ECLI:NL:PHR:2022:392

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 mei 2022
Publicatiedatum
22 april 2022
Zaaknummer
21/00540
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling vernieling celdeur ondanks beroep op psychische overmacht

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 30 uur wegens het vernielen van een celdeur in een politiebureau nadat hij was aangehouden op verdenking van verkrachting. Tijdens zijn detentie mocht hij geen water drinken en de WC niet gebruiken, wat leidde tot frustratie en vernieling van de deur.

De verdachte voerde in cassatie aan dat het hof had verzuimd een gemotiveerde beslissing te nemen over zijn beroep op psychische overmacht, aangezien hij stelde dat hij door de situatie en eerdere ervaringen met angststoornissen niet anders kon handelen. Het hof had dit verweer echter kennelijk als een strafmaatverweer opgevat en niet als een schulduitsluitingsgrond.

De advocaat-generaal concludeerde dat deze uitleg niet onbegrijpelijk was, mede omdat de verdediging tijdens de terechtzitting geen beroep op psychische overmacht had gedaan en het hof de omstandigheden wel had meegewogen bij de strafoplegging. De Hoge Raad vond geen aanleiding tot vernietiging en verwierp het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot een voorwaardelijke taakstraf blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/00540

Zitting10 mei 2022
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 8 februari 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Het hof heeft ook beslist over de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals in het arrest is omschreven.
2. Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd een gemotiveerde beslissing te nemen op een door de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer met betrekking tot de aanwezigheid van een schulduitsluitingsgrond, zodat het arrest onvoldoende met redenen is omkleed.
4. De verdachte is veroordeeld wegens het vernielen van een celdeur van een ophoudkamer in een politiebureau. De verdachte was daar na zijn aanhouding op verdenking van verkrachting ingesloten. In afwachting van forensisch onderzoek mocht de verdachte geen water drinken en de WC niet gebruiken. Vervolgens heeft de verdachte tegen de celdeur getrapt.
5. De stellers van het middel wijzen erop dat de verdachte zelf een beroep op psychische overmacht heeft gedaan, waarbij hij “onweersproken” heeft gesteld “dat hij ten onrechte is aangehouden op verdenking van verkrachting, vervolgens is afgevoerd door de politie, terwijl heel Arnhem toekeek; hij vaker terecht is gekomen in situaties waarin hij zo angstig was, dat hij anders dan normaal reageerde; hij eerder heeft verbleven op een forensische observatie en begeleidingsafdeling (FOBA) en ook niets meer weet van de oorzaak van de schade; er sprake was van een psychische overmacht; hij vanaf het moment dat hem water werd geweigerd de weg is kwijtgeraakt.” De stellers van het middel zijn van mening dat het hof een gemotiveerde beslissing had dienen te geven op het uitdrukkelijk voorgedragen verweer van de verdachte met betrekking tot de aanwezigheid van een schulduitsluitingsgrond.
6. De verdachte heeft, volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 januari 2021, tijdens die terechtzitting – voor zover voor de bespreking van het middel van belang – als volgt verklaard:
“Ik weet niet meer wat er op 10 mei 2018 is gebeurd. Op die dag werd mij onrecht aangedaan. Ik werd aangehouden op verdenking van verkrachting, terwijl ik geen verkrachter ben, en vervolgens werd ik afgevoerd door de politie, terwijl heel Arnhem toekeek. Ik ben vaker terechtgekomen in situaties waarin ik zo angstig was, dat ik anders dan normaal reageerde. Ik heb eerder verbleven op een forensische observatie en begeleidingsafdeling (FOBA).
Ik begrijp wel dat de politierechter een voorwaardelijke taakstraf van 30 uur heeft opgelegd. Maar ik vind het te ver gaan dat er ook een geldboete van € 1.200 is opgelegd. De toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, beschouw ik als een geldboete. Ik weet niets meer van de oorzaak van de schade. Ik vind dat niet ik die schade moet vergoeden, ook niet als ik die schade wel zou hebben veroorzaakt. Er was sprake van een psychische overmacht. In mijn gedachten kon ik niets anders doen. Ik vroeg om water. Ik kreeg geen water. Vanaf dat moment ben ik de weg kwijtgeraakt. Ik had geen drugs of alcohol gebruikt.”
7. De raadsvrouw heeft, volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 januari 2021, tijdens die terechtzitting- voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende verweer gevoerd (typografische accentueringen zoals in het origineel):
“De feiten en omstandigheden lenen zich ervoor om in deze zaak een uitzondering te maken op het uitgangspunt dat voor een feit zoals het tenlastegelegde, een straf wordt opgelegd. Ik dit verband verwijs ik tevens naar de uitgebreide verklaring die mijn cliënt ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd over de omstandigheden. Ik ben het met de advocaat-generaal eens dat die omstandigheden de vernieling van de deur niet rechtvaardigen. Maar het ging op dat moment niet goed met mijn cliënt. Ik verwijs in dit verband naar de volgende passage uit de aangifte: “
het wachten op de forensische opsporing duurde heel lang. ” Mijn cliënt is claustrofobisch. Voor hem duurde drie uur wachten in de ophoudkamer zonder water in de gegeven situatie ook al erg lang. Op grond van de verdenking van de verkrachting heeft hij zes dagen vastgezeten. Hij heeft direct een eerste verklaring afgelegd. Verder heeft hij overal aan meegewerkt, waarbij hij ook wat betreft zijn lichamelijke integriteit het een en ander heeft moeten verduren. Het thans tenlastegelegde is een ander feit dan de verkrachting waarvan hij werd verdacht, maar ik bepleit deze omstandigheden wel mee te nemen bij beoordeling van deze zaak. Mijn cliënt, die zich eerder in soortgelijke situatie heeft bevonden, is op zo’n moment alleen met behulp van medicatie enigszins rustig te krijgen. Ik vind dat een schuldigverklaring volstaat en dat er geen straf meer zou moeten volgen.”
8. Het hof heeft over de strafbaarheid van de verdachte in zijn arrest het volgende opgenomen:
“Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.”
9. Het hof heeft in de strafmotivering - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende opgenomen:
“Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vernieling van de deur van de ophoudkamer in een politiebureau. Hij was daar ingesloten na zijn aanhouding op verdenking van verkrachting. Hij mocht niet in contact komen met water om te voorkomen dat hij eventuele sporen zou wegmaken voordat die sporen konden worden veiliggesteld door de forensische opsporing. Het wachten op de forensische opsporing duurde heel lang. Al die tijd kon verdachte niet naar de WC en mocht hij ook geen water drinken. De frustratie van verdachte over de verdenking van een ernstig strafbaar feit - waarvoor hij uiteindelijk niet is vervolgd omdat die zaak is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs - en de op die verdenking gebaseerde - rechtmatige - vrijheidsbeneming is begrijpelijk, maar dit rechtvaardigt het bewezenverklaarde handelen geenszins.”
10. Bij de beoordeling van het middel moet voorop worden gesteld dat de uitleg van wat ter terechtzitting naar voren wordt gebracht, aan de feitenrechter is. [1] Het hof heeft hetgeen de verdachte heeft aangevoerd klaarblijkelijk niet als een beroep op psychische overmacht opgevat, maar als een strafmaatverweer. Die uitleg acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in beschouwing dat de verdachte werd bijgestaan door een rechtsgeleerde raadsvrouw die geen beroep op psychische overmacht heeft gedaan. [2] Wat de raadsvrouw ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, past bij haar beroep om art. 9a Sr toe te passen en wat de verdachte heeft aangevoerd, past bij bezwaren tegen de in eerste aanleg toegewezen vordering van de benadeelde partij die de verdachte als “ een geldboete” heeft opgevat. Voor een voorwaardelijke taakstraf van 30 uren heeft de verdachte uitdrukkelijk begrip.
11. Het middel faalt in alle onderdelen.

Slotsom

12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
13. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.A.J.A. van Dorst,
2.HR 6 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7553,