ECLI:NL:PHR:2022:28

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 januari 2022
Publicatiedatum
12 januari 2022
Zaaknummer
20/02380
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 312 lid 2 SrArt. 420bis lid 1 SrArt. 348 SvArt. 350 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging strafoplegging hof wegens onjuiste strafmotivering en terugwijzing

Het gerechtshof Den Haag had de verdachte veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf wegens diefstal met geweld en bedreiging, waarbij het hof ten nadele van de verdachte had meegewogen dat hij eerder onherroepelijk was veroordeeld voor twee straatroven en witwassen, waarbij ook gebruik van een vuurwapen was betrokken.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze strafmotivering, omdat het hof zich had gebaseerd op een onjuist gelezen uittreksel Justitiële Documentatie waarin ten onrechte werd aangenomen dat de verdachte voor twee straatroven was veroordeeld en dat bij die eerdere feiten gebruik van een vuurwapen was gemaakt.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet ten nadele van de verdachte mocht meewegen dat bij eerdere veroordelingen gebruik van een vuurwapen was gemaakt, daar dit niet uit de stukken bleek en het hof dit ambtshalve niet had mogen aannemen zonder dat dit aan de verdachte was voorgelegd.

Het middel slaagt en de Hoge Raad vernietigt de strafoplegging van het hof en wijst de zaak terug naar het hof Den Haag voor een nieuwe strafoplegging. Het tweede middel over schending van de redelijke termijn wordt niet behandeld wegens het slagen van het eerste middel.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/02380

Zitting18 januari 2022
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
hierna: de verdachte.

Inleiding

Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 31 juli 2020 het vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 juli 2019, waarbij de verdachte wegens “diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren” was veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, vernietigd ten aanzien van de straf en de motivering daarvan en voor het overige, met aanvulling van gronden, bevestigd. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest en voorts de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen en gelast dat het gedeelte van de bij een eerder vonnis opgelegde vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, te weten 124 dagen gevangenisstraf, alsnog wordt ondergaan.
Namens de verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

3. Het middel richt zich tegen de strafmotivering. De klacht houdt in dat het hof ten nadele van de verdachte heeft meegewogen dat hij eerder onherroepelijk tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren is veroordeeld voor het plegen van twee straatroven en witwassen, en dat bij die straatroven eveneens ten laste was gelegd dat gebruik is gemaakt van een vuurwapen, terwijl deze feiten en omstandigheden niet zijn terug te vinden in de stukken van het geding, waaronder een uittreksel Justitiële Documentatie van 2 juli 2020, zodat de strafmotivering niet begrijpelijk en/of onvoldoende is gemotiveerd.
4. Het middel heeft betrekking op het volgende deel van de strafmotivering van het hof:
“Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 juli 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren is veroordeeld voor het plegen van twee straatroven, en witwassen, bij welke eerstgenoemde feiten eveneens ten laste is gelegd dat gebruikt is gemaakt van een vuurwapen, hetgeen het hof ambtshalve bekend is.
Het voorgaande heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.”
5. Voormeld uittreksel Justitiële Documentatie vermeldt onder meer het volgende:
“Instantie/zaaknr.
Ressortsparket Den Haag 22-002894-17 (Rechtsmiddel van
09-842564-16)
Datum zitting
01 maart 2018 te Gerechtshof Den Haag
Datum beslissing
01 maart 2018 Gerechtshof Den Haag
Feit 1
art 310 Wetboek Pro van Strafrecht
art 312 lid 2 ahf Pro/sub 2 Wetboek van Strafrecht
Pleegdatum
07 september 2016 te 's-Gravenhage
Feit 2
art 310 Wetboek Pro van Strafrecht
art 312 lid 2 ahf Pro/sub 2 Wetboek van Strafrecht
Pleegdatum
07 september 2016 te 's-Gravenhage
Feit 3
art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht
Pleegdatum
07 september 2016 te 's-Gravenhage
Status
Onherroepelijk 16 maart 2018
Beslissing
Verdachte niet ontvankelijk in hoger beroep
Kennisgeving
De preventieve hechtenis is gestart op 16-08-2017 en beëindigd op 01-03-2018.
Instantie/zaaknr.
Parket OVJ Den Haag 09-842564-16
Koppelingen
Betrekking op parketnr. 99-000127-40
Datum beslissing
16 juni 2017 Meervoudige strafkamer rechtbank Den Haag
Feit 1
art 310 Wetboek Pro van Strafrecht
art 312 lid 2 ahf Pro/sub 2 Wetboek van Strafrecht
Kwalificatie
medeplegen van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken;
Pleegdatum
07 september 2016 te ’s-Gravenhage
PV
PL1500 Politie Haaglanden Regiobureau - 2016249819
Feit 2
art 310 Wetboek Pro van Strafrecht
art 312 lid 2 ahf Pro/sub 2 Wetboek van Strafrecht
Pleegdatum
07 september 2016 te 's-Gravenhage
PV
PL1500 Politie Haaglanden Regiobureau - 2016249819
Feit 3
art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht
Kwalificatie
medeplegen van witwassen;
Pleegdatum
07 september 2016 te 's-Gravenhage
PV
PL1500 Politie Haaglanden Regiobureau - 2016249819
Status
Onherroepelijk 01 maart 2018
Beslissing t.a.v.
Feit 1, Feit 3
2 Jaren gevangenisstraf
Executie: —> 01 maart 2018 - 06 april 2018. Directeur P.I. Alphen aan den Rijn
Feit 2
Vrijspraak
Kennisgeving
De preventieve hechtenis is gestart op 06-12-2016 en beëindigd op 16-08-2017.”
6. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie betreffende de verdachte blijkt daarmee dat hij op 16 juni 2017 door de rechtbank in een andere zaak is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren wegens 1. “medeplegen van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken” en 3. “medeplegen van witwassen”. Van feit 2 – kennelijk een andere straatroof – is de verdachte door de rechtbank vrijgesproken. Het hof heeft de verdachte ter terechtzitting van 1 maart 2018 vervolgens niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
7. De bestreden overweging van het hof dat de verdachte eerder onherroepelijk tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren is veroordeeld wegens onder meer het plegen van twee straatroven, lijkt te berusten op een verkeerde lezing door het hof van het uittreksel Justitiële Documentatie en is daarmee niet zonder meer begrijpelijk. Het middel klaagt daarover terecht.
8. Verder blijkt uit de strafmotivering dat het hof ten nadele van de verdachte heeft meegewogen dat bij de eerdere straatroven waarvoor de verdachte onherroepelijk veroordeeld zou zijn “eveneens ten laste is gelegd dat gebruik is gemaakt van een vuurwapen, hetgeen het hof ambtshalve bekend is”.
9. In de onderhavige zaak kan aan de hand van het uittreksel Justitiële Documentatie ten aanzien van de gekwalificeerde diefstal waarvoor de verdachte onherroepelijk is veroordeeld, weliswaar worden vastgesteld dat daarbij geweld is gebruikt, maar niet dat de verdachte daarbij gebruik heeft gemaakt van een vuurwapen. Verder blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof niet dat aldaar aan de orde is geweest dat het hof ambtshalve bekend is met de omstandigheid dat in de tenlastelegging van eerdere feiten waarvoor hij onherroepelijk zou zijn veroordeeld, was vermeld dat door de verdachte gebruik is gemaakt van een vuurwapen. Het behoort evenwel tot de taak van de rechter die heeft te beslissen omtrent de in de art. 348 en Pro 350 Sv vermelde vragen, daarbij slechts te oordelen op de grondslag van hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in diens zaak. [1] Het hof heeft gelet op het voorgaande niet ten nadele van de verdachte bij zijn oordeel omtrent de strafoplegging kunnen betrekken dat in een eerdere zaak eveneens was ten laste gelegd dat gebruik is gemaakt van een vuurwapen. De steller van het middel klaagt daarover terecht.
10. Het middel slaagt in al zijn onderdelen.

Het tweede middel

11. Het tweede middel bevat de klacht dat de redelijke termijn in cassatie is geschonden, omdat tussen het instellen van het cassatieberoep en de datum van binnenkomst van de stukken op de strafgriffie van de Hoge Raad 9 maanden en 11 dagen zijn verstreken.
12. Omdat mijn conclusie ten aanzien van het eerste middel al meebrengt dat de uitspraak van het hof wat betreft de strafoplegging dient te worden vernietigd, hoeft het tweede middel niet te worden besproken. Indien de Hoge Raad anders mocht oordelen, ben ik uiteraard tot nader concluderen bereid.

Slotsom

13. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel hoeft niet te worden besproken.
14. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 7 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9352, r.o. 2.3.