Conclusie
advocaat: A.H. Vermeulen
advocaten: J.W.H. van Wijk en J.W. de Jong
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
terrein Staatsduin (...) gelegen op (...) [plaats] , ten noorden van [het dorp]” in erfpacht uitgegeven aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .
met de daarop aanwezige opstal bestaande uit een woonhuis met toebehoren”, verkregen. [3]
“(...) Ondanks die maatregelen heeft de soort zich ten opzichte van 2013 sterk uitgebreid (...). (...) Inmiddels komt de soort veelvuldig voor. Ook het invasieve karakter van de soort wordt duidelijk. Op sommige plekken wordt de waterkolom en aangrenzende oeverzone bijna volledig door de soort in beslag genomen. De range van de soort is enorm. Ook op de hogere delen komt de soort, weliswaar minder vitaal, voor. De soort vormt een grote bedreiging voor het Littorellion en het Nanocyperion. Alleen de natte hei lijkt buiten het bereik van de soort te liggen. Zelfs waternavel en watermunt lijken overgroeid te raken. Het is voor mij duidelijk dat andere en drastischere maatregelen noodzakelijk zijn. (...)”. Voorts wordt daarin gemotiveerd aangegeven welke bestrijdingsmethoden er zijn en wat de nadelen van de diverse methoden zijn. Daarbij zijn ook betrokken de eventuele nadelige gevolgen voor de bestaande flora en fauna in het te inunderen gebied. Ook de spoedeisendheid van het ingrijpen wordt toegelicht.
Het gevorderde verbod tot betreding van het perceel
“(…) In afwijking van het in artikel 14 van Pro de akte van uitgifte in erfpacht bepaalde, wordt overeengekomen dat koopster als erfpachtster ten behoeve van de Staat der Nederlanden, de toegang tot de tot de erfpachtsgronden behorende zeereep aan het personeel van het Staatsbosbeheer en de Rijkswaterstaatslechts niet zal toestaan, voorzover deze bebouwd zijn, dat de toegang voor dat personeel mede vrij is, voorzover die gronden op enigerlei wijze zijn geëxploiteerd, en dat koopster verplicht is, bij overdracht van het erfpachtsrecht, deze bepaling in de desbetreffende akte woordelijk te doen opnemen. (...)”
(...) Het personeel van het Staatsboschbeheer en van den Rijkswaterstaat heeft te allen tijde toegang tot de gronden, voorzoover die niet zijn bebouwd of op andere wijze geëxploiteerd (…)”.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel 2.3voert in het verlengde hiervan aan dat het oordeel van het hof onjuist of onbegrijpelijk is in het licht van een aantal met name in dat subonderdeel genoemde omstandigheden
subonderdelen 2.4-2.5en
3.1-3.3klagen dat het hof in rov. 4.10-4.11 bij zijn oordeel in aanmerking heeft genomen (i) dat Staatsbosbeheer heeft aangeboden de daadwerkelijk door de inundatie door [eisers] geleden schade in redelijkheid te vergoeden, en (ii) dat Staatsbosbeheer de met dit aanbod gedane toezegging zal nakomen. Volgens de subonderdelen is dit niet begrijpelijk.
b[art. 6:168 BW Pro, AG] blijft (…) ook dichter bij het huidige recht dan artikel 5.1.2 deed. Het valt daarmee evenwel niet geheel samen. Het gaat immers - anders dan H.R. 19 december 1952,
N.J.1953, 642 - niet uit van de enigszins gekunstelde en dan ook niet onbestreden gebleven gedachte van een onvolledige rechtvaardigingsgrond die door het aanbieden of betalen van schadevergoeding kan worden voltooid, maar van een bevoegdheid van de rechter om in het lid 1 bedoelde geval de vordering tot een verbod af te wijzen”. [18]
Subonderdeel 2.2klaagt dat het hof heeft miskend dat het in deze zaak de criteria voor onrechtmatige hinder had moeten toepassen.
Subonderdeel 2.3voert aan dat het hof daarbij een aantal in het subonderdeel genoemde omstandigheden bij zijn oordeel had moeten betrekken.
subonderdelen 2.4-2.5 en 3.1-3.3keren zich tegen de vaststellingen van het hof (i) dat Staatsbosbeheer heeft aangeboden de daadwerkelijk door de inundatie door [eisers] geleden schade in redelijkheid te vergoeden, en (ii) dat Staatsbosbeheer de met dit aanbod gedane toezegging zal nakomen, welke vaststellingen er als gezegd op neerkomen dat e de vergoeding van de schade die [eisers] door de inundatie hebben geleden, is verzekerd. Volgens de subonderdelen zijn deze vaststellingen niet begrijpelijk.
toegezegddat de mogelijk door [eisers] geleden schade zal worden vergoed”. Tegen deze vaststelling hebben [eisers] in hoger beroep niet gegriefd. [33] Subonderdelen 2.4 en 3.1-3.3 menen dat genoemd aanbod niet voldoende is, maar in het licht van de vaststelling van het hof in rov. 4.11 dat het om een uitdrukkelijke toezegging gaat (en de in hoger beroep niet bestreden vaststelling van de rechtsbank dat daarvan sprake is), valt dat niet in te zien. Het is duidelijk dat het hof, evenals de rechtbank, deze toezegging heeft betrokken op alle eventuele schade. Anders dan subonderdeel 2.5 veronderstelt (zie de tweede volzin daarvan), speelt genoemde toezegging een doorslaggevende rol in het oordeel van het hof. Op het voorgaande lopen de subonderdelen stuk.