ECLI:NL:PHR:2022:282

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 maart 2022
Publicatiedatum
23 maart 2022
Zaaknummer
21/04295
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 23 lid 5 SvArt. 23 lid 6 SvArt. 5.4.10 lid 1 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing verzoek tot aanhouding inzake geheimhouding Europees Onderzoeksbevel

De zaak betreft het cassatieberoep van een klaagster tegen de afwijzing door de rechtbank Amsterdam van haar verzoek tot teruggave van een mobiele telefoon die op grond van een Duits Europees Onderzoeksbevel (EOB) in beslag was genomen. De klaagster verzocht tevens om aanhouding van de zaak om het openbaar ministerie te verplichten de Duitse autoriteiten te vragen of er concrete bezwaren zijn tegen kennisneming van het EOB en het proces-verbaal van inbeslagname.

De rechtbank oordeelde dat het openbaar ministerie niet verplicht is om dergelijke navraag te doen bij de uitvaardigende autoriteit en dat het op de klaagster ligt om concreet te onderbouwen waarin de potentiële schending van haar effectieve rechtsbescherming bestaat. De rechtbank vond de enkele omstandigheid dat de klaagster vanwege geheimhouding niet over alle informatie beschikt onvoldoende als onderbouwing.

De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en overweegt dat hoewel geheimhouding de regel is, het belang van effectieve rechtsbescherming kan meebrengen dat het openbaar ministerie navraag doet bij de uitvaardigende autoriteit. In deze zaak is echter geen concrete onderbouwing gegeven voor een schending van de rechtsbescherming en is het verzoek tot aanhouding daarom terecht afgewezen. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de bestreden beschikking.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van het verzoek tot aanhouding en teruggave van de in beslag genomen telefoon.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/04295 Br
Zitting29 maart 2022

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[klaagster],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de klaagster.
De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 28 september 2021 het beklag van de klaagster strekkende tot teruggave van een onder haar op grond van een door de Duitse autoriteiten uitgevaardigd Europees Onderzoeksbevel (EOB) inbeslaggenomen mobiele telefoon (Samsung S9), ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3.1.
Het middel klaagt over de afwijzing door de rechtbank van een verzoek tot aanhouding van de zaak.
3.2.
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang het volgende in:
“De voorzitter stelt de raadsvrouw in de gelegenheid om het klaagschrift toe te lichten.
De raadsvrouw voert het woord aan de hand van haar pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht. De inhoud van de pleitnota geldt als hier ingevoegd.
De officier van justitie stelt, zakelijk weergegeven:
De telefoon van klaagster is op grond van een Duits EOB in beslag genomen voor de waarheidsvinding in het Duitse strafrechtelijke onderzoek. Op dezelfde dag is de opgeëiste persoon aangehouden in het kader van het EAB. Het EOB ziet niet op iets anders dan het feit in het EAB. Om het strafrechtelijk onderzoek niet te verstoren is om geheimhouding verzocht.
Ik zal niet opnieuw aan de Duitse autoriteit verzoeken of zij de geheimhouding wenst voort te zetten. Zij zal zich nog steeds op het standpunt stellen dat de geheimhouding moet worden gehandhaafd omdat het onderzoek nog gaande is. Bovendien is voldaan aan de in de rolbeschikking van de Hoge Raad van 7 juli 2020 ECLI:NL:HR:2020:1227 genoemde effectieve rechtsbescherming van klaagster.
Ik verzet mij gelet op het voorgaande dan ook tegen aanhouding van de behandeling van de zaak en ik zal niet overgaan tot het verstrekken van het EOB en het proces-verbaal van inbeslagname aan klaagster.
(…)
De raadsvrouw voert aan, zakelijk weergegeven:
Na het door klaagster ingediende klaagschrift zijn geen vragen meer gesteld aan de Duitse autoriteit. Volgens de verdediging moet centraal staan waarom de geheimhouding van de verzochte stukken in het Duitse onderzoek van belang is. Concrete bezwaren tegen de verstrekking van de verzochte stukken zijn er niet.
(…)
De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad over het verzoekt tot aanhouding.
(…)
Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van de rechtbank mede dat zij op dit moment geen aanleiding ziet om de behandeling van de zaak aan te houden.
Als in raadkamer toch zal worden besloten om nadere informatie in te winnen bij de Duitse Justitiële autoriteit dan zal er een tussenbeschikking worden gewezen.”
3.3.
De door de raadsvrouw overgelegde pleitnota houdt voorts, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Geheimhouding:
Op 4 april 2021 verzocht ik het IRC mij de stukken die de grondslag vormden voor de inbeslagneming te verschaffen. Op 9 april 2021 ontving ik van mr. De Hoop als antwoord dat de grondslag voor de doorzoeking en inbeslagneming een EOB van de Duitse autoriteiten was en dat gelet op de door hen gevraagde geheimhouding, het EOB en een pv van inbeslagneming niet zal worden verstrekt (zie bijlage).
Onlangs, op 9 september 2021, ontving ik toch een kvi van de inbeslaggenomen goederen en een pvb van de RC waarin een verslag is neergelegd van de door haar/hem geleide doorzoeking waar ook Duitse politiefunctionarissen aanwezig blijken te zijn geweest.
Het EOB ontbreekt nog altijd.
Cliente was er uiteraard van op de hoogte dat er een doorzoeking heeft plaats gevonden en dat er spullen in beslaggenomen zijn: zij was er bij. De toegezonden stukken voegen in dat opzicht niets toe.
Thans moet door uw rechtbank naar aanleiding van het klaagschrift worden beoordeeld of er redenen zijn om het onder [klaagster] inbeslaggenomen goed (een iPhone) terug te geven of niet. Aan haar is een wettelijk recht gegeven om aan u dat oordeel te vragen, maar doordat zij niet beschikt over (op zijn minst) het EOB, ontbreken haar daartoe de argumenten. Dat is bijzonder frustrerend.
Een onderbouwing van de geheimhouding die hier door de officier van justitie is ingegeven, ontbreekt. Het enige dat wij weten, is dat de Duitse autoriteiten om die geheimhouding hebben gevraagd. De vraag is of dat, nu de doorzoeking en inbeslagneming een feit zijn, voldoende is.
We praten hier over de Richtlijn 2014/41/EU waar in overweging 22 van de preambule wordt overwogen dat de rechtsmiddelen die tegen een EOB kunnen worden ingezet, ten minste gelijk moeten zijn aan die welke in een binnenlandse zaak tegen de onderzoeksmaatregel kunnen worden ingezet. Verder noem ik in dat verband art. 14 en Pro art. 19 van Pro de Richtlijn. Ik realiseer me dat de daarin neergelegde vertrouwelijkheid dwingend is voorgeschreven. Aan de andere kant kan wel informatie worden verstrekt als daardoor de geheimhouding van een onderzoek niet in het gedrang komt (art. 14 lid Pro 3). Die informatie betreft in ieder geval de rechtsmiddelen die tegen de (uitvoering van een) EOB kunnen worden ingesteld.
De HR heeft in zijn rolbeschikking van 7 juli 2020 op dat punt (ECLI:NL:HR:2020:1227), onder 4.5, overwogen dat de verplichting tot geheimhouding er 'niet aan in de weg (staat) dat het openbaar ministerie op grond van art. 23 lid 5 Sv Pro alle op de zaak betrekking hebbende stukken moet overleggen aan de raadkamer en dat de raadkamer die over het klaagschrift moet oordelen van die stukken kennisneemt. Wel zal deze verplichting doorgaans grond geven voor het oordeel dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad als de betrokkene en/of zijn raadsman kennis kunnen nemen van de stukken waaruit de inhoud van het EOB blijkt. In dat geval kan de raadkamer hun die kennisneming op de voet van artikel 23 lid 6 Sv Pro onthouden.'
Maar, en dat is van belang voor deze zaak, ‘(h)et belang van een effectieve rechtsbescherming van de betrokkene kan echter meebrengen dat het openbaar ministerie in die situatie eerst aan de uitvaardigende autoriteit de vraag voorlegt of er concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming door de betrokkene van een bepaald stuk.'
Dat lijkt mij een niet onbelangrijke vingerwijzing van de Hoge Raad. Er zijn twee belangrijke elementen in te ontwaren: de eerste is dat geheimhouding alleen aan de orde is als door het ontbreken daarvan het belang van het onderzoek ‘ernstig wordt geschaad' en het andere element is dat de Hoge Raad van oordeel is dat de uitvaardigende autoriteit moet worden gevraagd, als geheimhouding niet direct voor de hand ligt, of er concreet bezwaren bestaan tegen kennisneming door betrokkene van een bepaald stuk.
In de onderhavige zaak blijkt niet dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad als cliënte en ik de beschikking krijgen over het EOB. Ook blijkt niet dat aan de Duitse autoriteiten is gevraagd of zij concrete bezwaren hebben tegen kennisneming door cliënte van een bepaald stuk c.q. stukken.
Vastgesteld kan worden dat cliënte gelijktijdig met de doorzoeking is aangehouden in verband met een - ook door de Duitse autoriteiten uitgevaardigd - EAB. Of het EOB dat aan de doorzoeking en inbeslagneming ten grondslag ligt verband houdt met die zaak weten we niet, maar het ligt wel voor de hand.
Wij beschikken over dat EAB. Daarin staat dat zij er van wordt beschuldigd zich op 18 oktober 2018 met drugshandel bezig te hebben gehouden. Er van uitgaand dat het EOB ook op die zaak betrekking heeft, zijn de details van dat onderzoek dus reeds bekend. Dan dringt de vraag zich op waarin de ernstige schade is gelegen als wij de beschikking krijgen over het EOB en de redenen om tot inbeslagneming over te gaan. Die vraag is niet beantwoord, althans niet kan blijken dat de Duitse autoriteiten gelet op die omstandigheden zijn gevraagd of er nog concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming door cliënte van dat stuk en daaraan ten grondslag liggende stukken.
Indachtig de uitspraak van de Hoge Raad had die vraag gesteld moeten worden en is het antwoord van belang voor de vraag of geheimhouding gehandhaafd moet blijven.
De verdediging verzoekt u daarom de zaak aan te houden en het IRC de opdracht te geven de Duitse autoriteiten naar de concrete bezwaren te vragen alvorens u beslist op het verzoek van de verdediging om van de stukken kennis te mogen nemen c.q dat het EOB en/of andere stukken dan die reeds zijn verstrekt geheim moeten blijven.”
3.4.
De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“2. Inhoud klaagschrift en standpunt klaagster
Het klaagschrift strekt tot teruggave van de op 30 maart 2021 op grond van artikel artikel 94 Wetboek Pro van Strafvordering [t]ijdens de doorzoeking van de woning van klaagster inbeslaggenomen aan klaagster in eigendom toebehorende mobiele telefoon, merk Samsung S9, kleur zwart, zoals vermeld in de kennisgeving van inbeslagname van 30 maart 2021.
De raadsvrouw voert aan de hand van haar ter zitting overgelegde pleitnota aan dat artikel 23, zesde lid Sv weliswaar bepaalt dat kennisneming van de stukken buiten toepassing wordt gelaten indien het belang van het onderzoek door kennisname van de stukken door belanghebbende ernstig wordt geschaad, maar dat uit de rolbeschikking van de Hoge Raad van 7 juli 2020 ECLI:NL:HR:2020:1227 blijkt dat het belang van een effectieve rechtsbescherming van de betrokkene kan meebrengen dat het openbaar ministerie in die situatie eerst aan de uitvaardigende autoriteit de vraag voorlegt of er concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming door de betrokkene van een bepaald stuk.
De raadsvrouw verzoekt gelet op het voorgaande om aanhouding van de behandeling van de zaak om aan de Duitse autoriteit voor te leggen of zij nog concrete bezwaren heeft tegen kennisneming van het EOB en het proces-verbaal van inbeslagname aangezien klaagster al beschikt over het EAB en dat de daarin aan klaagster verweten feiten waarschijnlijk gelijk zijn aan die van het EOB.
(…)
3. Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt dat de telefoon van klaagster op grond van een Duits EOB in beslag is genomen voor de waarheidsvinding in het Duitse strafrechtelijke onderzoek. In het EOB is verzocht om geheimhouding om het strafrechtelijk onderzoek niet te verstoren. De officier van justitie zal niet opnieuw aan de Duitse autoriteit verzoeken of zij de geheimhouding wenst voort te zetten. De Duitse autoriteit zal zich nog steeds op het standpunt stellen dat de geheimhouding moet worden gehandhaafd omdat het onderzoek nog gaande is. Bovendien is voldaan aan de in voornoemd arrest van de Hoge Raad genoemde effectieve rechtsbescherming van klaagster.
Op grond van het voorgaande verzet zij zich tegen aanhouding van de behandeling van de zaak en zal zij niet overgaan tot het verstrekken van het EAB [1] en het proces-verbaal van inbeslagname aan klaagster.
(…)
4. Het oordeel van de rechtbank.
Verzoek kennisneming stukken/verzoek aanhouding behandeling van de zaak.
De Duitse autoriteiten hebben verzocht om tenuitvoerlegging van het EOB met inachtneming van de geheimhouding van het onderzoek.
De rechtbank stelt vast dat klaagster de beschikking heeft over het EAB waarin de omschrijving van de verdenking tegen klaagster is opgenomen maar dat daarin geen gegevens van het Duitse strafrechtelijk onderzoek staan vermeld. De rechtbank ziet in het feit dat klaagster al de beschikking heeft over het EAB geen onderbouwing voor het standpunt van de verdediging dat bij de Duitse autoriteit moet worden nagevraagd of er nog concrete bezwaren zijn tegen verstrekking van het EOB en het proces-verbaal tot inbeslagname. Van belang daarbij is dat in een EOB onderzoekshandelingen worden vermeld die niet in een EAB worden vermeld en het verzoek tot geheimhouding ziet juist op het onderzoek.
Daarbij komt dat in de door de raadsvrouw aangehaalde en hiervoor vermelde rolbeschikking van de Hoge Raad is overwogen dat het belang van een effectieve rechtsbescherming van de betrokkene kan meebrengen dat het openbaar ministerie in die situatie eerst aan de uitvaardigende autoriteit de vraag voorlegt of er concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming door de betrokkene van een bepaald stuk. In dat licht bezien ligt het op de weg van klaagster om nader te onderbouwen waarin de potentiële schending van de effectieve rechtsbescherming van de belanghebbende ligt, anders dan dat klaagster vanwege de geheimhouding niet over alle informatie beschikt. Deze onderbouwing wordt door de raadsvrouw niet gegeven.
Voorts brengt het vertrouwensbeginsel mee dat er zonder concrete aanknopingspunten geen navraag kan worden gedaan bij de Duitse autoriteit of er nog concrete bezwaren zijn tegen kennisneming van de genoemde stukken aangezien zij om geheimhouding van het onderzoek hebben verzocht, zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 maart 2021 ECLI:NL:HR:2021:486 waarin onder meer het volgende is overwogen:
“In aanmerking genomen dat het hier gaat om de voldoening aan een rechtshulpverzoek, mocht de rechtbank uitgaan van wat de met het onderzoek in de Belgische strafzaak belaste autoriteiten die het rechtshulpverzoek hebben doen uitgaan aan de officier van justitie hebben medegedeeld over hetgeen de belangen van dat onderzoek vergden.”
Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw en ziet zij geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden.”
3.5.
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de rolbeschikking van de Hoge Raad van 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1227 mag worden afgeleid dat, hoewel geheimhouding regel is, er geen sprake mag zijn van automatisme bij de toepassing daarvan. Het belang van effectieve rechtsbescherming kan aanleiding zijn om de uitvaardigende autoriteiten te vragen of concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming van de desbetreffende stukken. Volgens de steller van het middel staat geheimhouding per definitie een effectieve rechtsbescherming in de weg. Daarbij komt dat het zonder stukken ook lastig is nader te onderbouwen waarin de potentiële schending van de effectieve rechtsbescherming van de belanghebbende ligt. Het zou voor de betrokkene dan ook onmogelijk zijn om een gewenste uitkomst te bereiken, omdat de regels dat vanwege deze tegenstrijdigheden niet toelaten. Ook wordt opgemerkt dat in het onderhavige geval niet is verzocht om de onthouding van de stukken ongedaan te maken, maar slechts is verzocht om het openbaar ministerie opdracht te geven om aan de Duitse autoriteiten te vragen of er (nog steeds) concrete bezwaren tegen kennisneming van het EOB bestaan. Nu de klaagster inmiddels het EAB heeft ontvangen zou dit een terechte vraag zijn en kan kennisneming door klaagster van informatie uit het EAB aanleiding zijn voor de Duitse autoriteiten om hun eerdere bezwaren tegen kennisneming van het EOB te laten varen. Het oordeel van de rechtbank dat voor een nadere vraagstelling geen reden is omdat de verdediging niet heeft aangegeven waarin de potentiële schending van de effectieve rechtsbescherming van de belanghebbende gelegen is zou gelet hierop, zonder nadere motivering die ontbreekt, onbegrijpelijk zijn. Ten slotte wordt nog opgemerkt dat de overweging van de rechtbank over het vertrouwensbeginsel een en ander niet anders maakt. De uitspraak waarnaar de rechtbank verwijst zou dit oordeel bovendien niet (mede) kunnen dragen, nu daaruit volgt dat in die procedure de uitvaardigende autoriteit het geheimhoudingsverzoek al uitdrukkelijk had gehandhaafd. Van handhaving door de Duitse autoriteiten kan in de onderhavige zaak niet blijken.
3.6.
De door de raadsvrouw aangehaalde rolbeschikking van de Hoge Raad van 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1227 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“3 Juridisch kader
Het toepasselijk juridisch kader is weergegeven in de rolconclusie van de advocaat‑generaal onder 4. In het bijzonder kan worden gewezen op de volgende bepalingen:
- Artikel 14 lid 1 en Pro 3 van de Richtlijn:
“1. De lidstaten zien erop toe dat op de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregelen rechtsmiddelen toepasselijk zijn die gelijkwaardig zijn met die welke in een vergelijkbare binnenlandse zaak mogelijk zijn.
(...)
3. Indien de geheimhouding van een onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, krachtens artikel 19, lid 1, nemen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit passende maatregelen om ervoor te zorgen dat er informatie wordt verstrekt over de in het nationale recht geboden mogelijkheden om rechtsmiddelen in te stellen, zodra die middelen van toepassing worden, en wel tijdig zodat zij daadwerkelijk kunnen worden toegepast.”
- Artikel 19 lid Pro 1, 2 en 3 van de Richtlijn:
“1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de uitvaardigende autoriteiten en de uitvoerende autoriteiten bij de tenuitvoerlegging van een EOB de geheimhouding van het onderzoek voldoende in acht nemen.
2. De uitvoerende autoriteit garandeert, overeenkomstig haar nationale recht, de geheimhouding van de feiten en de inhoud van het EOB, behalve voor zover deze gegevens met het oog op de tenuitvoerlegging van de onderzoeksmaatregelen moeten worden vrijgegeven. Indien de uitvoerende autoriteit niet in staat is aan de geheimhoudingsplicht te voldoen, stelt zij de uitvaardigende autoriteit hiervan onverwijld in kennis.
3. Overeenkomstig het nationale recht en tenzij anders bepaald door de uitvoerende autoriteit, zorgt de uitvaardigende autoriteit ervoor dat het bewijsmateriaal of de gegevens die door de uitvoerende autoriteit zijn verstrekt, niet worden vrijgegeven, behalve voor zover vrijgave nodig is met het oog op de in het EOB omschreven onderzoeken of procedures.”
- Artikel 23 lid 5 en Pro 6 Sv:
“5. Het openbaar ministerie legt aan de raadkamer de op de zaak betrekking hebbende stukken over. De verdachte en andere procesdeelnemers zijn, evenals hun raadsman of advocaat, bevoegd van de inhoud van deze stukken kennis te nemen.
6. Het tweede tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing, voor zover het belang van het onderzoek hierdoor ernstig wordt geschaad.”
- Artikel 5.4.10 lid 1 Sv:
“De betrokkene bij wie in het kader van uitvoering van een Europees onderzoeksbevel voorwerpen in beslag zijn genomen danwel gegevens zijn gevorderd, of bij wie gegevens zijn vastgelegd tijdens een doorzoeking of onderzoek in een geautomatiseerd werk, aan wie een vordering medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van gegevens is gedaan, of die een vordering heeft ontvangen om gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede de betrokkene bij wie ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, als bedoeld in artikel 125o, heeft plaatsgevonden wordt, indien de geheimhouding van het onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, in kennis gesteld van zijn bevoegdheid om binnen veertien dagen na kennisgeving een klaagschrift ingevolge artikel 552a in te dienen bij de rechtbank.”
(…)
4.5 Naar aanleiding van het gestelde in de rolconclusie van de advocaat-generaal onder 4.18 en 4.19 merkt de Hoge Raad het volgende op.
Uitgangspunt van artikel 19 van Pro de Richtlijn is dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de betrokken autoriteiten bij de tenuitvoerlegging van een EOB de geheimhouding van het onderzoek voldoende in acht nemen, en dat de uitvoerende autoriteit de geheimhouding van de feiten en de inhoud van het EOB garandeert. Tenzij uit het EOB of anderszins blijkt dat de uitvaardigende autoriteit de nakoming van die verplichting tot geheimhouding niet nodig acht, geldt deze verplichting ook in gevallen waarin na een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.4.10 lid 1 Sv op grond van artikel 552a Sv een klaagschrift is ingediend.
Deze verplichting staat er niet aan in de weg dat het openbaar ministerie op grond van artikel 23 lid 5 Sv Pro alle op de zaak betrekking hebbende stukken moet overleggen en dat de raadkamer die over het klaagschrift moet oordelen van die stukken kennisneemt. Wel zal deze verplichting doorgaans grond geven voor het oordeel dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad als de betrokkene en/of zijn raadsman kennis kunnen nemen van de stukken waaruit de inhoud van het EOB blijkt. In dat geval kan de raadkamer hun die kennisneming op de voet van artikel 23 lid 6 Sv Pro onthouden. Het belang van een effectieve rechtsbescherming van de betrokkene kan echter meebrengen dat het openbaar ministerie in die situatie eerst aan de uitvaardigende autoriteit de vraag voorlegt of er concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming door de betrokkene van een bepaald stuk.
In geval van cassatie geldt de in artikel 434 Sv Pro opgenomen verplichting tot het inzenden van het dossier aan de griffier van de Hoge Raad ook met betrekking tot de stukken waarvan de betrokkene en zijn raadsman geen kennis hebben kunnen nemen.”
3.7.
In de onder 3.6 genoemde zaak stond de verhouding tussen de plicht tot geheimhouding van het buitenlandse onderzoek en de waarborging van een effectieve uitoefening van het rechtsmiddel van beklag centraal. Het openbaar ministerie wordt in die zaak door de Hoge Raad mede verantwoordelijk gemaakt voor een effectieve rechtsbescherming in EOB-procedures. [2] Er kunnen zich situaties voordoen waarin het belang van een effectieve rechtsbescherming meebrengt dat het openbaar ministerie, alvorens de raadkamer op een verzoek tot kennisneming van stukken beslist, aan de uitvaardigende autoriteit de vraag voorlegt of er concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming door de betrokkene van een bepaald stuk.
3.8.
In het onderhavige geval is door de officier van justitie in raadkamer kenbaar gemaakt dat zij niet opnieuw aan de Duitse autoriteit zal verzoeken of zij de geheimhouding wenst voort te zetten van het EOB. Volgens de officier van justitie zal de Duitse autoriteit zich namelijk nog steeds op het standpunt stellen dat de geheimhouding moet worden gehandhaafd, omdat het onderzoek nog gaande is. Ook zou in deze zaak aan de in voornoemde rolbeschikking genoemde effectieve rechtsbescherming van de klaagster zijn voldaan. Volgens de verdediging kan het beklag niet effectief worden uitgeoefend zonder kennisneming van (op zijn minst) het EOB. De raadsvrouw neemt het standpunt in dat in de situatie dat geheimhouding niet direct voor de hand ligt (ik begrijp: zoals in het onderhavige geval), de uitvaardigende autoriteit moet worden gevraagd of er concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming door de betrokkene van een bepaald stuk.
3.9.
De rechtbank heeft uit de onder 3.6 genoemde rolbeschikking afgeleid dat het door het openbaar ministerie doen van navraag bij de uitvaardigende autoriteit of concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming van een bepaald stuk niet een verplichting betreft, zodat het op de weg van de klaagster ligt om nader te onderbouwen waarin de potentiële schending van de effectieve rechtsbescherming van de klaagster ligt. Gelet op de door de Hoge Raad in de rolbeschikking gebezigde bewoordingen en het daar vermelde juridische kader, geeft die uitleg naar ik meen geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel van de rechtbank dat de enkele omstandigheid dat de klaagster vanwege de geheimhouding niet over alle informatie beschikt een onvoldoende onderbouwing van het belang van effectieve rechtsbescherming oplevert, komt mij ook niet onbegrijpelijk voor. Voorts neem ik in aanmerking dat de klaagster weliswaar beschikt over het EAB met daarin een aan het EOB gelijkluidende vermelding van de jegens klaagster gerezen verdenking, maar de rechtbank naar ik meen terecht ook opmerkt dat een EOB onderzoekshandelingen vermeldt die niet in een EAB worden vermeld, terwijl het verzoek tot geheimhouding juist op die onderzoekshandelingen ziet. Door de verdediging is niet nader geconcretiseerd waarom kennisneming door klaagster van de in het EOB vermelde onderzoekshandelingen het belang van het onderzoek niet zou schaden. Het oordeel van de rechtbank dat het vertrouwensbeginsel voor het doen van navraag bij de uitvaardigende autoriteit of er nog concrete bezwaren zijn tegen kennisneming van de gewraakte stukken ook een nadere concretisering van het verdedigingsbelang vergt, acht ik evenmin onbegrijpelijk. Dat het in de door de rechtbank aangehaalde beschikking van de Hoge Raad zou gaan om een door de Belgische autoriteit gehandhaafd verzoek om geheimhouding maakt dit niet anders. De afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de zaak teneinde het IRC de opdracht te geven de Duitse autoriteiten naar de concrete bezwaren te vragen is derhalve toereikend gemotiveerd. [3]
3.10.
Het middel faalt.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Ik neem aan dat is bedoeld: het EOB.
2.In haar noot bij deze rolbeschikking betwijfelt J.W. Ouwerkerk of de verantwoordelijkheid voor rechtsbescherming bij het openbaar ministerie goed ligt. Zij bepleit dat de wetgever de volledige afschaffing van de verlofregeling in EOB procedures zou moeten heroverwegen en de EOB-regeling naar het voorbeeld van art. 5.1.10 lid 3 Sv alsnog van een verlofprocedure te voorzien voor die gevallen waarin het onderzoek geheim moet blijven, met als bijkomend voordeel dat de fragmentatie tussen de regelingen van titels 1 en 4 van boek 5 Sv weer een beetje minder wordt (
3.In de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken (PHR:2022:225; niet gepubliceerd) werd het verzoek om (partiële) inzage in het EOB en de daarbij behorende stukken door de rechtbank afgewezen omdat uit het verhandelde in raadkamer en de aan de rechtbank overgelegde stukken, waaronder het Europees onderzoeksbevel, voldoende aannemelijk was geworden dat, gelet op het verzoek van de Belgische onderzoeksrechter om geheimhouding, bezien in het licht van artikel 19 van Pro de Richtlijn, het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad indien (delen van) voornoemde stukken aan (de raadsvrouw van) klager worden verstrekt.