geschrapt kan worden getuigt volgens het middel van een onjuiste rechtsopvatting. Uw Raad heeft in een beschikking van 5 juni 2020 overwogen dat het bezwaar van een betrokkene tegen een bepaalde vorm van zorg leidt tot een (nadere) motiveringsverplichting van de rechter, en dat zodanig bezwaar ertoe kan leiden dat de rechter de noodzakelijk geoordeelde zorg binnen een categorie van zorg zoals genoemd in art. 3:2 lid 2 Wvggz Pro, nader dient te specificeren of te beperken, in het bijzonder indien het gaat om de ruim geformuleerde categorie genoemd onder a van die bepaling. [2]
2.4
De wet verplicht de rechtbank dus niet om
‘het toedienen van vocht en voeding’mede toe te wijzen, wanneer dat niet noodzakelijk is om ernstig nadeel af te wenden ofwel een ander in de wet genoemd doel te bereiken. Uit de beschikking blijkt niet dat de rechtbank heeft nagegaan of deze deelvorm daadwerkelijk als verplichte zorg noodzakelijk was. Evenmin heeft de rechtbank zich uitdrukkelijk rekenschap gegeven of voldoende is komen vast te staan dat betrokkene vocht en voeding heeft geweigerd en dat zich die situatie weer zou kunnen voordoen. Zij heeft daarom evenmin aan haar motiveringsverplichting voldaan, aldus het middel.
2.5
Ik ga nu over tot behandeling van de klacht.
2.6
Uit het proces-verbaal van de zitting van 11 oktober 2021 blijkt dat als volgt is verklaard over het toedienen van vocht en voeding als verplichte zorg.
“De psychiater: Bedoeld wordt de lichamelijke gezondheid. Als de wonden van de huidaandoening gaan ontsteken, wordt dat een probleem in het lichaam. Door het omkeren van de dag en nacht is eten en drinken ook een probleem. Het is feitelijk nooit levensgevaar geweest, maar er bestaan wel grote zorgen.
(…)
advocaat: (…) Stel dat u toch meegaat in het verzoek en een machtiging op grond van de Wvggz afgeeft, kom ik toe aan de vormen van verplichte zorg. Wat betreft de vocht, medicatie en voeding het volgende. Het niet innemen van vocht en voeding is nooit aan de orde geweest. Vocht en voeding hoeft dus niet als vorm van verplichte zorg te worden opgenomen. (…)” [3]
2.7
De verklaring van de psychiater geeft de rechtbank enige steun om het toedienen van vocht en voeding als verplichte vorm toe te wijzen, omdat betrokkene door haar depressieve episodes dag en nacht omkeert hetgeen kennelijk voor het eten en drinken een probleem vormt. Uit rov. 2.6 van de bestreden beschikking volgt echter dat de rechtbank haar oordeel op dit punt enkel heeft gemotiveerd door te overwegen dat “de rechtbank van oordeel [is] dat de vorm van verplichte zorg
‘het toedienen van vocht, voeding en medicatie’als geheel in de wet als een verplichte vorm van zorg is opgenomen en om die reden het toedienen van vocht en voeding niet geschrapt kan worden.” Dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
2.8
Plv. P-G Langemeijer heeft in de conclusie bij de genoemde uitspraak van Uw Raad van 5 juni 2020 drie zorgcirkels onderscheiden in de Wvggz. De
buitenstecirkel omvat de limitatieve wettelijke omschrijving van verplichte zorg in art. 3:2 lid 2 Wvggz Pro. De zorgmachtiging of de crisismaatregel mag geen andere vormen van verplichte zorg bevatten dan in die wettelijke bepaling is omschreven.
2.9
In de
middelstecirkel bepaalt de rechter of burgemeester vooraf voor een bepaalde tijdvak welke verplichte zorg aan de individuele patiënt mag worden verleend. De behandelende artsen en andere zorgverleners mogen in dat tijdvak geen andere vormen van verplichte zorg verlenen dan die waarvoor de crisismaatregel, respectievelijk de machtiging, ruimte biedt. Binnen de middelste cirkel moet de uitspraak van Uw Raad van 5 juni 2020 worden gelezen, omdat daaruit volgt dat indien de betrokkene bezwaar maakt tegen een bepaalde vorm van zorg, - hetgeen hier ook gebeurd is - de rechter zijn beslissing op dat punt zal moeten motiveren. Zodanig bezwaar kan volgens Uw Raad ertoe leiden dat de rechter de noodzakelijk geoordeelde zorg binnen een categorie van zorg zoals genoemd in art. 3:2 lid 2 Wvggz Pro (de buitenste cirkel), nader specificeert of beperkt, in het bijzonder indien het gaat om de ruim geformuleerde categorie genoemd onder a van die bepaling die ziet op het “toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening.” [4]
2.1
De
binnenstecirkel wordt bepaald door de beslissing van de behandelend psychiater (‘zorgverantwoordelijke’), die van dag tot dag beslist welke verplichte zorg (dwangbehandeling) binnen de toegewezen zorgvormen in de zorgmachtiging of crisismaatregel (middelste cirkel) concreet aan de patiënt wordt gegeven. [5]
2.11
In het licht van voormelde uitspraak getuigt de overweging van de rechtbank dat in het geheel van de zorgvorm van het toedienen van vocht, voeding en medicatie bepaalde onderdelen niet geschrapt kunnen worden dus van een onjuiste rechtsopvatting. Bij bezwaar van de betrokkene tegen een bepaalde vorm van verplichte zorg in art. 3:2 lid 2 Wvggz Pro is het bij uitstek de taak van de rechter om de noodzakelijke zorg binnen een categorie van zorg te specificeren of beperken. Daar de rechtbank verder niet inhoudelijk motiveert waarom het toedienen van vocht en voeding voor betrokkene als verplichte zorg noodzakelijk is en in art. 2:1 leden Pro 2 en 3 Wvggz is voorgeschreven dat verplichte zorg alleen als uiterste middel kan worden overwogen en dat de proportionaliteit en subsidiariteit, alsmede de doelmatigheid en veiligheid van de verplichte zorg moet worden worden beoordeeld, heeft de rechtbank op dit punt haar oordeel ook ontoereikend gemotiveerd.
2.12
De klacht in het onderdeel is gegrond.
2.13
De rechtbank zal na terugwijzing inhoudelijk moeten beoordelen of het toedienen van vocht en voeding als vorm van verplichte zorg voor betrokkene in de zorgmachtiging noodzakelijk is.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Gelderland.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De procesinleiding is op 9 december 2021 binnen de driemaandentermijn van art. 426 Rv Pro via het webportaal
2.Hoge Raad 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012, rov. 4.2.4.
3.Proces-verbaal van de zitting d.d. 11 oktober 2021, p. 4, 6.
4.Hoge Raad 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012, rov. 4.2.2-4.2.4.
5.Parket bij de Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:356, randnummer 3.15.