ECLI:NL:PHR:2022:400
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing kostenvergoeding na derdenonderzoek ondanks discussie over fair play-beginsel en geheimhoudingsplicht
Belanghebbende, een belastingadvieskantoor, werd door de Inspecteur geïnformeerd over een voorgenomen derdenonderzoek op grond van artikel 53 AWR Pro, waarbij inzage werd gevraagd in integrale correspondentie en overige documentatie, uitgezonderd louter belastingadviezen. Belanghebbende stelde dat het verzoek te ruim was en beriep zich op het informele verschoningsrecht en het fair play-beginsel. Na onder protest verstrekking van informatie verzocht belanghebbende om een kostenvergoedingsbeschikking wegens onrechtmatigheid van het informatieverzoek.
De Inspecteur wees het verzoek af, waarna belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de Rechtbank en hoger beroep bij het Hof. Beide instanties oordeelden dat geen sprake was van een onrechtmatig verzoek en dat het fair play-beginsel niet was geschonden. Ook werd geoordeeld dat de geheimhoudingsplicht uit artikel 67 AWR Pro rechtstreeks uit de wet voortvloeit en niet door de Inspecteur kan worden opgelegd.
In cassatie stelde belanghebbende vier middelen aan de orde, waaronder dat het Hof ten onrechte oordeelde dat het verzoek niet naar fiscale adviezen vroeg, dat het zorgvuldigheidsbeginsel werd geschonden door het ontbreken van overleg, dat het fair play-beginsel was geschonden en dat de uitleg van de geheimhoudingsplicht onjuist was. De A-G concludeerde tot ongegrondverklaring van het beroep, stellende dat het verzoek onvoldoende was gespecificeerd en dat de klachten niet slaagden.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof en verklaart het cassatieberoep ongegrond. De uitspraak verduidelijkt de toepassing van het fair play-beginsel, de reikwijdte van de geheimhoudingsplicht en de voorwaarden voor een kostenvergoedingsverzoek na derdenonderzoek.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om kostenvergoeding wordt afgewezen.