Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten zoals door het Hof vastgesteld
BNB1977/152. Volgens de Rechtbank is belanghebbende er voorts niet in geslaagd de verkrijging van de economische eigendom van de woning in [Q] ten tijde van het uit elkaar gaan in 2013 aannemelijk te maken.
BNB1977/21 leidt het Hof af dat aftrek is toegelaten ter zake van onderhoud van de echtgenoot indien de echtgenoten duurzaam gescheiden leven. Het Hof overweegt dat belanghebbende en zijn ex-echtgenote het gehele jaar 2013 nog gehuwd waren en per 1 juni 2013 gescheiden zijn gaan leven. Gelet op het grote inkomensverschil tussen belanghebbende en de ex-echtgenote acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende de rentebetalingen op zich heeft genomen om te voldoen aan de onderhoudsverplichting ex art. 1:81 BW Pro en dat die kosten ook op hem drukken. Omdat niet in geschil is dat belanghebbende alle rentebetalingen in 2013 heeft gedaan, concludeert het Hof dat de resterende betaalde bedragen aan hypotheekrente vanaf 1 juni 2013 aftrekbaar zijn als uitgaven voor onderhoudsverplichtingen als bedoeld in art. 6.3, lid 1, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001.
3.Het geding in cassatie
per 1 december 2013(want de renteaftrek in de periode 1 juni tot 1 december kan niet tot cassatie leiden) ten aanzien van de woning in [Q] sprake is van een eigen woning in de zin van art. 3.111, lid 4, Wet IB 2001. In cassatie is geen geschil over de woning in België, dan wel de onderhoudsverplichting.
4.De scheidingsregeling
De wettelijke eigenwoningregeling
eigenaaris van dat huis en daar de andere partner in laat wonen en waarvoor hij, omdat hij zelf niet meer in dat huis woont, de hypotheekrente niet meer kan aftrekken.” [13]
De eigen woning in de Wet IB 2001 [20] de vraag of de subjecteisen van art. 3.111, lid 1, Wet IB 2001, ook van toepassing zijn op de eigenwoningficties die zijn opgenomen in lid 2 t/m 6 van dat artikel. De parlementaire geschiedenis biedt op dit punt volgens hem geen uitsluitsel. Hoogeveen meent dat het fictiesubject niet aan de subjecteisen van lid 1 hoeft te voldoen, omdat de wettekst aan geen enkele fictie die eisen stelt. [21] Van Mourik zoekt de redenering van de wetgever daarbij in het tijdelijke karakter van de ficties; de vereisten kunnen dan minder zwaar zijn. Na afloop van de fictie wordt weer aangesloten bij de subjecteisen van lid 1. Anderzijds betoogt Van Mourik dat de wetgever enkel het eigenwoningsubject heeft willen uitbreiden, zonder daarbij aan de vereisten van art. 3.111, lid 1, Wet IB 2001 te tornen. Hij meent dat de bepaling in dat geval een algemene werking zou hebben, waardoor de subjecteisen van lid 1 ook gelden voor de ficties. Hij vult de redenering van de wetgever daarbij in met de stelling dat het zó vanzelfsprekend is dat die eisen ook van toepassing zijn van de ficties, dat het overbodig zou zijn om ze in de ficties steeds te vermelden. Van Mourik onderbouwt zijn stelling verder door te wijzen op de andere elementen die worden genoemd in lid 1 – de verschijningsvorm van de woning en de rechtsverhouding – die net als de eigendomseis niet terugkeren in lid 2 t/m 6. In de woorden van Van Mourik: “
Die zouden dan ook niet van toepassing zijn? Daar geloof ik niets van.” [22]
communis opinioin de fiscale literatuur dat de regeling alleen van toepassing is op (mede-) eigenaren. Het oordeel van het Hof komt volgens Arends dan ook uit de lucht vallen. Arends erkent dat de tekst van lid 4 inderdaad de eis van (mede-)eigendom niet bevat, maar wijst in dat kader vervolgens op de overwegingen van Van Mourik (zie onderdelen 4.15 en 4.16). Arends merkt voorts op dat het Hof in het oordeel weliswaar de wetsgeschiedenis integraal heeft opgenomen, maar dat het daarbij geen waarde heeft toegekend aan het feit dat daarin gesproken wordt in termen van ‘eigenaar niet-bewoner’ en ‘eigendomsdeel in de door hem verlaten woning’. De verklaring daarvoor kan volgens Arend mogelijk gevonden worden in “de veronderstelling, zoals het hof ook zelf erkent in zijn uitspraak, dat de wetgever bij de scheidingregeling het oog heeft gehad op de meest voorkomende situatie dat twee partners gezamenlijk de eigendom hebben van de eigen woning.” Tot slot vind Arends ’s Hofs overweging dat, als de wetgever aan de toepassing van de scheidingsregeling de voorwaarde van (mede-)eigendom had bedoeld te stellen, hij dat nadrukkelijk (bij voorkeur in de tekst) had moeten verwerken, te ver gaan. Hij meent dat een impliciet gestelde voorwaarde ook in de eigenwoningregeling als geheel opgesloten kan liggen. Dat een duidelijke wettekst de voorkeur verdient, is volgens hem iets anders. [28]
5.Beoordeling
Opmerkingen vooraf
eigen woning, welke blijkens de wettekst geldt voor de afdeling en de daarop rustende bepalingen. Lid 1, onderdeel a bevat de volgende vereisten: (i) eigendom, of een recht van lidmaatschap van een coöperatie; (ii) de belastingplichtige of zijn partner genieten de voordelen; (iii) de kosten en lasten drukken op belastingplichtige of zijn partner; en (iv) de waardeverandering gaat de belastingplichtige of zijn partner grotendeels aan. In lid 2 t/m 6 wordt het begrip eigen woning voorts uitgebreid door middel van ficties. In de eigenwoningficties van lid 2, 3 en 6 heeft de wetgever de zinsnede “een eigen woning als bedoeld in het eerste lid” opgenomen. In de eigenwoningficties van lid 4 en 5 komt die zinsnede niet voor. De scheidingsregeling van lid 4 bevat louter de vereisten dat (i) de woning per dat moment niet langer als hoofdverblijf voor belanghebbende ter beschikking staat en (ii) aannemelijk is gemaakt dat zijn ex-echtgenote de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat.