ECLI:NL:PHR:2022:406

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 mei 2022
Publicatiedatum
2 mei 2022
Zaaknummer
21/03140
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552b SvArt. 33a lid 2 sub a SrArt. 552a SvArt. 94 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing van beklag tegen verbeurdverklaring geldbedrag wegens onduidelijke motivering rechtbank

Klaagster diende beklag in tegen de verbeurdverklaring van twee geldbedragen die in haar woning in beslag waren genomen. Deze bedragen waren verbeurd verklaard in een strafzaak tegen haar partner's broer, veroordeeld voor drugshandel en witwassen. Klaagster stelde eigenaar te zijn van het geld, afkomstig van een babyshower en spaargeld, en verzocht om teruggave.

De rechtbank verklaarde het beklag ongegrond, stellende dat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat de strafrechter de verbeurdverklaring zou handhaven, mede omdat klaagster verdachte was in een witwaszaak en er aanwijzingen waren dat zij betrokken was bij illegale activiteiten. De rechtbank paste daarbij de toetsingsmaatstaf toe die geldt bij een beklag van de beslagene, wat onduidelijkheid schept over de juiste juridische grondslag.

De Hoge Raad constateert dat de rechtbank niet duidelijk heeft gemaakt welke maatstaf zij hanteert bij de ongegrondverklaring van het beklag en dat dit leidt tot een onbegrijpelijke beslissing. Daarom vernietigt de Hoge Raad de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank Den Haag voor een nieuwe behandeling en beslissing op het beklag volgens de juiste maatstaf.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug voor herbeoordeling vanwege onduidelijke motivering.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/03140 B
Zitting10 mei 2022

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[klaagster],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de klaagster.
De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 18 mei 2021 het beklag van de klaagster strekkende tot teruggave aan haar van een tweetal in haar woning in beslag genomen geldbedragen (€ 235,- en € 3.180,-) ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en mr. A.A.G. Balkenende, advocaat te Katwijk ZH, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
De middelen
3.1.
De middelen komen op tegen de motivering van de ongegrondverklaring van het beklag en lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
3.2.
Het namens de klaagster ingediende klaagschrift houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“(…)
Op donderdag 17 december 2020 heeft er in mijn woning aan de [a-straat 1] te [plaats] een doorzoeking plaatsgevonden. De reden van deze doorzoeking is mij en mijn partner niet mede gedeeld.
Door één van de aanwezige politieambtenaren werd gevraagd of er geld in mijn woning aanwezig was.
Hierop heb ik te kennen gegeven dat het spaargeld van mij en mijn partner [betrokkene 1], wat ik nog op de bank diende te storten, in de woning aanwezig was. Ik heb vervolgens de bewaarplek van dit geld aan moeten wijzen waarna mijn spaargeld door de politie in beslag werd genomen. Ik heb tot op heden nog geen bewijs van dit beslag of een verslag van de doorzoeking in mijn woning van de politie mogen ontvangen.
Het geld wat in beslag is genomen betreft het spaargeld van mij en mijn partner en van niemand anders. Mijn partner en ik zijn erg onder de indruk van de doorzoeking die heeft plaatsgevonden. Wij houden ons totaal niet bezig met criminele activiteiten en willen hier ook niets mee te maken hebben en vinden het dan ook ene verschutting dat er met groots vertoon en een politiehond mijn woning is betreden en al de buren dat hebben kunnen waarnemen. Daarbij wil ik u laten weten dat mijn partner en ik een fulltime baan hebben en kunnen van ons salaris goed rondkomen. Dit is dan ook de reden dat wij geld hebben kunnen sparen. Tevens zit hier geld bij van de verkoop van een telefoon en scooter hetgeen wij ook kunnen aantonen.
Mijn partner en ik kunnen ons dan ook niet verenigen met deze inbeslagname en willen met deze brief het bezwaar tegen de inbeslagname aangeven. Het spaargeld is bestemd voor de aanschaf van babyspullen, (ik ben momenteel 7 maanden zwanger). Het is dan ook zaak dat ik het geld zo snel mogelijk retour kan ontvangen zodat ik mijn spullen voor de babykamer kan betalen.
Ik verneem graag van u hoe ik mijn spaargeld retour kan ontvangen.”
3.3.
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“De advocaat van klaagster voert het woord, verkort en zakelijk weergegeven:
Ik ben gebeld door de griffier, die vroeg zich af om welke geldbedragen het ging. U, de rechter, houdt mij voor dat de geldbedragen volgens het aantekening mondeling vonnis reeds verbeurd zijn verklaard en vraagt zich af wat u moet doen. Het klaagschrift is op 21 december 2020 ingediend, vier dagen na de inbeslagname. Mijn cliënte verzet zich tegen de inbeslagname en het geld is bij haar aangetroffen. Mijn cliënte is dan ook rechthebbende. De rechter die het geld heeft verbeurd verklaard, heeft geen rekening kunnen houden met het standpunt van cliënte. Zij moet hiertoe echter de gelegenheid krijgen. Het begint met de onjuiste administratie van het beslag. Het geld is onder cliënte in beslag genomen, terwijl uit de stukken lijkt alsof het bij [betrokkene 1] in beslag is genomen. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat cliënte nog verdachte is, mijn vraag is wanneer hier duidelijkheid over komt. Zij heeft een verklaring als verdachte afgelegd en de zaak lijkt afgedaan.
De officier van justitie reageert hierop, verkort en zakelijk weergegeven:
Wij kunnen dit vandaag bespreken. Ik heb contact opgenomen met de zaaksofficier. Het klopt dat één zaak is afgedaan en binnen enkele weken zal een vervolgingsbeslissing genomen worden over klaagster. Het Openbaar Ministerie verzet zich tegen de teruggave van het geld. De medeverdachte is vervolgd en veroordeeld voor drugshandel. Veel geld is door de brievenbus gegaan en forse bedragen zijn aangetroffen. Over de herkomst van het geld ligt er een verklaring, maar die is niet onderbouwd. [betrokkene 1] is veroordeeld en het geld is verbeurd verklaard. Het betreft een witwasverdenking jegens klaagster, gelet op de afwezigheid van een onderbouwing. De vervolgingsbeslissing zal spoedig volgen.
De klaagster verklaart, verkort en zakelijk weergegeven:
U, de rechter, vraagt mij wie [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) is. Dat is mijn partner. U, de rechter, houdt mij voor dat [betrokkene 2] geld naar de woning zou brengen en de officier van justitie dit linkt met het geld dat bij [betrokkene 1] en mijzelf is aangetroffen. U, de rechter, houdt mij voor dat er ook WhatsApp-berichten zijn verstuurd omtrent het geld. Hij heeft geld bij mij thuis gehad in het verleden. Ik zei tegen hem dat hij geld apart moest leggen. Ik ben met [betrokkene 1] begonnen met een schuld van € 18.000,-. Dit hebben wij binnen twee jaren afgelost. Daarna is geld bij ons neergelegd. In september hebben we een auto gekocht en vervolgens is het geld meegenomen en sindsdien is ook geen geld meer bij ons neergelegd. U, de rechter, houdt mij voor dat dit om veel geld gaat. Het gaat om € 3.000,-. Dit is geen schokkend bedrag. U, de rechter, vraagt mij hoe ik hieraan kom. In februari ben ik bevallen en heb toen een feestje gegeven met onze familie. Ik heb toen enveloppen gekregen met geld. De winkels waren dicht, waardoor ik geld kreeg in plaats van spullen. U, de rechter, houdt mij voor dat [betrokkene 2] stelt dat het geld bij mij thuis lag. In september lag het geld bij ons, maar dit is opgehaald voor de auto. De rest lag nog bij ons. U, de rechter, vraagt waar [betrokkene 2] woont. Bij zijn ouders.
De advocaat van klaagster voert het woord, verkort en zakelijk weergegeven:
Mijn cliënte is bevallen en haar geld is in beslag genomen. De zaak is afgedaan. De zaaksofficier weet dat deze zaak speelt en wij krijgen nu te horen dat binnen enkele weken een vervolgingsbeslissing wordt genomen. Ik meen dat dit in het voordeel van cliënte moet worden uitgelegd. In hoeverre is het aannemelijk dat cliënte haar geld kwijtraakt in de bodemprocedure. Dit lijkt mij niet het geval, omdat sprake is van een verifieerbare verklaring: sparen in coronatijd en een babyshower waarbij geld wordt gegeven. Verder wordt niets gedaan met de verdenking en is er een fout gemaakt in de administratie. Dit is ook niet verder onderzocht. Als tweeverdieners die een kindje krijgen, verklaren te hebben gespaard en geld hebben gekregen van een babyshower, is dat voldoende om aan te nemen dat de gevonden € 3.000,- niet gek is. Hetgeen het kwartje in het voordeel van mijn cliënte doet vallen. Dit gelet op het feit dat er over enkele weken een vervolgingsbeslissing komt en een fout in de administratie is gemaakt. Het bedrag is in verhouding tot het inkomen. Mijns inziens kan ook niet anders beslist worden dat het geld teruggaat naar cliënte. Binnen vier dagen na het beslag is het klaagschrift ingediend, er wordt dus direct opgetreden. De verklaring van mijn cliënte is aannemelijk en ik verzoek dan ook het klaagschrift gegrond te verklaren.”
4. De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Inleiding
Het beklag strekt tot teruggave van de op 17 december 2020 in beslag genomen geldbedragen (€ 235,- en € 3.180,- ) in de woning van klaagster aan de [a-straat] te [plaats]. Klaagster woont daar samen met haar partner, [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]). De broer van [betrokkene 1], [betrokkene 2] (hierna: veroordeelde) is op 18 maart 2021 door de politierechter van deze rechtbank veroordeeld voor drugshandel en witwassen. De politierechter heeft de betreffende geldbedragen verbeurd verklaard. Klaagster stelt eigenaar te zijn van de geldbedragen.
De procedure in raadkamer
De rechtbank heeft dit beklag op 4 mei 2021 in raadkamer behandeld en heeft kennisgenomen van (een deel van) het strafdossier met het nummer PL 1500-2020372867.
Klaagster, bijgestaan door mr. Balkenende, is gehoord. Tevens is de officier van justitie mr. M. Gommers gehoord.
Het standpunt van klaagster
Klaagster heeft verzocht om teruggave van het geldbedrag, omdat het geld haar toebehoort (het is afkomstig van een babyshower) en geen illegale oorsprong kent. Dat door veroordeelde geld bij haar thuis werd gestald was om te sparen. Het belang van strafvordering verzet zich dan ook niet tegen teruggave van het geldbedrag.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard, omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de in beslag genomen geldbedragen zal verbeurd verklaren. Klaagster is immers nog verdachte en haar medeverdachte is reeds veroordeeld.
Het oordeel van de rechtbank
Op basis van artikel 552b Sv kan een belanghebbende, daaronder niet begrepen de verdachte of veroordeelde, zich beklagen over (onder meer) de onherroepelijke verbeurdverklaring van hem/haar toekomende voorwerpen. Klaagster stelt eigenaar te zijn en dus belanghebbende.
Het klaagschrift is ingediend voorafgaande aan het onherroepelijk worden van de verbeurdverklaring, uitgesproken door de politierechter op 18 maart 2021. Niettemin moet het beklag worden opgevat als zijnde een beklag tegen deze beslissing tot verbeurdverklaring.
Het klaagschrift is tijdig ingediend. Klaagster is ontvankelijk in haar bezwaar.
De verbeurdverklaring is een bijkomende straf, die in de zaak tegen veroordeelde is opgelegd met de bedoeling veroordeelde te straffen. Het gaat er dus niet om klaagster te straffen voor het gebruik van het geldbedrag. De gedachte achter de verbeurdverklaring zal zijn geweest dat veroordeelde het geldbedrag uit illegale bron heeft verkregen, aangezien hij ook voor witwassen veroordeeld is.
Het is dan onwenselijk dat veroordeelde niet gestraft zou kunnen worden met verbeurdverklaring van het geldbedrag, alleen omdat het juridische eigendom mede bij een ander ligt. Om die reden kan een verdachte onder bepaalde voorwaarden ook gestraft worden met de verbeurdverklaring van een goed dat deels aan iemand anders toebehoort. Dit kan alleen indien degene aan wie het toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmee dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden (artikel 33a lid 2 sub a Sr).
Uit het procesdossier blijkt dat klaagster en haar partner betrokken waren bij de illegale activiteiten van veroordeelde. Zo blijkt uit chatgesprekken dat veroordeelde geld in de woning van [betrokkene 1] en haar partner heeft gestald. Zo geeft hij aan geld door de brievenbus te hebben gedaan of bij hun op tafel te hebben gelegd. Op een gegeven moment geeft veroordeelde ook zijn nieuwe telefoonnummer aan [betrokkene 1] met de mededeling dat deze ‘schoon’ moet blijven.
Dat veroordeelde geld heeft gestald bij klaagster doet tevens vragen rijzen omtrent het eigendom en herkomst van het geldbedrag. Omdat klaagster tevens verdachte is en zij in haar woning geld van haar zwager heeft gestald en die zwager voor witwassen is veroordeeld en bij de doorzoeking ook geld, namelijk € 3.415,- is aangetroffen, is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de in beslag genomen geldbedragen zal verbeurd verklaren.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.”
4.2.
Ik merk allereerst op dat het oordeel van de rechtbank dat onderhavig beklag moet worden opgevat als zijnde een beklag gericht tegen een beslissing tot verbeurdverklaring als bedoeld in art. 552b Sv, in cassatie niet wordt betwist.
4.3.
Art. 552b, eerste lid, Sv houdt in dat belanghebbenden, anders dan de verdachte of veroordeelde, zich onder meer schriftelijk kunnen beklagen over de verbeurdverklaring van hun toekomende voorwerpen. Onder 'belanghebbende' in de zin van art. 552b Sv moet worden verstaan degene die stelt dat hij op grond van de wet krachtens eigendom, een beperkt recht of anderszins, dan wel op grond van een overeenkomst aanspraak erop kan maken dat de in dat artikel bedoelde voorwerpen aan hem worden afgegeven. [1]
4.4.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het geldbedrag van € 3.415,- (bestaande uit € 235,- en € 3.180,-) waarop het onderhavige beklag ziet, op 17 december 2020 in beslag is genomen in de woning van de klaagster, waar zij samen met [betrokkene 1] woont. Ook heeft de rechtbank vastgesteld dat de broer van [betrokkene 1] - [betrokkene 2] - op 18 maart 2021 door de politierechter in de rechtbank Den Haag is veroordeeld voor drugshandel en witwassen en dat de politierechter de betreffende geldbedragen verbeurd heeft verklaard. Volgens de rechtbank zal de gedachte achter deze verbeurdverklaring zijn geweest dat de veroordeelde [betrokkene 2] het geldbedrag uit illegale bron heeft verkregen, omdat hij ook voor witwassen is veroordeeld.
4.5.
Bij de beoordeling van de vraag of de geldbedragen aan de klaagster toekomen heeft de rechtbank allereerst melding gemaakt van de mogelijkheid die art. 33a lid 2 sub a Sr biedt om voorwerpen die niet aan de veroordeelde toebehoren verbeurd te verklaren op de grond dat degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden. In verband met de vraag of de klaagster bekend was met de verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden, stelt de rechtbank vast dat uit chatgesprekken blijkt dat [betrokkene 2] geld in de woning van [betrokkene 1] en de klaagster heeft gestald, nu hij in die gesprekken aangeeft geld door de brievenbus te hebben gedaan of bij hun op tafel geld te hebben gelegd. Ook zou hij op een gegeven moment zijn nieuwe telefoonnummer aan [betrokkene 1] hebben gegeven met de mededeling dat deze ‘schoon’ moet blijven. De rechtbank leidt hieruit af dat de klaagster en haar partner [betrokkene 1] betrokken waren bij de illegale activiteiten van [betrokkene 2]. Dat de in beslag genomen € 3.415,- ook door [betrokkene 2] bij de klaagster gestald geld betreft volgt daaruit echter niet (zonder meer). De rechtbank heeft dit ook onder ogen gezien en merkt op dat het door [betrokkene 2] stallen van geld bij de klaagster de vraag doet rijzen omtrent het eigendom en de herkomst van het geldbedrag.
4.6.
De rechtbank komt vervolgens op grond van de omstandigheid dat de klaagster tevens verdachte is (ik begrijp uit het verhandelde in raadkamer: van witwassen), dat zij in haar woning geld van [betrokkene 2] heeft gestald, deze [betrokkene 2] voor witwassen is veroordeeld en bij de doorzoeking ook geld (het inbeslaggenomen geldbedrag van € 3.415,-) is aangetroffen, tot het oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de in beslag genomen geldbedragen zal verbeurd verklaren. Zo bezien past de rechtbank hier de toetsingsmaatstaf die geldt bij een beklag van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv Pro gelegd beslag toe. [2]
4.7.
Uit het voorgaande wordt niet duidelijk wat nu de grond is voor het afwijzen van het beklag: is de situatie van art. 33a, tweede lid, onder a Sr van toepassing of is de klaagster geen rechthebbende? Door in plaats daarvan de maatstaf van art. 552a Sv te hanteren - hetgeen suggereert dat het geld later nog eens verbeurd verklaard zou kunnen worden - is de beslissing mijns inziens dusdanig onbegrijpelijk dat cassatie moet volgen.
5. De middelen slagen.
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.HR 12 maart 1996, NJ 1996/479.
2.HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.8 en 2.9.