ECLI:NL:PHR:2022:289
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verdachte in cassatie wegens ontbreken middelen
De verdachte, geboren in 1975, werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 3 februari 2021 niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 17 juli 2019. Dit vonnis betrof een veroordeling wegens (winkel)diefstal tot een gevangenisstraf van één maand met aftrek van voorarrest.
De aanzegging van het cassatieberoep, zoals bedoeld in artikel 435, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, is op 21 april 2021 persoonlijk aan de verdachte in de Penitentiaire Inrichting te Vught uitgereikt. Ondanks deze geldige betekening zijn er namens de verdachte geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijk gestelde termijn.
Daarmee is niet voldaan aan artikel 437, tweede lid, Sv, waardoor de verdachte niet kan worden ontvangen in het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeert dan ook tot niet-ontvankelijkheid van de verdachte in het cassatieberoep. Er bestaat samenhang met twee andere zaken (21/00672 en 21/00674), waarvoor dezelfde conclusie geldt.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.