Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
(…)
Het klaagschrift strekt tot teruggave van de op 30 maart 2021 op grond van artikel artikel 94 Wetboek Pro van Strafvordering [t]ijdens de doorzoeking van de woning van klaagster inbeslaggenomen aan klaagster in eigendom toebehorende mobiele telefoon, merk Samsung S9, kleur zwart, zoals vermeld in de kennisgeving van inbeslagname van 30 maart 2021.
De raadsvrouw voert aan de hand van haar ter zitting overgelegde pleitnota aan dat artikel 23, zesde lid Sv weliswaar bepaalt dat kennisneming van de stukken buiten toepassing wordt gelaten indien het belang van het onderzoek door kennisname van de stukken door belanghebbende ernstig wordt geschaad, maar dat uit de rolbeschikking van de Hoge Raad van 7 juli 2020 ECLI:NL:HR:2020:1227 blijkt dat het belang van een effectieve rechtsbescherming van de betrokkene kan meebrengen dat het openbaar ministerie in die situatie eerst aan de uitvaardigende autoriteit de vraag voorlegt of er concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming door de betrokkene van een bepaald stuk.
De raadsvrouw verzoekt gelet op het voorgaande om aanhouding van de behandeling van de zaak om aan de Duitse autoriteit voor te leggen of zij nog concrete bezwaren heeft tegen kennisneming van het EOB en het proces-verbaal van inbeslagname aangezien klaagster al beschikt over het EAB en dat de daarin aan klaagster verweten feiten waarschijnlijk gelijk zijn aan die van het EOB.
(…)
3. Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt dat de telefoon van klaagster op grond van een Duits EOB in beslag is genomen voor de waarheidsvinding in het Duitse strafrechtelijke onderzoek. In het EOB is verzocht om geheimhouding om het strafrechtelijk onderzoek niet te verstoren. De officier van justitie zal niet opnieuw aan de Duitse autoriteit verzoeken of zij de geheimhouding wenst voort te zetten. De Duitse autoriteit zal zich nog steeds op het standpunt stellen dat de geheimhouding moet worden gehandhaafd omdat het onderzoek nog gaande is. Bovendien is voldaan aan de in voornoemd arrest van de Hoge Raad genoemde effectieve rechtsbescherming van klaagster.
Op grond van het voorgaande verzet zij zich tegen aanhouding van de behandeling van de zaak en zal zij niet overgaan tot het verstrekken van het EAB [1] en het proces-verbaal van inbeslagname aan klaagster.
(…)
4. Het oordeel van de rechtbank.
Verzoek kennisneming stukken/verzoek aanhouding behandeling van de zaak.
De Duitse autoriteiten hebben verzocht om tenuitvoerlegging van het EOB met inachtneming van de geheimhouding van het onderzoek.
De rechtbank stelt vast dat klaagster de beschikking heeft over het EAB waarin de omschrijving van de verdenking tegen klaagster is opgenomen maar dat daarin geen gegevens van het Duitse strafrechtelijk onderzoek staan vermeld. De rechtbank ziet in het feit dat klaagster al de beschikking heeft over het EAB geen onderbouwing voor het standpunt van de verdediging dat bij de Duitse autoriteit moet worden nagevraagd of er nog concrete bezwaren zijn tegen verstrekking van het EOB en het proces-verbaal tot inbeslagname. Van belang daarbij is dat in een EOB onderzoekshandelingen worden vermeld die niet in een EAB worden vermeld en het verzoek tot geheimhouding ziet juist op het onderzoek.
Daarbij komt dat in de door de raadsvrouw aangehaalde en hiervoor vermelde rolbeschikking van de Hoge Raad is overwogen dat het belang van een effectieve rechtsbescherming van de betrokkene kan meebrengen dat het openbaar ministerie in die situatie eerst aan de uitvaardigende autoriteit de vraag voorlegt of er concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming door de betrokkene van een bepaald stuk. In dat licht bezien ligt het op de weg van klaagster om nader te onderbouwen waarin de potentiële schending van de effectieve rechtsbescherming van de belanghebbende ligt, anders dan dat klaagster vanwege de geheimhouding niet over alle informatie beschikt. Deze onderbouwing wordt door de raadsvrouw niet gegeven.
Voorts brengt het vertrouwensbeginsel mee dat er zonder concrete aanknopingspunten geen navraag kan worden gedaan bij de Duitse autoriteit of er nog concrete bezwaren zijn tegen kennisneming van de genoemde stukken aangezien zij om geheimhouding van het onderzoek hebben verzocht, zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 maart 2021 ECLI:NL:HR:2021:486 waarin onder meer het volgende is overwogen:
“In aanmerking genomen dat het hier gaat om de voldoening aan een rechtshulpverzoek, mocht de rechtbank uitgaan van wat de met het onderzoek in de Belgische strafzaak belaste autoriteiten die het rechtshulpverzoek hebben doen uitgaan aan de officier van justitie hebben medegedeeld over hetgeen de belangen van dat onderzoek vergden.”
Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw en ziet zij geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden.”
4.5 Naar aanleiding van het gestelde in de rolconclusie van de advocaat-generaal onder 4.18 en 4.19 merkt de Hoge Raad het volgende op.
Uitgangspunt van artikel 19 van Pro de Richtlijn is dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de betrokken autoriteiten bij de tenuitvoerlegging van een EOB de geheimhouding van het onderzoek voldoende in acht nemen, en dat de uitvoerende autoriteit de geheimhouding van de feiten en de inhoud van het EOB garandeert. Tenzij uit het EOB of anderszins blijkt dat de uitvaardigende autoriteit de nakoming van die verplichting tot geheimhouding niet nodig acht, geldt deze verplichting ook in gevallen waarin na een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.4.10 lid 1 Sv op grond van artikel 552a Sv een klaagschrift is ingediend.