Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
onder bSr. Dit artikellid bepaalt dat vatbaar voor verbeurdverklaring zijn: voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan. De hiervoor op artikel 33a lid 1 onder a Sr toegesneden rechtspraak is in beginsel op deze situatie niet van toepassing.
opbrengstenbetroffen van het witwassen. Het hof heeft immers overwogen (ik herhaal): “
In het licht van deze vooropstelling stelt het hof vast dat in de onderliggende strafzaak de navolgende voorwerpen verbeurd zijn verklaard die kunnen worden aangemerkt als opbrengsten van het strafbare feit “witwassen”. Dat oordeel wordt in cassatie niet aangevochten en acht ik overigens ook niet onbegrijpelijk. [8]
”. Het heeft daartoe overwogen dat “ten tijde van het wijzen van het arrest van dit hof niet vaststond dat het in conservatoir beslag genomen geldbedrag daadwerkelijk ten laste van de veroordeelde in mindering gebracht zal kunnen worden op het totaal waarop zijn betalingsverplichting ziet
”. In aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 2.3.2 is vooropgesteld, had het Hof dit bedrag echter in mindering moeten brengen op de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting. Het middel is gegrond.”
onherroepelijktoegekende vordering van een (rechts)persoon strekkende tot vergoeding van diens schade als gevolg van het feit waarop de ontnemingsvordering (mede) steunt, indien en voor zover tegenover die schade een daarmee corresponderend voordeel voor de veroordeelde staat. [11] , [12] Is de vordering van de benadeelde derde nog niet onherroepelijk in rechte toegekend, dan is de rechter bevoegd de vordering in mindering te brengen op het ontnemingsbedrag, maar daartoe is hij niet verplicht. [13]