Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De procedure
3.De beschikking
Het standpunt van klagerKlager heeft bij klaagschrift ingekomen op 30 oktober 2020 verzocht om opheffing van de conservatoire beslagen die - zo begrijpt de rechtbank - krachtens machtiging van de rechter-commissaris alhier d.d. 19 april 2019 op gelden van klager zijn gelegd op 3 augustus en 18 september 2019. Nu klager – onder andere – is veroordeeld wegens artikel 311 Sr Pro kan geen conservatoir beslag worden gelegd omdat dit geen misdrijf is waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Klager is in hetzelfde vonnis veroordeeld voor opzetheling. Dit feit heeft geen enkele invloed op de aanhangige ontnemingszaak omdat met dit feit evident geen voordeel is verkregen. De ontnemingsrapportage is gebaseerd op de gekwalificeerde diefstallen en niet op de opzetheling.
Het standpunt van de officier van justitieDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen teruggave. De klager is veroordeeld voor een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd (opzetheling) en het wederrechtelijke verkregen voordeel is behaald naar aanleiding van dat misdrijf. “Naar aanleiding van dat misdrijf’ omvat mede andere misdrijven die voordeel hebben opgeleverd in de zin van artikel 36e Sr. Het beklag moet ongegrond worden verklaard.”
Het oordeel van de rechtbankKlager is bij vonnis d.d. 18 mei 2018 veroordeeld voor een aantal gekwalificeerde diefstallen en opzetheling. In de procedure hebben zich geen slachtoffers als benadeelde partijen gevoegd. Zowel klager als de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld.
Op 19 juni 2019 heeft de officier van justitie een ontnemingsdagvaarding uitgebracht ter hoogte van € 72.155,41. De ontnemingszaak is aangehouden in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep.
Artikel 94a Sv luidt als volgt
1 In geval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete.
2 In geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslag genomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
3 Ingeval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
De memorie van toelichting t.a.v. het tweede lid omvat het volgende:
“In combinatie met de voorgestelde verhoging van de maximumduur van de vervangende hechtenis, acht de ondergetekende het voldoende de mogelijkheid van conservatoir beslag tot zekerheid voor de tenuitvoerlegging van geldboeten te beperken tot gevallen waarin sprake is van een verdenking wegens feiten, waarop geldboeten van de hoogste, de vijfde, categorie zijn gesteld. Ditzelfde criterium is aangelegd voor het kunnen leggen van conservatoir beslag tot zekerheid van de tenuitvoerlegging van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.” [1]
Terecht heeft klager erop gewezen dat eventuele vorderingen die door slachtoffers van de diefstallen zullen worden ingesteld in het hoger beroep niet ontvankelijk zullen zijn, nu zij zich in eerste aanleg niet hebben gevoegd als benadeelde partijen. Voor zover het beslag is gelegd ter zake de veroordeling voor de diefstallen is het naar oordeel van de rechtbank daarom hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter de schadevergoeding zal toewijzen in een strafprocedure. Voor zover het beslag is gelegd op grond van de opzetheling is het hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel naar aanleiding van die heling zal toewijzen nu de ontnemingsvordering uitsluitend is gebaseerd op de diefstallen, en niet (mede) de opzetheling - de diefstallen zijnde misdrijven waarvoor conservatoir beslag in verband met een ontnemingsvordering niet is toegestaan. De door de officier van justitie voorgestelde lezing van “naar aanleiding van dat misdrijf” zou deze beperking teniet doen. Immers brengt die lezing mee dat in alle gevallen van verdenking van een feit waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, conservatoir beslag zou kunnen worden gelegd voor ontneming van voordeel voorvloeiend uit om het even welk ander feit (in de zin van artikel 36e Sr).
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het beklag gegrond moet worden verklaard en dat de op grond van de machtiging d.d. 19 april 2019 in beslag genomen goederen moeten worden teruggegeven aan klager.”
4.Het middel
een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een
ter zake van dat misdrijfop te leggen geldboete.
een geldboete van de vijfde categoriekan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslag genomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een
naar aanleiding van dat misdrijfop te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een
ter zake van dat misdrijfop te leggen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. (…)”
of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
of andere strafbare feitenop enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. In dat geval kan ook worden vermoed dat:
waarom de mogelijkheid van conservatoir beslag voor de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk voordeel is beperkt tot gevallen waarin een misdrijf speelt waarop een geldboete van de vijfde categorie is gesteld. Het conservatoire beslag kan, aldus het lid, ook dienstig zijn bij «mindere» delicten. Dat laatste moet vanzelfsprekend worden erkend; niettemin, meen ik, moet erop worden gewezen dat bij de toekenning van strafvorderlijke mogelijkheden altijd een afweging aan de orde is waarin enerzijds meespeelt de mate waarin daarmee op eenvoudiger wijze het beoogde doel wordt bereikt en anderzijds telt hoe vaak inbreuk kan worden gemaakt en hoe ingrijpend deze inbreuken in het dagelijks leven van (verdachte) burgers zullen zijn. Ter adstructie kan erop worden gewezen dat ook de toepasselijkheid van vrijheidsbenemende dwangmiddelen is gekoppeld aan zwaarte van het feit waarvan iemand wordt verdacht (vgl. art. 67 Sv Pro).
Gelet op de verstrekkende gevolgen van het beslag - de beslagene verliest de mogelijkheden om op de normale wijze over de beslagen objecten (bankrekeningen, onroerend goed, auto's) te beschikken - is ervoor gekozen deze mogelijkheid slechts te openen indien het gaat om dezelfde zware (vermogens)delicten die tot de instelling van een strafrechtelijk financieel onderzoek aanleiding kunnen geven.”
ter zake vandat misdrijf’
een geldboetezal opleggen (art. 94a lid 1 Sv) of ‘
naar aanleiding vandat misdrijf’
een ontnemingsmaatregelzal opleggen (art. 94a lid 2 Sv). Met betrekking tot art. 94a lid 1 Sv laat de tekst van de wet hierover geen misverstand bestaan: er staat immers dat het moet gaan om een geldboete die wordt opgelegd ‘
ter zake van’ dat ‘zware’ delict. Dat ligt anders bij art. 94a lid 2 Sv. De daar gebezigde formulering ‘
naar aanleiding van’ dat ‘zware’ delict is ruimer. [9] Ik licht dat nader toe.
niet explicietkunnen achterhalen waarom voor het verschil in terminologie is gekozen. De steller van het middel heeft in dit verband opgemerkt dat bij de totstandkoming van de Wet van 26 juni 2013 tot aanpassing van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof in verband met de introductie van de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen op het vermogen van de verdachte ten behoeve van het slachtoffer de vraag naar het verschil in terminologie van art. 94a Sv wel is gesteld. [10] De toenmalig staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft daar slechts op gereageerd door te verwijzen naar een wijziging van de woorden ’terzake' in 'ter zake' in het huidige lid 4 (PF: bedoeld zal zijn lid 3) van art. 94a Sv. [11]
ter zake vandat misdrijf’ bij een op te leggen geldboete en ‘
naar aanleiding vandat misdrijf’ bij een op te leggen ontnemingsmaatregel blijft bestaan. En ook nu wordt hier – als ik het goed zie – geen woord aan gewijd.
andere feitendie op grond van art. 36e Sr voor ontneming van wederrechtelijk voordeel in aanmerking komen. Vanaf de invoering van art. 36e Sr heeft de wetgever er geen misverstand over laten bestaan dat voor het opleggen van de ontnemingsmaatregel geen rechtstreekse relatie is vereist tussen het misdrijf waarvoor is veroordeeld en het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel. [13] Ook als er geen voordeel is behaald uit het feit waarvoor is veroordeeld, is ontneming mogelijk van voordeel dat is behaald uit andere feiten. Aangezien “het conservatoir beslag (ertoe) strekt (…) het verhaal te verzekeren van een opgelegde geldboete of ontnemingsmaatregel”, [14] moet vanuit oogpunt van wetsystematiek de conservatoire inbeslagneming van art. 94a lid 2 Sv ook mogelijk worden geacht ten behoeve van feiten waarvoor geen geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, zolang maar is voldaan aan de voorvraag, dus dat ook sprake is van een verdenking of veroordeling van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. [15]
NJ2010, 654 m.nt. P.A.M. Mevis, in rov. 2.14 het hiervoor onder randnr. 4.5 aangehaalde toetsingskader heeft geformuleerd. Bij de vervolgvraag wordt niet aangehaakt bij de voorvraag. Dat deed de Hoge Raad ook niet in zijn eerdere beschikking van 21 september 1999, LJN ZD1907,
NJ2000, 161. Sterker nog: in die laatste beschikking voegde hij aan het toetsingskader toe: “Laatstbedoeld onderzoek (
PF: naar de vervolgvraag) zal dienen te geschieden tegen de achtergrond van het wettelijk systeem zoals hiervoor onder 3.2 is geschetst.” Bij dat wettelijk systeem had de Hoge Raad expliciet ook de regeling van art. 36e Sr betrokken.