ECLI:NL:PHR:2022:332

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 april 2022
Publicatiedatum
4 april 2022
Zaaknummer
21/01289
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94a SvArt. 311 SrArt. 416 SrArt. 36e SrArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over uitleg conservatoir beslag bij ontnemingsmaatregel en geldboete vijfde categorie

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag die een klaagschrift gegrond verklaarde tot opheffing van conservatoir beslag op geldbedragen van de klager. De klager was veroordeeld voor gekwalificeerde diefstallen en opzetheling. De rechtbank oordeelde dat conservatoir beslag op grond van art. 94a lid 2 Sv slechts mogelijk is voor feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en niet voor ontnemingsvorderingen die gebaseerd zijn op feiten met een lagere categorie geldboete. De officier van justitie stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.

De Hoge Raad analyseerde de wetsgeschiedenis en de tekst van art. 94a Sv en art. 36e Sr. Hij concludeerde dat de rechtbank een te beperkte uitleg gaf aan de zinsnede "naar aanleiding van dat misdrijf" in art. 94a lid 2 Sv. Volgens de Hoge Raad kan conservatoir beslag ook worden gelegd ten behoeve van ontnemingsmaatregelen die betrekking hebben op andere feiten dan het misdrijf waarvoor de verdenking of veroordeling met een geldboete van de vijfde categorie geldt, zolang aan die voorwaarde is voldaan.

De Hoge Raad stelt dat de bedoeling van de wetgever dat conservatoir beslag alleen mogelijk is bij verdenking of veroordeling van een zwaar feit (geldboete vijfde categorie) blijft bestaan, maar dat dit beslag ook kan dienen voor verhaal van ontnemingsmaatregelen die betrekking hebben op minder zware feiten. De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing naar de rechtbank Den Haag voor hernieuwde beoordeling.

De procedure benadrukt het summiere karakter van het klaagschriftonderzoek en het belang van een juiste interpretatie van de wettelijke bepalingen omtrent conservatoir beslag en ontnemingsmaatregelen. De uitspraak draagt bij aan de rechtsontwikkeling over de reikwijdte van conservatoir beslag bij strafrechtelijke ontnemingsvorderingen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug voor herbeoordeling met een ruimere uitleg van art. 94a lid 2 Sv.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/01289 B
Zitting5 april 2022
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager] ,
Geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de klager.

1.Het cassatieberoep

1.1.
De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 23 februari 2021 het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag en tot teruggave aan de klager van de onder hem op grond van art. 94a Sv conservatoir in beslag genomen geldbedragen van € 1.230,- en € 550,-, gegrond verklaard.
1.2.
Tegen deze beschikking is door de officier van justitie cassatieberoep ingesteld.
1.3.
De plaatsvervangend officier van justitie, mr. H.H.J. Knol, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Dit middel is gericht tegen de gegrondverklaring van het klaagschrift. Namens de klager heeft mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te Den Haag, het cassatieberoep tegengesproken.

2.De procedure

2.1.
Op grond van de gedingstukken kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan.
2.2.
Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 18 mei 2018 is de klager – voor zover hier relevant – veroordeeld voor drie gekwalificeerde diefstallen (art. 311 Sr Pro) en voor opzetheling (art. 416 Sr Pro). In de strafprocedure hebben zich geen slachtoffers als benadeelde partij gevoegd. Zowel de klager als de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
2.3.
Gelet op de verdenking heeft de rechter-commissaris op 19 april 2019 op vordering van de officier van justitie een machtiging verleend tot het leggen van conservatoir beslag tot een bedrag van € 119.713,87. Dit beslag dient, blijkens de verleende machtiging, tot bewaring van het recht op verhaal voor een door de rechter op te leggen ontnemingsmaatregel en schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 94a lid 2 en lid 3 Sv.
2.4.
Op 19 juni 2019 heeft de officier van justitie de klager als veroordeelde opgeroepen in verband met een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel voor een bedrag van € 72.155,41. De behandeling van de ontnemingsvordering is aangehouden in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep in de strafzaak.
2.5.
Op 3 augustus 2019 en 18 september 2019 is onder de klager conservatoir beslag gelegd op geldbedragen van respectievelijk € 1.230,- en € 550,-.
2.6.
Namens de klager is op 30 oktober 2020 een op art. 552a Sv gebaseerd klaagschrift ingediend, strekkende tot opheffing van het beslag en tot teruggave van de onder de klager in beslag genomen geldbedragen. Het klaagschrift is op 9 februari 2021 in openbare raadkamer behandeld. De enkelvoudige raadkamer van de rechtbank heeft daar op 23 februari 2021 op beslist.

3.De beschikking

3.1.
De rechtbank heeft in haar beschikking van 23 februari 2021 hetgeen door partijen is aangevoerd als volgt samengevat:

Het standpunt van klagerKlager heeft bij klaagschrift ingekomen op 30 oktober 2020 verzocht om opheffing van de conservatoire beslagen die - zo begrijpt de rechtbank - krachtens machtiging van de rechter-commissaris alhier d.d. 19 april 2019 op gelden van klager zijn gelegd op 3 augustus en 18 september 2019. Nu klager – onder andere – is veroordeeld wegens artikel 311 Sr Pro kan geen conservatoir beslag worden gelegd omdat dit geen misdrijf is waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Klager is in hetzelfde vonnis veroordeeld voor opzetheling. Dit feit heeft geen enkele invloed op de aanhangige ontnemingszaak omdat met dit feit evident geen voordeel is verkregen. De ontnemingsrapportage is gebaseerd op de gekwalificeerde diefstallen en niet op de opzetheling.
In eerste aanleg heeft zich geen benadeelde partij gesteld, reden waarom de rechtbank in het vonnis van 18 mei 2018 geen schadevergoedingsmaatregel aan klager heeft opgelegd. De machtiging conservatoir beslag kan daarom ook geen betrekking hebben op een schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitieDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen teruggave. De klager is veroordeeld voor een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd (opzetheling) en het wederrechtelijke verkregen voordeel is behaald naar aanleiding van dat misdrijf. “Naar aanleiding van dat misdrijf’ omvat mede andere misdrijven die voordeel hebben opgeleverd in de zin van artikel 36e Sr. Het beklag moet ongegrond worden verklaard.”
3.2.
De rechtbank heeft het klaagschrift gegrond verklaard en daartoe overwogen:

Het oordeel van de rechtbankKlager is bij vonnis d.d. 18 mei 2018 veroordeeld voor een aantal gekwalificeerde diefstallen en opzetheling. In de procedure hebben zich geen slachtoffers als benadeelde partijen gevoegd. Zowel klager als de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld.
Op 19 juni 2019 heeft de officier van justitie een ontnemingsdagvaarding uitgebracht ter hoogte van € 72.155,41. De ontnemingszaak is aangehouden in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep.
Krachtens machtiging van de rechter-commissaris d.d. 19 april 2019 om conservatoir beslag te leggen tot een bedrag van € 119.713, 87 (zijnde het bedrag van het te ontnemen wederrechtelijk voordeel (€ 72.155,41) plus de door de slachtoffers te verhalen schade (€ 47.558,46)) heeft de officier van justitie op 3 augustus 2019 en 18 september 2019 conservatoir beslag doen leggen op respectievelijk € 1.230,00 en € 550,00 aan gelden toebehorend aan klager.
Gelet op de respectievelijke standpunten van de klager en de officier van justitie is de uitleg van artikel 94a Wetboek van Strafvordering (Sv) aan de orde.
Artikel 94a Sv luidt als volgt
1 In geval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete.
2 In geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslag genomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
3 Ingeval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
De memorie van toelichting t.a.v. het tweede lid omvat het volgende:
“In combinatie met de voorgestelde verhoging van de maximumduur van de vervangende hechtenis, acht de ondergetekende het voldoende de mogelijkheid van conservatoir beslag tot zekerheid voor de tenuitvoerlegging van geldboeten te beperken tot gevallen waarin sprake is van een verdenking wegens feiten, waarop geldboeten van de hoogste, de vijfde, categorie zijn gesteld. Ditzelfde criterium is aangelegd voor het kunnen leggen van conservatoir beslag tot zekerheid van de tenuitvoerlegging van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.” [1]
In artikel 94a Sv heeft de wetgever kennelijk grenzen willen stellen aan de gevallen waarin conservatoir beslag kan worden gelegd, te weten verdenking van of veroordeling voor een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd voor verhaal van de geldboete of ontneming van het wederrechtelijke verkregen voordeel, en een geldboete van de vierde categorie voor verhaal ter zake van schadevergoeding. Het voorgaande brengt mee dat in geval van een verdenking van of veroordeling voor een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd, geen conservatoir beslag kan worden gelegd ter zake ontneming van “naar aanleiding van dat misdrijf” verkregen wederrechtelijk voordeel.
Terecht heeft klager erop gewezen dat eventuele vorderingen die door slachtoffers van de diefstallen zullen worden ingesteld in het hoger beroep niet ontvankelijk zullen zijn, nu zij zich in eerste aanleg niet hebben gevoegd als benadeelde partijen. Voor zover het beslag is gelegd ter zake de veroordeling voor de diefstallen is het naar oordeel van de rechtbank daarom hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter de schadevergoeding zal toewijzen in een strafprocedure. Voor zover het beslag is gelegd op grond van de opzetheling is het hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel naar aanleiding van die heling zal toewijzen nu de ontnemingsvordering uitsluitend is gebaseerd op de diefstallen, en niet (mede) de opzetheling - de diefstallen zijnde misdrijven waarvoor conservatoir beslag in verband met een ontnemingsvordering niet is toegestaan. De door de officier van justitie voorgestelde lezing van “naar aanleiding van dat misdrijf” zou deze beperking teniet doen. Immers brengt die lezing mee dat in alle gevallen van verdenking van een feit waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, conservatoir beslag zou kunnen worden gelegd voor ontneming van voordeel voorvloeiend uit om het even welk ander feit (in de zin van artikel 36e Sr).
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het beklag gegrond moet worden verklaard en dat de op grond van de machtiging d.d. 19 april 2019 in beslag genomen goederen moeten worden teruggegeven aan klager.”

4.Het middel

4.1.
In het middel wordt geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat conservatoir beslag in verband met een ontnemingsvordering die (louter) is gebaseerd op wederrechtelijk verkregen voordeel uit de door de rechtbank bewezenverklaarde diefstallen, niet is toegestaan. Volgens de steller van het middel is dit oordeel onjuist en gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting en heeft de rechtbank hierdoor ten onrechte het beklag gegrond verklaard en een last tot teruggave gegeven van de onder de klager in beslag genomen geldbedragen. In het middel wordt aangegeven dat het in de onderhavige zaak weliswaar gaat om relatief geringe bedragen, maar dat in de rechtspraktijk behoefte bestaat aan duidelijkheid (en dat – zo begrijp ik – mede om die reden de cassatie is doorgezet).
4.2.
De rechtbank heeft vastgesteld dat in de onderhavige zaak onder klager zowel op grond van art. 94a lid 2 Sv als op grond van art. 94a lid 3 Sv conservatoir beslag is gelegd op twee geldbedragen wegens de verdenking van gekwalificeerde diefstallen (art. 311 Sr Pro) en opzetheling (art. 416 Sr Pro). Het middel ziet alleen op het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het beklag over het beslag ex art. 94a lid 2 Sv.
4.3.
Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wetsartikelen van belang. [2] Art 94a Sv:
“1. In geval van verdenking van een misdrijf, waarvoor
een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een
ter zake van dat misdrijfop te leggen geldboete.
2. In geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf, waarvoor
een geldboete van de vijfde categoriekan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslag genomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een
naar aanleiding van dat misdrijfop te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
3. Ingeval van verdenking van een misdrijf, waarvoor
een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een
ter zake van dat misdrijfop te leggen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. (…)”
Art. 36e Sr:
“1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit
of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
3. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf
of andere strafbare feitenop enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. In dat geval kan ook worden vermoed dat:
a. uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten, of;
b. voorwerpen die in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf aan de veroordeelde zijn gaan toebehoren voordeel belichamen als bedoeld in het eerste lid, tenzij aannemelijk is dat aan de verkrijging van die voorwerpen een legale bron van herkomst ten grondslag ligt.
(…)”
Art. 311 Sr Pro:
“Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft: (…)
4° diefstal door twee of meer verenigde personen;
5° diefstal waarbij de schuldige (…) het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak (…) van valse sleutels (…).”
Art. 416 Sr Pro:
“Als schuldig aan opzetheling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:
a. hij die een goed (…) voorhanden heeft (…) terwijl hij ten tijde van (…) het voorhanden krijgen van het goed (…) wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof (…).”
4.4.
Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt. Daaraan ligt ten grondslag dat de beklagrechter niet ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren ontnemingsprocedure dient te treden of daarop vooruit dient te lopen. [3]
4.5.
Bij de beoordeling van een klaagschrift gericht tegen een op de voet van art. 94a lid 1 en lid 2 Sv gelegd (conservatoir) beslag dient de rechter te onderzoeken a) of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b) of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. [4] De onder a) gestelde vraag noem ik hierna ook wel ‘de voorvraag’ [5] , de onder b) gestelde vraag ‘de vervolgvraag’.
4.6.
De rechtbank heeft het onder 4.4 en 4.5 aangehaalde toetsingskader toegepast door de voorvraag en de vervolgvraag te combineren en te onderzoeken of het hoogst onwaarschijnlijk is dat aan de klager te zijner tijd een ontnemingsmaatregel als bedoeld in art. 36e Sr zal worden opgelegd wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit opzetheling (art. 416 Sr Pro). De rechtbank heeft geoordeeld dat dit hoogst onwaarschijnlijk is omdat de ontnemingsvordering uitsluitend is gebaseerd op de door de rechtbank in de strafzaak bewezen verklaarde diefstallen en niet (mede) op de opzetheling. Verder heeft zij geoordeeld dat conservatoir beslag in verband met een ontnemingsvordering, gebaseerd op voordeel verkregen uit de gekwalificeerde diefstallen (art. 311 Sr Pro) niet is toegestaan omdat – zo begrijp ik het oordeel van de rechtbank – dit geen feiten zijn waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. [6] Voor opzetheling kan wel een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd, maar daarvoor heeft de rechtbank – als gezegd – een ontneming hoogst onwaarschijnlijk bevonden.
4.7.
In de toelichting op het middel wordt geklaagd over de rechtsopvatting die ten grondslag ligt aan het oordeel van de rechtbank dat de beslagmogelijkheid van art. 94a lid 2 Sv slechts is beperkt tot bewaring van het recht tot verhaal voor ontneming met betrekking tot feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Het verschil in opvatting tussen de steller van het middel en de rechtbank spitst zich toe op de vraag hoe de wettekst van art. 94a lid 2 Sv, meer in het bijzonder de zinsnede ‘naar aanleiding van dat misdrijf’, moet worden uitgelegd. Volgens de rechtbank kan enkel conservatoir beslag worden gelegd voor misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. De steller van het middel meent dat dit beslag ook kan worden gelegd voor feiten waarvoor – zoals in casu – een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd zolang er maar ook sprake is van een verdenking of een veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.
4.8.
De rechtbank ziet steun voor haar opvatting in de memorie van toelichting [7] bij de invoering van art. 94a lid 2 Sv waaruit kan worden afgeleid dat de wetgever grenzen heeft willen stellen aan de gevallen waarin conservatoir beslag kan worden gelegd. Die grens ligt in het geval van art. 94a lid 2 Sv bij een verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Die lijn moet volgens de rechtbank worden doorgetrokken bij de beantwoording van de vervolgvraag of het hoogst onwaarschijnlijk is dat naar aanleiding van dat misdrijf een ontnemingsmaatregel wordt opgelegd. Een andere (en ruimere) interpretatie van de woorden “naar aanleiding van dat misdrijf” in art. 94a lid 2 Sv zou volgens de rechtbank de door de wetgever gestelde grenzen teniet doen.
4.9.
In het verweerschrift wordt namens de klager ook nog gewezen op de volgende passage uit de wetsgeschiedenis:
“Het lid van de fractie van de RPF heeft zich afgevraagd
waarom de mogelijkheid van conservatoir beslag voor de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk voordeel is beperkt tot gevallen waarin een misdrijf speelt waarop een geldboete van de vijfde categorie is gesteld. Het conservatoire beslag kan, aldus het lid, ook dienstig zijn bij «mindere» delicten. Dat laatste moet vanzelfsprekend worden erkend; niettemin, meen ik, moet erop worden gewezen dat bij de toekenning van strafvorderlijke mogelijkheden altijd een afweging aan de orde is waarin enerzijds meespeelt de mate waarin daarmee op eenvoudiger wijze het beoogde doel wordt bereikt en anderzijds telt hoe vaak inbreuk kan worden gemaakt en hoe ingrijpend deze inbreuken in het dagelijks leven van (verdachte) burgers zullen zijn. Ter adstructie kan erop worden gewezen dat ook de toepasselijkheid van vrijheidsbenemende dwangmiddelen is gekoppeld aan zwaarte van het feit waarvan iemand wordt verdacht (vgl. art. 67 Sv Pro).
Gelet op de verstrekkende gevolgen van het beslag - de beslagene verliest de mogelijkheden om op de normale wijze over de beslagen objecten (bankrekeningen, onroerend goed, auto's) te beschikken - is ervoor gekozen deze mogelijkheid slechts te openen indien het gaat om dezelfde zware (vermogens)delicten die tot de instelling van een strafrechtelijk financieel onderzoek aanleiding kunnen geven.
4.10.
Het is juist dat uit voornoemde passages volgt dat de wetgever de mogelijkheid van conservatoir beslag alleen heeft willen creëren voor ‘zware’ delicten. Dat is de voorvraag. Als er in het geheel geen sprake is van een verdenking van (of veroordeling voor) een misdrijf waarop een geldboete van de vijfde categorie is gesteld, is er geen conservatoir ontnemingsbeslag mogelijk en komt de vervolgvraag niet aan de orde. [8] Waar het nu om gaat is of de voorwaarde van een misdrijf waarop een geldboete is gesteld van de vijfde categorie ook heeft te gelden voor de vervolgvraag, dus of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter later oordelend ‘
ter zake vandat misdrijf’
een geldboetezal opleggen (art. 94a lid 1 Sv) of ‘
naar aanleiding vandat misdrijf’
een ontnemingsmaatregelzal opleggen (art. 94a lid 2 Sv). Met betrekking tot art. 94a lid 1 Sv laat de tekst van de wet hierover geen misverstand bestaan: er staat immers dat het moet gaan om een geldboete die wordt opgelegd ‘
ter zake van’ dat ‘zware’ delict. Dat ligt anders bij art. 94a lid 2 Sv. De daar gebezigde formulering ‘
naar aanleiding van’ dat ‘zware’ delict is ruimer. [9] Ik licht dat nader toe.
4.11.
Evenals de steller van het middel heb ook ik in de wetsgeschiedenis
niet explicietkunnen achterhalen waarom voor het verschil in terminologie is gekozen. De steller van het middel heeft in dit verband opgemerkt dat bij de totstandkoming van de Wet van 26 juni 2013 tot aanpassing van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof in verband met de introductie van de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen op het vermogen van de verdachte ten behoeve van het slachtoffer de vraag naar het verschil in terminologie van art. 94a Sv wel is gesteld. [10] De toenmalig staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft daar slechts op gereageerd door te verwijzen naar een wijziging van de woorden ’terzake' in 'ter zake' in het huidige lid 4 (PF: bedoeld zal zijn lid 3) van art. 94a Sv. [11]
4.12.
In het conceptwetsvoorstel tot vaststelling van Boek 2 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering is de inhoud van art. 94a Sv ondergebracht in conceptartikel 2.7.2.1.2 juncto artikel 2.7.2.3.1. Inhoudelijk wordt de regeling van het conservatoir beslag niet gewijzigd; er is alleen sprake van enkele redactionele vereenvoudigingen, zo blijkt uit de memorie van toelichting. [12] Het verschil in de hiervoor besproken terminologie ‘
ter zake vandat misdrijf’ bij een op te leggen geldboete en ‘
naar aanleiding vandat misdrijf’ bij een op te leggen ontnemingsmaatregel blijft bestaan. En ook nu wordt hier – als ik het goed zie – geen woord aan gewijd.
4.13.
Met de steller van het middel ben ik van mening dat het verschil in terminologie enkel kan en moet worden begrepen tegen de achtergrond van art. 36e lid 2 en 3 Sr waarin is bepaald dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet alleen mogelijk is ter zake van het strafbare feit waarvoor de verdachte is veroordeeld, maar ook voor
andere feitendie op grond van art. 36e Sr voor ontneming van wederrechtelijk voordeel in aanmerking komen. Vanaf de invoering van art. 36e Sr heeft de wetgever er geen misverstand over laten bestaan dat voor het opleggen van de ontnemingsmaatregel geen rechtstreekse relatie is vereist tussen het misdrijf waarvoor is veroordeeld en het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel. [13] Ook als er geen voordeel is behaald uit het feit waarvoor is veroordeeld, is ontneming mogelijk van voordeel dat is behaald uit andere feiten. Aangezien “het conservatoir beslag (ertoe) strekt (…) het verhaal te verzekeren van een opgelegde geldboete of ontnemingsmaatregel”, [14] moet vanuit oogpunt van wetsystematiek de conservatoire inbeslagneming van art. 94a lid 2 Sv ook mogelijk worden geacht ten behoeve van feiten waarvoor geen geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, zolang maar is voldaan aan de voorvraag, dus dat ook sprake is van een verdenking of veroordeling van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. [15]
4.14.
Steun voor deze opvatting ontleen ik ook aan de wijze waarop de Hoge Raad in zijn standaardbeschikking van 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823,
NJ2010, 654 m.nt. P.A.M. Mevis, in rov. 2.14 het hiervoor onder randnr. 4.5 aangehaalde toetsingskader heeft geformuleerd. Bij de vervolgvraag wordt niet aangehaakt bij de voorvraag. Dat deed de Hoge Raad ook niet in zijn eerdere beschikking van 21 september 1999, LJN ZD1907,
NJ2000, 161. Sterker nog: in die laatste beschikking voegde hij aan het toetsingskader toe: “Laatstbedoeld onderzoek (
PF: naar de vervolgvraag) zal dienen te geschieden tegen de achtergrond van het wettelijk systeem zoals hiervoor onder 3.2 is geschetst.” Bij dat wettelijk systeem had de Hoge Raad expliciet ook de regeling van art. 36e Sr betrokken.
4.15.
Met de hier voorgestane benadering blijft de bedoeling van de wetgever dat conservatoir beslag alleen mogelijk is in geval van verdenking van of veroordeling voor een zwaar feit nog steeds bestaan. Dat dit conservatoir beslag later (tevens en zelf uitsluitend) kan dienen als verhaal ter ontneming van minder zware feiten doet aan die bedoeling niet af. De drempel tot inbeslagname blijft immers bestaan, zodat – overeenkomstig de bedoeling van de wetgever – niet lichtvaardig tot conservatoir beslag kan worden overgegaan.
4.16.
Naar mijn oordeel is de rechtbank bij haar beoordeling van het klaagschrift uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt op grammaticale, wetsystematische en teleologische gronden.

5.De conclusie

5.1.
Het middel slaagt.
5.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing naar de rechtbank Den Haag, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Kamerstukken 21504, nr. 3, Memorie van Toelichting, p. [19-] 20.
2.Vetgedrukte cursivering is telkens van mij (PF).
3.HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823,
4.HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823,
5.De steller van het middel spreekt over “een soort ontvankelijkheidsdrempel”.
6.Ik merk op dat op grond van art. 311 lid 2 Sr Pro bij – kort gezegd – een woninginbraak of het medeplegen van een diefstal uit een woning wel een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, maar daarvan is hier geen sprake.
8.Dat is enkel anders bij minderjarigen. In art. 488a Sv is ten aanzien van minderjarigen bepaald dat voor conservatoire beslaglegging een misdrijf waarop een geldboete van de vierde categorie is gesteld volstaat.
9.NB: In art. 94a lid 3 Sv – waar het conservatoir beslag ten behoeve van het verhaal van een schadevergoedingsmaatregel is geregeld – gaat het om een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd. Daar wordt evenals in lid 1 de zinsnede ‘
12.Voorstel van wet tot vaststelling van Boek 2 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering inhoudende bepalingen over het opsporingsonderzoek in verband met de modernisering van het Wetboek van Strafvordering (Vaststellingswet Boek 2 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Het opsporingsonderzoek)). (concept) Memorie van Toelichting.
15.Vgl. Hoendervoogt/Lambertina in Tekst en Commentaar Strafvordering, art. 94a Sv, aant. 3 en Melai/Groenhuijsen, art. 94a Sv, aant. 3 welke aantekening verwijst naar art. 36e (oud) Sr.