Art. 94 SvArt. 23 lid 5 SvArt. 23 lid 6 SvArt. 5.4.9 lid 1 SvArt. 5.4.9 lid 3 Sv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt afwijzing klaagschrift tegen verstrekking en kennisneming Europees Onderzoeksbevel
Klaagster heeft bij de rechtbank Amsterdam een klaagschrift ingediend tegen de inbeslagname van goederen op grond van een Europees Onderzoeksbevel (EOB) van Roemeense autoriteiten, waaronder harde schijven, kluizen en een USB-stick. Zij vorderde teruggave van de goederen en vernietiging van de gegevens. De rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het belang van strafvordering handhaving van het beslag rechtvaardigt en dat de verstrekking van geselecteerde documenten aan Roemenië onder voorwaarden van art. 5.4.9 lid 3 Sv toereikend was gemotiveerd.
Klaagster stelde in cassatie onder meer dat de rechtbank het beoordelingskader inzake kennisneming van het volledige EOB had miskend en onvoldoende had gemotiveerd waarom zij geen belang zag bij aanhouding van de zaak om navraag te doen over bezwaren tegen kennisneming. Ook betoogde zij dat de verstrekking van documenten zonder voldoende waarborgen ernstige en onomkeerbare schade veroorzaakte. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk is, mede gelet op de verstrekte stukken en het doorzoekingsproces-verbaal, en dat de rechtbank voldoende gemotiveerd heeft waarom het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad bij volledige kennisneming van het EOB.
Verder stelt de Hoge Raad vast dat de selectie van circa 300 documenten zorgvuldig is gemaakt en dat de verstrekking onder de voorwaarden van art. 5.4.9 lid 3 Sv is geschied, waarbij de raadsman onvoldoende heeft onderbouwd dat klaagster ernstige schade lijdt. Ook het argument dat spoed alleen via een aanvullend EOB kan worden aangevraagd wordt verworpen, mede vanwege bijzondere omstandigheden zoals de corona-pandemie. De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad is dat het beroep moet worden verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het klaagschrift tegen het EOB en de verstrekking van documenten wordt ongegrond verklaard.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/00205 Br
Zitting 10 mei 2022
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[klaagster] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de klaagster.
De internationale rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 13 juli 2021 het beklag van de klaagster (onder meer) strekkende tot teruggave van de onder haar op grond van een door de Roemeense autoriteiten uitgevaardigd Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB) inbeslaggenomen goederen (11 harde schijven, 2 kluizen en 1 USB-stick), ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en mr. V.J.C. de Bruijn en mr. I.S.L.M. van Rijckevorsel, advocaten te Amsterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.
3.Het tweede middel
3.1.
Het middel klaagt over de afwijzing door de rechtbank van een verzoek tot aanhouding van de zaak.
3.2.
Het namens de klaagster ingediende klaagschrift houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“3. De Officier van Justitie heeft op 1 december 2020 de advocaat van klaagster een gedeelte van het Europees onderzoeksbevel en 'het zoekingsbevel’ van het Roemeense Hoge Hof van Cassatie en Justitie d.d. 25 november 2020’ verschaft (bijlage 2). Kennelijk wordt over de overige stukken van het Europees onderzoeksbevel geheimhouding betracht. Ook het doorzoekingsproces-verbaal is tot op heden nog niet verstrekt. Voor klaagster is het bijgevolg onduidelijk wat de inhoud en de strekking van het Europees onderzoeksbevel is.
4. Naar het oordeel van klaagster bevinden zich tussen de inbeslaggenomen voorwerpen en de vastgelegde gegevens mogelijk geheimhoudersstukken. Met de Officier van Justitie is het volgende overeengekomen: ‘Ten aanzien van mogelijke verschoningsgerechtigde communicatie die zich in het beslag bevindt gaat u akkoord met de afhandeling (de zogenaamde schoning) hiervan door de FIOD zonder betrokkenheid van de RC. De RC zal slechts betrokken worden indien er discussie ontstaat over de vraag of een bepaald stuk wel of niet onder het verschoningsrecht valt. U zult hiertoe zo spoedig mogelijk, liefst voor maandag 7 december 2020 een lijst verstrekken met de namen en emailadressen van verschoningsgerechtigden wiens communicatie zich in het beslag bevindt'. De betrokken officier van justitie is geïnformeerd dat getracht wordt de lijst zo spoedig mogelijk te verstrekken.
5. Tot op heden is klaagster niet in staat geweest om de lijst met de geheimhouders aan te leveren. Voor zover de lijst met geheimhouders op korte termijn wordt verstrekt, laat dat onverlet dat op een later moment de hiervoor gesignaleerde discussie zou kunnen ontstaan.
6. Voor wat betreft de vastgelegde gegevens heeft de officier in haar e-mailbericht van 30 november 2020 het volgende, opgemerkt: ‘De zoekslag in het digitale bestand zal als volgt plaatsvinden: eerst wordt door de FIOD aan de hand van de door de Roemeense autoriteiten aangegeven zoektermen geselecteerd. In de dan ontstane selectie zal de FIOD aan de hand van door u aangeleverde lijst het verschoningsgerechtigde materiaal worden verwijderd. Hetgeen overblijft zal aan de Roemeense autoriteiten worden verstrekt'.
7. Het is niet uitgesloten dat zich informatie over mogelijke derden, althans anderen dan klaagster, ten aanzien waarvan op klaagster de verplichting rust hun belangen te behartigen dan wel inbreuken op hun privacy te voorkomen, voorzover deze derden buiten het bereik van het Europees onderzoeksbevel vallen, tussen de vastgelegde gegevens bevindt. 8. Voorts is niet duidelijk wat de omvang is van het beslag en de vastlegging van de gegevens. Zo is niet uitgesloten dat er zich (een groot) aantal gegevens bevindt dat buiten de reikwijdte van het Europees onderzoeksbevel valt.
9. Bij gebreke aan enig inzicht hieromtrent dient klaagster volledige inzage te krijgen in de inbeslaggenomen stukken en gegevens alsook in het Europees onderzoeksbevel teneinde haar de gelegenheid te bieden te kunnen vaststellen of de inbeslaggenomen stukken en gegevens binnen het bereik daarvan vallen.
10. Tegen deze achtergrond is het klaagster bovendien niet mogelijk haar klacht inhoudelijk te motiveren en wordt het haar feitelijk onmogelijk gemaakt om op adequate wijze van haar klachtrecht gebruik te maken, waardoor zij ten onrechte ernstig in haar rechtsbelang wordt geschaad en sprake is van een schending van het beginsel van equality of arms.” [1]
3.3.
De door de raadsman van de klaagster in raadkamer overgelegde pleitnota houdt voorts, voor zover van belang, het volgende in:
“2. Beperkte kennisneming van het EOB
2.1
Door de officier van justitie zijn, na verkregen toestemming van de Roemeense autoriteiten, uitsluitend (i) de onderdelen A t/m F van het EOB en (ii) het doorzoekingsbevel van het Hoge Hof van Cassatie en Justitie van Roemenië van 25 november 2020 aan de raadslieden van klaagster ter beschikking gesteld.
2.2
Hoewel die beperkte informatievoorziening is toegestaan, nu geheimhouding bij de uitvoering van een EOB uitgangspunt is, is het bij het ontbreken van informatie zoals (bijvoorbeeld maar niet uitsluitend) opgenomen in het nu niet ter beschikking gestelde onderdeel G van het EOB - daarbij gaat het om een overzicht van de tenlastegelegde of onderzochte strafbare feiten - doorgaans slecht doenlijk het beklag meer inhoudelijk te motiveren.
2.3
In zijn beschikking van 7 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1227, r.o. 4.5) heeft de Hoge Raad evenwel overwogen dat de verplichting tot geheimhouding er niet aan in de weg staat dat het openbaar ministerie op grond van artikel 23 lid 5 SvPro alle op de zaak betrekking hebbende stukken moet overleggen en dat de raadkamer die over het klaagschrift moet oordelen van die stukken kennisneemt.
2.4
Slechts indien kennisneming door uw raadkamer grond geeft voor het oordeel dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad als klaagster en/of haar raadsman kennis kan nemen van de stukken waaruit de inhoud van het EOB blijkt, kan uw raadkamer die kennisneming op de voet van artikel 23 lid 6 SvPro onthouden.
2.5
Maar ook in dat geval, zo stelt de Hoge Raad, kan het belang van een effectieve rechtsbescherming van klaagster meebrengen dat het openbaar ministerie in die situatie eerst aan
de uitvaardigende autoriteit de vraag voorlegt of er concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming door klaagster van een bepaald stuk.
2.6
Mij is niet bekend of de officier van justitie aan uw rechtbank op de voet van artikel 23 lid 5 SvPro alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en of uw raadkamer van die stukken kennisgenomen heeft.
2.7
Indien dat niet het geval is verzoek ik uw rechtbank de behandeling van het klaagschrift aan te houden totdat de betrokken stukken aan u zijn overgelegd en u daarvan kennis hebt genomen.
2.8
Indien dat wel het geval is verzoek ik uw rechtbank om op de voet van de zojuist besproken beschikking van de Hoge Raad de behandeling van het klaagschrift aan te houden en de officier van justitie te bevelen om in het belang van een effectieve rechtsbescherming van klaagster aan de uitvaardigende autoriteit de vraag voor te leggen of er concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming door klaagster van een bepaald stuk.
2.9
Het is overigens de vraag of er ruimte bestaat voor het oordeel dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad als klaagster en/of haar raadsman kennis kunnen nemen van de stukken waaruit de inhoud van het EOB blijkt.
2.1
Aan de raadslieden is namelijk op enig moment het doorzoekingsproces-verbaal verstrekt, waarin de verbalisanten, kort gezegd, relateren dat blijkens het EOB de verdenking bestaat dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (vice-president van klaagster) in Roemenië worden verdacht van:
(i) actieve al dan niet ambtelijke omkoping ten behoeve van de aanvaarding van een overeenkomst tussen de Roemeense staat en [klaagster] / [C] ten nadele van de Roemeense staat, en
(ii) [betrokkene 2] namens [klaagster] / [C] op 18 december 2012 bovendien een consultancyovereenkomst met [betrokkene 3] namens [B] / [D] zou hebben gesloten ten aanzien waarvan wordt vermoed dat deze overeenkomst verband houdt met de zojuist genoemde met de Roemeense staat gesloten overeenkomst en de genoemde ambtelijke omkoping.
2.11
Daarmee is in ieder geval een deel van de ontbrekende informatie ingevuld en is het tegen deze achtergrond dan ook de vraag of het belang van het onderzoek daadwerkelijk ernstig geschaad zou worden indien klaagster en/of haar raadsman kennis kunnen nemen van de stukken waaruit de (verdere) inhoud van het EOB blijkt. Ik verzoek u dit aspect bij uw beoordeling van dit verzoek te betrekken.”
3.4.
De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“1. Inleiding
Op 14 februari 2020 heeft het parket bij het Hoge Hof van Cassatie en Justitie, nationaal Directoraat voor Corruptiebestrijding in Roemenië een Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB) met kenmerk uitgevaardigd.
Op 26 november 2020 heeft, onder leiding van de officier van justitie, een doorzoeking plaatsgevonden in het bedrijfspand gelegen aan de [a-straat 1] .
De doorzoeking vond plaats onder leiding van de officier van justitie ter uitvoering van bovengenoemd EOB uit Roemenië. Bij de doorzoeking zijn de volgende goederen in beslag genomen:
- harde schijf sata 250GB seagate
- harde schijf sata 250GB Western Digital
- harde schijf Western Digital 80GB
- harde schijf Hiachi Deskstart
- harde schijf Seagate Cheetah 10 K.7
- harde schijf Seagate Cheetah 10 K.7
- harde schijf Seagate Cheetah 10 K.7
- harde schijf Seagate Cheetah 10 K.7
- harde schijf Hiachi Deskstar
- harde schijf
- harde schijf
- kluis Juwel
- kluis Blackbox Chubb Safes
- USB-stick verbatim
2. Procesgang
Bij e-mail van 9 december 2020 heeft de raadsman van klaagster namens klaagster een klaagschrift tegen de inbeslagname ingediend.
De rechtbank heeft op 29 juni 2021 de raadsman van klaagster, mr. F. Schneider, en de officier van justitie, Mr. C.E.J. Backer, in openbare raadkamer gehoord.
3. Inhoud van het klaagschrift en standpunt van klaagster
Het klaagschrift strekt tot teruggave van de goederen die bij de genoemde doorzoeking in beslag zijn genomen. Verder verzoekt klaagster de rechtbank om de officier van justitie te bevelen de gegevens te vernietigen, geen kennis te nemen van de gegevens en geen gevolg te geven aan het EOB.
De raadsman heeft ter toelichting op het klaagschrift - kort samengevat - het volgende aangevoerd.
De verdediging heeft slechts beperkt kennis kunnen nemen van het EOB en verzoekt om aanhouding teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende autoriteit voor te leggen of er concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming door klaagster van een bepaald stuk.
De onderzoeksperiode wordt niet duidelijk uit het EOB. Klaagster stelt zich op het standpunt dat de onderzoeksperiode strekt van 20 december 2012 tot en met 31 mei 2016, niet zoals door de officier van justitie bepaald van 2012 tot 14 februari 2020.
De verdediging is het niet eens met de officier van justitie, waar zij stelt dat alles wat inbeslaggenomen is ongelimiteerd in aard en tijd aan de Roemeense autoriteiten ter beschikking kan worden gesteld. Slechts de in het EOB onder C genoemde documenten dienen onder het beslag te vallen.
De officier van justitie heeft inmiddels de inbeslaggenomen voorwerpen verstrekt aan de Roemeense autoriteiten. De officier van justitie heeft onvoldoende gemotiveerd waarom zij van de hoofdregel van artikel 5.4.9 lid 1 Sv is afgeweken. Daarnaast is een groot deel van de inbeslaggenomen stukken zonder de voorwaarden van artikel 5.4.9 lid 3 Sv verstrekt, hetgeen onomkeerbare en ernstige schade aan klaagster heeft toegebracht.
4. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond dient te
worden verklaard.
De FIOD heeft een overzicht gemaakt van welke van de bestanden verstrekt zouden moeten worden aan de Roemeense autoriteiten. Het betrof ongeveer 300 digitale bestanden. Dit overzicht is toegestuurd aan de raadsman met het verzoek aan te geven op welke bestanden verschoningsrecht zou rusten.
Door de raadsman is aangegeven dat tussen die bestanden geen geprivilegieerd materiaal aanwezig was. Wel stelde de raadsman dat volgens klager bepaalde bestanden buiten de onderzoeksperiode vielen en om die reden niet verstrekt zouden mogen worden aan de Roemeense autoriteiten.
In het EOB zelf wordt geen onderzoeksperiode genoemd. In de beschikking van de Roemeense OvJ d.d. 14 februari 2020 die bij het EOB was gevoegd, staat de periode genoemd van 2012 tot heden. Om die reden vallen wat het OM betreft alle geselecteerde bestanden binnen de onderzoeksperiode.
Aangezien er in de loop van 2020 mede vanwege corona geen zicht was op een zittingsdatum en de Roemeense autoriteiten het OM verzochten om met spoed het beslagene te verstrekken in verband met de naderende verjaringstermijn, heeft de officier van justitie op 12 maart 2021 de bestanden verstrekt onder de voorwaarde van artikel 5.4.9 lid 3 Sv. Deze voorwaarde geldt voor alle inbeslaggenomen voorwerpen. De spoed was mitsdien daarin gelegen dat verjaring dreigde.
Het is daarnaast niet nodig dat per bestand wordt aangegeven waarom dit relevant is voor het Roemeense vervolgingsonderzoek, nu het Nederlandse OM hier geen zicht op heeft.
5. Beoordeling
Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.
De voorwerpen zijn in beslag genomen in verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen, onder meer, klaagster in Roemenië ter zake van de verdenking dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals omschreven in het EOB. Klaagster wordt in het EOB omschreven als verdachte. Bij de uitvoering van het EOB is het Nederlands recht van toepassing. De beoordeling van het klaagschrift dient plaats te vinden op de voet van artikel 552a Sv.
In deze procedure dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor - in dit geval - artikel 94 SvPro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Nu de uitvaardigende autoriteit zich op het standpunt stelt dat het beslag van belang is voor de waarheidsvinding, dient de rechtbank in beginsel uit te gaan van de juistheid van die mededeling. Niet gebleken is van feiten en omstandigheden die maken dat van dat beginsel dient te worden afgeweken.
Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat, nu er een vervolgingsonderzoek in Roemenië loopt, voldoende is gebleken van een strafvorderlijk belang bij handhaving van het beslag, dit beslag kan bijdragen aan de waarheidsvinding. De voorwerpen zijn immers in beslag genomen met het doel om de waarheid aan het licht te brengen en zijn daartoe ook geschikt.
Het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding verzet zich dan ook tegen opheffing van het beslag dan wel de teruggave van het nog niet aan klaagster geretourneerde beslag zoals verzocht.
De rechtbank moet verder beoordelen of er weigeringsgronden van toepassing zijn.
De rechtbank merkt daarbij op dat de evenredigheid van het uitvaardigen van het EOB en het oordeel dat de inbeslagname bij kan dragen aan het bewijs en of deze proportioneel is in beginsel aan de uitvaardigende autoriteit is. Ingevolge artikel 5.4.10, derde lid, Sv doet de rechter geen onderzoek naar de gronden voor het uitvaardigen van het bevel, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het onderhavig klaagschrift.
Lijstfeit
In het EOB zijn als lijstfeiten aangekruist corruptie en witwassen van opbrengsten van misdrijven.
Naar het oordeel van de rechtbank is het lijstfeit voor alle feiten in redelijkheid aangekruist. De rechtbank mag daarom de dubbele strafbaarheid van de feiten niet onderzoeken (artikel 5.4.4, tweede lid, aanhef en onder a Sv).
De rechtbank heeft het gehele EOB ontvangen en ziet geen belang bij aanhouding om navraag te laten doen of er specifieke bezwaren bestaan tegen kennisneming van klaagster van het gehele EOB.
De rechtbank is van oordeel dat de onderzoeksperiode, zoals door de officier van justitie vastgesteld, kan worden aangehouden. De onderzoeksperiode hoeft niet gelijk te staan aan de pleegperiode, nu relevante stukken voor het bewijs niet per definitie slechts uit de pleegperiode komen.
De omvang van het beslag is niet, zoals door de raadsman gesteld, ongelimiteerd van aard. Na onderzoek zijn door de FIOD 300 documenten geselecteerd die relevant zijn; deze selectie is zorgvuldig gedaan.
De 300 bovengenoemde documenten zijn reeds aan de Roemeense autoriteiten verstrekt onder de voorwaarde van art. 5.4.9 lid 3 Sv. De officier van justitie heeft deze beslissing naar het oordeel van de rechtbank toereikend gemotiveerd. De raadsman heeft onvoldoende onderbouwd dat klaagster door deze beslissing ernstige onomkeerbare schade lijdt. Dat de reden van spoed, namelijk de verjaring, niet in het EOB is opgenomen is hierbij niet van belang. In verband met de corona-pandemie heeft de uitvoering van het EOB dusdanige vertraging opgelopen, dat dit voor de uitvaardigende autoriteit niet voorzienbaar was bij het uitvaardigen van het EOB.
Conclusie
Het beklag dient ongegrond te worden verklaard.” [2]
3.5.
In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de rechtbank het beoordelingskader zoals verwoord in de beschikking van de Hoge Raad van 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1227 heeft miskend, althans dat de beschikking onvoldoende is gemotiveerd. Nu door de klaagster in het klaagschrift is gesteld dat door onthouding van het gehele EOB onduidelijk was wat de inhoud, strekking en reikwijdte van het EOB was en inzage in het volledige EOB de klaagster de gelegenheid zou bieden om te kunnen vaststellen of de inbeslaggenomen stukken en gegevens binnen het bereik daarvan vallen, is volgens de stellers van het middel het belang van effectieve rechtsbescherming voldoende concreet ingevuld om wel over te gaan tot aanhouding. De rechtbank had het belang van de klaagster af moeten wegen tegen de overige bij het aanhoudingsverzoek betrokken belangen en daarop een gemotiveerde beslissing moeten nemen. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat de rechtbank genoemd beoordelingskader wel heeft toegepast, is de beslissing van de rechtbank dat geen belang wordt gezien tot aanhouding van de zaak teneinde navraag te laten doen of er specifieke bezwaren bestaan tegen kennisneming van klaagster van het gehele EOB, onbegrijpelijk, omdat niet blijkt waarom de klaagster geen belang heeft bij aanhouding.
3.6.
De door de stellers van het middel aangehaalde rolbeschikking van de Hoge Raad van 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1227 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“3 Juridisch kader
Het toepasselijk juridisch kader is weergegeven in de rolconclusie van de advocaat‑generaal onder 4. In het bijzonder kan worden gewezen op de volgende bepalingen:
“1. De lidstaten zien erop toe dat op de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregelen rechtsmiddelen toepasselijk zijn die gelijkwaardig zijn met die welke in een vergelijkbare binnenlandse zaak mogelijk zijn.
(...)
3. Indien de geheimhouding van een onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, krachtens artikel 19, lid 1, nemen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit passende maatregelen om ervoor te zorgen dat er informatie wordt verstrekt over de in het nationale recht geboden mogelijkheden om rechtsmiddelen in te stellen, zodra die middelen van toepassing worden, en wel tijdig zodat zij daadwerkelijk kunnen worden toegepast.”
“1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de uitvaardigende autoriteiten en de uitvoerende autoriteiten bij de tenuitvoerlegging van een EOB de geheimhouding van het onderzoek voldoende in acht nemen.
2. De uitvoerende autoriteit garandeert, overeenkomstig haar nationale recht, de geheimhouding van de feiten en de inhoud van het EOB, behalve voor zover deze gegevens met het oog op de tenuitvoerlegging van de onderzoeksmaatregelen moeten worden vrijgegeven. Indien de uitvoerende autoriteit niet in staat is aan de geheimhoudingsplicht te voldoen, stelt zij de uitvaardigende autoriteit hiervan onverwijld in kennis.
3. Overeenkomstig het nationale recht en tenzij anders bepaald door de uitvoerende autoriteit, zorgt de uitvaardigende autoriteit ervoor dat het bewijsmateriaal of de gegevens die door de uitvoerende autoriteit zijn verstrekt, niet worden vrijgegeven, behalve voor zover vrijgave nodig is met het oog op de in het EOB omschreven onderzoeken of procedures.”
“5. Het openbaar ministerie legt aan de raadkamer de op de zaak betrekking hebbende stukken over. De verdachte en andere procesdeelnemers zijn, evenals hun raadsman of advocaat, bevoegd van de inhoud van deze stukken kennis te nemen.
6. Het tweede tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing, voor zover het belang van het onderzoek hierdoor ernstig wordt geschaad.”
- Artikel 5.4.10 lid 1 Sv:
“De betrokkene bij wie in het kader van uitvoering van een Europees onderzoeksbevel voorwerpen in beslag zijn genomen danwel gegevens zijn gevorderd, of bij wie gegevens zijn vastgelegd tijdens een doorzoeking of onderzoek in een geautomatiseerd werk, aan wie een vordering medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van gegevens is gedaan, of die een vordering heeft ontvangen om gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede de betrokkene bij wie ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, als bedoeld in artikel 125o, heeft plaatsgevonden wordt, indien de geheimhouding van het onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, in kennis gesteld van zijn bevoegdheid om binnen veertien dagen na kennisgeving een klaagschrift ingevolge artikel 552a in te dienen bij de rechtbank.”
(…)
4.5
Naar aanleiding van het gestelde in de rolconclusie van de advocaat-generaal onder 4.18 en 4.19 merkt de Hoge Raad het volgende op.
Uitgangspunt van artikel 19 vanPro de Richtlijn is dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de betrokken autoriteiten bij de tenuitvoerlegging van een EOB de geheimhouding van het onderzoek voldoende in acht nemen, en dat de uitvoerende autoriteit de geheimhouding van de feiten en de inhoud van het EOB garandeert. Tenzij uit het EOB of anderszins blijkt dat de uitvaardigende autoriteit de nakoming van die verplichting tot geheimhouding niet nodig acht, geldt deze verplichting ook in gevallen waarin na een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.4.10 lid 1 Sv op grond van artikel 552a Sv een klaagschrift is ingediend.
Deze verplichting staat er niet aan in de weg dat het openbaar ministerie op grond van artikel 23 lid 5 SvPro alle op de zaak betrekking hebbende stukken moet overleggen en dat de raadkamer die over het klaagschrift moet oordelen van die stukken kennisneemt. Wel zal deze verplichting doorgaans grond geven voor het oordeel dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad als de betrokkene en/of zijn raadsman kennis kunnen nemen van de stukken waaruit de inhoud van het EOB blijkt. In dat geval kan de raadkamer hun die kennisneming op de voet van artikel 23 lid 6 SvPro onthouden. Het belang van een effectieve rechtsbescherming van de betrokkene kan echter meebrengen dat het openbaar ministerie in die situatie eerst aan de uitvaardigende autoriteit de vraag voorlegt of er concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming door de betrokkene van een bepaald stuk.
In geval van cassatie geldt de in artikel 434 SvPro opgenomen verplichting tot het inzenden van het dossier aan de griffier van de Hoge Raad ook met betrekking tot de stukken waarvan de betrokkene en zijn raadsman geen kennis hebben kunnen nemen.”
3.7.
In mijn conclusie van 29 maart jl. (PHR:2022:282) deed zich het geval voor dat teruggave werd gevraagd van een op grond van een door de Duitse autoriteiten uitgevaardigd EOB inbeslaggenomen mobiele telefoon. In die zaak was door de raadsvrouw van de klaagster ook een verzoek om aanhouding gedaan teneinde de Duitse autoriteiten te verzoeken of er concrete bezwaren bestonden tot kennisneming van het EOB en het proces-verbaal van inbeslagname door de klaagster. Aan dat verzoek was ten grondslag gelegd dat de klaagster reeds beschikte over het EAB, waarin de tegen haar gerezen verdenking was opgenomen, welke verdenking vermoedelijk gelijk was aan de verdenking die in het EOB zou zijn opgenomen. De details van het onderzoek zouden zodoende reeds bekend zijn, zodat volgens de raadsvrouw van de klaagster niet goed viel in te zien waarin de ernstige schade zou zijn gelegen als zij de beschikking zouden krijgen over het EOB en de redenen om tot inbeslagneming over te gaan. De officier van justitie had in raadkamer aangegeven niet opnieuw aan de Duitse autoriteiten te verzoeken of zij de geheimhouding wensten voor te zetten. De rechtbank stelde vast dat klaagster weliswaar beschikte over het EAB waarin de omschrijving van de verdenking tegen de klaagster was opgenomen, maar dat daarin geen gegevens van het Duitse strafrechtelijk onderzoek staan vermeld. Het beschikken over het EAB was voor de rechtbank daarom onvoldoende reden om tot inwilliging van het (aanhoudings)verzoek over te gaan. Het verzoek tot geheimhouding van de Duitse autoriteiten zou juist betrekking hebben op onderzoekshandelingen in het EOB die niet in een EAB worden vermeld. Ook zou het beoordelingskader in de beschikking van de Hoge Raad van 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1227 niet een verplichting tot navraag inhouden, zodat het volgens de rechtbank op de weg van de klaagster lag om nader te onderbouwen waarin de potentiële schending van de effectieve rechtsbescherming zou liggen. In die conclusie heb ik het standpunt ingenomen dat deze uitleg van het beoordelingskader niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en voorts dat de oordelen van de rechtbank dat van de klaagster mag worden verwacht dat zij nader concretiseert waarom kennisneming van de in het EOB vermelde onderzoekshandelingen het belang van het onderzoek niet zou schaden en het vertrouwensbeginsel ook een nadere concretisering van het verdedigingsbelang vergt - en de klaagster daarin niet was geslaagd - niet onbegrijpelijk waren. Op het moment van het schrijven van deze conclusie heeft de Hoge Raad in die zaak nog geen uitspraak gedaan.
3.8.
In het onderhavige geval is door de klaagster in het klaagschrift aangegeven dat zij beschikt over de onderdelen A t/m F van het EOB en over het doorzoekingsbevel van het Hoge Hof van Cassatie en Justitie van Roemenië van 25 november 2020. Beide stukken zijn als bijlage 2 bij het klaagschrift gevoegd. Het (huis)zoekingsbevel houdt in (zijn algemeenheid in) dat het doel van het uitvaardigen van het bevel is het ontdekken en verzamelen van bewijsmateriaal betreffende het plegen van misdrijven van ambtsmisbruik die gelijkgesteld zijn met corruptie, het aannemen van steekpenningen en omkoping. In het bevel staat een opsomming van documenten die bij de huiszoeking bij de klaagster moeten worden opgehaald, welke opsomming gelijk is aan de opgesomde documenten in onderdeel C van het EOB (“Uit te voeren onderzoeksmaatregel(en)”). In genoemde opsomming worden onder meer de namen van klaagster (voorheen: [C] NV ( [C] )) en de ondernemingen [B] LLC en [D] genoemd. In de door de raadsman tijdens de raadkamerbehandeling overgelegde pleitnota is voorts gesteld dat aan de raadslieden van de klaagster op enig moment het doorzoekingsproces-verbaal is verstrekt en dat daarin door de verbalisanten wordt gerefereerd aan de verdenking van ambtelijke omkoping die in het EOB zou zijn vermeld, welke verdenking betrekking zou hebben op de personen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (vice president van de klaagster). Ook de onderneming van de klaagster en eerdergenoemde bedrijven [B] en [D] zouden hierbij betrokken zijn geweest. Volgens de raadsman van de klaagster is daarmee een deel van de ontbrekende informatie ingevuld en is het tegen deze achtergrond de vraag of het belang van het onderzoek daadwerkelijk ernstig wordt geschaad indien de klaagster en/of haar raadsman kennis kunnen nemen van de stukken waaruit de (verdere) inhoud van het EOB blijkt. Dit aspect zou de rechtbank dan ook bij haar beoordeling van het verzoek tot aanhouding dienen te betrekken. Ik merk nog op dat het de verdediging bij de ontbrekende onderdelen vermoedelijk in het bijzonder zal gaan om onderdeel G (“Gronden voor de uitvaardiging van het EOB”) en meer in het bijzonder sub 1 (“Overzicht van de feiten”). [3]
3.9.
In het onderhavige geval heeft de rechtbank vastgesteld dat zij het gehele EOB heeft ontvangen en geoordeeld dat zij geen belang ziet bij aanhouding om navraag te doen of er specifieke bezwaren bestaan tegen kennisneming van klaagster van het gehele EOB. Deze overweging maakt volgens de stellers van het middel niet inzichtelijk waarom de rechtbank geen belang ziet bij aanhouding van de zaak. Als gezegd is namens de klaagster in het klaagschrift gesteld dat het op basis van de aan de klaagster verstrekte stukken - temeer nu het doorzoekingsproces-verbaal niet is verstrekt - onduidelijk is wat de inhoud en strekking van het EOB is, dat zonder inzicht in de inbeslaggenomen stukken en het volledige EOB niet kan worden vastgesteld of de inbeslaggenomen stukken en gegevens binnen de reikwijdte van het EOB vallen en het (zodoende) niet mogelijk is om de klacht inhoudelijk te motiveren, waardoor de klaagster ernstig in haar rechtsbelang zou worden geschaad. In raadkamer is wederom betoogd dat door het ontbreken van informatie over bijvoorbeeld de tenlastegelegde of onderzochte strafbare feiten (onderdeel G van het EOB), het doorgaans slecht doenlijk is het beklag meer inhoudelijk te motiveren.
3.10.
Dat de rechtbank kennelijk op grond van hetgeen is aangevoerd geen reden heeft gezien om het onderzoek aan te houden teneinde het openbaar ministerie aan de uitvaardigende autoriteit de vraag voor te laten leggen of er concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming door de betrokkene van het gehele EOB, komt mij gelet op de inhoud van de wel aan de klaagster ter beschikking gestelde stukken, zoals hiervoor onder 3.8 samengevat is weergegeven, niet onbegrijpelijk voor. Niet kan immers worden gezegd dat op basis van genoemde informatie, waarin naast een drietal concrete misdrijven ook de namen van een drietal betrokken ondernemingen (waaronder klaagster) worden genoemd, geen inhoudelijk gemotiveerde klacht kan worden geformuleerd. De enkele stellingname dat door ontvangst van het doorzoekingsproces-verbaal verdere kennis is verkregen over de inhoud van het EOB maakt dit - zoals hierna bij de bespreking van het eerste middel ook aan de orde komt - niet anders. Hoewel het de voorkeur zou hebben verdiend dat de rechtbank haar oordeel nader had gemotiveerd, meen ik dat de afwijzing van het verzoek niet onbegrijpelijk is.
3.11.
Het middel faalt.
4.Het eerste middel
4.1.
Het middel klaagt over de beslissing van de rechtbank tot onthouding van de kennisneming door de klaagster en/of haar raadsman van het gehele EOB.
4.2.
In de toelichting op het middel wordt (evenals bij het tweede middel) door de stellers van het middel aangevoerd dat de rechtbank het beoordelingskader zoals verwoord in de beschikking van de Hoge Raad van 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1227 heeft miskend, althans dat uit de bestreden beschikking niet blijkt dat de raadkamer dit beoordelingskader juist heeft toegepast. Uit de overweging van de rechtbank dat zij geen belang bij aanhouding ziet om navraag te laten doen of er specifieke bezwaren bestaan tegen kennisneming van klaagster van het gehele EOB volgt volgens de stellers van het middel niet noodzakelijkerwijs dat het belang van het onderzoek door kennisneming van het EOB ernstig wordt geschaad, zodat die overweging de onthouding van het volledige EOB aan klaagster niet kan dragen. De rechtbank heeft niet geoordeeld dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad als de klaagster en/of haar raadsman kennis kunnen nemen van de stukken waaruit de inhoud van het EOB blijkt, terwijl dat de enige uitzondering is waarbij de rechtbank de stukken aan procesdeelnemers kan onthouden. Dat de Hoge Raad in genoemde beschikking oordeelde dat de geheimhoudingsverplichting omtrent het EOB ‘doorgaans’ grond geeft voor het oordeel dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad als de betrokken en/of zijn raadsman kennis kunnen nemen van de stukken waaruit de inhoud van het EOB blijkt, neemt volgens de stellers van het middel niet weg dat de rechtbank in het licht van alle bekende feiten en omstandigheden dient te beoordelen of in het onderhavige geval onthouding van stukken toelaatbaar is. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat de rechtbank genoemd beoordelingskader wel heeft toegepast zou de bestreden beschikking, mede in het licht van hetgeen namens de klaagster is aangevoerd, onbegrijpelijk althans ontoereikend zijn gemotiveerd. In dat verband wordt aangevoerd dat klaagster wel over de onderdelen A t/m F van het EOB beschikt. Hieruit zou onder meer blijken welke onderzoeksmaatregelen Roemenië verzocht (onderdeel C), of er verband was met een eerder EOB (onderdeel D), wat de identiteit is van de betrokkene (onderdeel E) en voor wat voor procedure het EOB is uitgevaardigd (onderdeel F). De klaagster was daarmee dus op de hoogte van de verzochte onderzoekshandelingen en - naar zij meent onweersproken gesteld - ook van de inhoud van de strafprocedure waarmee het EOB verband hield. Tegen de achtergrond van art. 23, zesde lid, Sv zou het voorts zonder nadere motivering onbegrijpelijk zijn waarom kennisname door klaagster of haar raadslieden van bijvoorbeeld onderdeel J of onderdeel K, handelend over respectievelijk de tegen uitvaardiging van het EOB ingestelde rechtsmiddelen en de gegevens over de autoriteit die het EOB heeft uitgevaardigd, in dit concrete geval het belang van het onderzoek ernstig zou schaden. De beslissing van de rechtbank om kennisneming van het volledige EOB aan klaagster te onthouden, althans niet meer onderdelen van het EOB beschikbaar te maken aan de klaagster, zou derhalve onvoldoende zijn gemotiveerd.
4.3.
In de bestreden beschikking ligt besloten dat klaagster en/of haar raadsman de kennisneming van de gehele inhoud van het EOB moet worden onthouden. Hoewel namens de klaagster, onder verwijzing naar de mogelijke inhoud van het EOB, nader is geconcretiseerd waarom kennisneming van het gehele EOB het belang van het onderzoek niet zou schaden, meen ik dat genoemde beslissing van de rechtbank niet onbegrijpelijk is. Naar aanleiding van de enkele stellingname dat uit het op enig moment aan de raadslieden verstrekte doorzoekingsproces-verbaal zou blijken van wetenschap van de inhoud en de strekking van het EOB (hierbij zal met name bedoeld zijn: onderdeel G van het EOB) kan de rechtbank in een procedure als de onderhavige waarin geheimhouding het uitgangspunt is, immers geen uitspraak doen zonder die geheimhouding prijs te geven. In ieder geval wordt met die stellingname – de gegevens zijn reeds bekend - het belang van het verzoek om kennisneming van het gehele EOB naar ik meen niet onderbouwd. Tegen deze achtergrond, en in het licht van het in de overzichtsbeschikking gehanteerde uitgangspunt, komt het kennelijke oordeel van de rechtbank dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad als de klaagster en/of haar raadsman kennis kunnen nemen van de stukken waaruit de verdere inhoud van het EOB blijkt mij niet onbegrijpelijk voor. Tenslotte valt niet goed in te zien waarom de klaagster in haar belangen zou worden geschaad door onthouding van de kennisneming van de onderdelen H t/m I van het EOB. [4] De toelichting bij het middel bevat op dit punt evenmin een aanknopingspunt.
4.4.
Het middel faalt.
5.Het derde middel
5.1.
Het middel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de beslissing van de officier van justitie tot verstrekking van de uitgeselecteerde documenten aan de Roemeense autoriteiten onder de voorwaarde van art. 5.4.9 lid 3 Sv toereikend is gemotiveerd.
5.2.
In de toelichting op het middel wordt een drietal klachten opgeworpen. In de eerste plaats wordt geklaagd dat het (impliciete) oordeel van de rechtbank dat de voorlopige terbeschikkingstelling overeenkomstig art. 5.4.9, derde lid, Sv zou zijn geschied, onjuist is, althans onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd. Namens de klaagster is immers gemotiveerd gesteld dat buiten een zevental gespecificeerde stukken (IBN-002-01, IBN 002-02, IBN-003-01, DOC-009, DOC-010, DOC 0-11 en DOC 0-12) waarop de voorwaarden als bedoeld in art. 5.4.9 lid 3 Sv wel van toepassing waren, de overige (293) documenten niet zijn verstrekt onder de in art. 5.4.9 lid 3 Sv genoemde voorwaarden. Bij de mondelinge behandeling is er door de klaagster ook uitdrukkelijk op gewezen dat er 293 bestanden zonder beperking aan de Roemeense autoriteiten zijn overgeleverd. De feitelijke vaststelling van de rechtbank dat 300 documenten reeds zijn verstrekt aan de Roemeense autoriteiten onder de voorwaarde van art. 5.4.9 lid 3 Sv zou daarom, zonder nadere motivering die ontbreekt, onbegrijpelijk zijn.
5.3.
De schriftelijke reactie van het openbaar ministerie op het klaagschrift van de klaagster houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Omdat was aangegeven door de raadsman dat er mogelijk verschoningsgerechtigd materiaal in het beslag zou zitten heb ik een lijst gevraagd met namen van verschoningsgerechtigden. Ik ontving van de raadsman alleen een lijst met advocatenkantoren en niet met individuele verschoningsgerechtigden. Omdat die lijst te algemeen was heb ik de FIOD opdracht gegeven om aan de hand van de zoektermen genoemd door de Roemeense autoriteiten relevante bestanden uit het beslag te selecteren. Daar kwamen 795 hits uit. De FIOD heeft vervolgens een overzicht gemaakt van welke van deze bestanden verstrekt zouden moeten worden aan de Roemeense autoriteiten. Het
betrof ongeveer 300 bestanden. Dit overzicht is toegestuurd aan de raadsman met het verzoek aan te geven op welke bestanden verschoningsrecht zou rusten. Door de raadsman is aangegeven dat tussen die bestanden geen geprivilegieerd materiaal aanwezig was. Wel stelde de raadsman aan dat volgens klager bepaalde bestanden buiten de onderzoeksperiode vielen en om die reden niet verstrekt zouden mogen worden aan de Roemeense autoriteiten.
In het EOB zelf wordt geen onderzoeksperiode genoemd. In de beschikking van de Roemeense OvJ d.d. 14 februari 2020 dat bij het EOB was gevoegd staat de periode genoemd van 2012 tot heden. OM die reden valt wat het OM betreft al de geselecteerde bestanden binnen de onderzoeksperiode.
Aangezien er geen zicht was op een zittingsdatum en de Roemeense autoriteiten mij verzochten om met spoed het beslag te verstrekken heb ik op 12 maart 2021 de bestanden verstrekt onder de voorwaarde van artikel 5.4.9 lid 3 WvSv. Ik heb hiervan de raadsman op de hoogte gebracht.”
5.4.
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“De officier van justitie deelt in aanvulling op het schriftelijk standpunt mede, zakelijk weergegeven:
De bestanden betreffen met name facturen en een enkele PowerPoint presentatie. Door de raadsman wordt gezegd dat deze ongelimiteerd ter beschikking zijn gesteld, maar[t] dat klopt niet. Het is uitgezocht en er zijn uiteindelijk 300 bestanden opgestuurd. (…) Dan de voorwaarden van art. 549 lid 3 SvPro, dit geldt alleen voor waar het klaagschrift op ziet. Ik zie geen probleem niet, het kan ook zijn dat we bijvoorbeeld een uittreksel van de Kamer van Koophandel hebben opgevraagd, dat kan gewoon worden verstrekt. We hebben enkel verstrekt hetgeen we zelf hebben geselecteerd. Waarom de andere stukken niet vrij verstrekt zouden mogen worden begrijp ik niet. (…) Ik heb in de brief aan de Roemeense autoriteiten aangegeven dat die stukken waar het klaagschrift op ziet, niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs zolang de uitspraak niet onherroepelijk is.
Ik hoor van de raadsman dat er stukken zouden zijn gebruikt in een verhoor, het gebruik van een factuur bij een verhoor is niet direct hetzelfde als gebruiken voor het bewijs.
De raadsman deelt mede, zakelijk weergegeven:
Ik denk dat er sprake is van een misverstand. Artikel 549 lid 3 wordtPro ingeroepen voor die zeven bestanden, maar al het overige materiaal kan ongelimiteerd gebruikt worden. Er zijn 300 bestanden overgeleverd, dus 293 bestanden zijn overgeleverd aan de Roemeense autoriteiten zonder beperking.
De officier van justitie deelt mede, zakelijk weergegeven:
Er staat in die lijst van inbeslagname dat alles wat onder dat beslag valt onder de voorwaarden van 549 lid 3 valt. Er wordt ook genoemd de lijst van inbeslagname. Ik kan de raadsman hierin niet volgen. In die brief staat ‘information obtained during the search’ dat ziet op alles wat tijdens de doorzoeking in beslag is genomen.
(…)”
5.5.
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich de onder 5.4 genoemde brief die aan de Roemeense autoriteiten is verstuurd. Deze brief houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Dear (…),
Hereby I send to you the data we gathered in the execution of your EIO (our reference [001], your reference 429/C/2020). As I explained to you before, [klaagster] has filed a complaint with the Court about the search that took place on the premises of the office on [a-straat 1] , [postcode] Amsterdam on 26 November 2020. This means that I can only provide you with the data from that search under specific conditions mentioned in art. 5.4.9 sub 3 of the Dutch Criminal Procedural Code: In deviation from the first paragraph, if the issuing authority has sufficiently motivated that an immediate transfer is essential for the proper conduct of the investigation or for the protection of individual rights, evidence that was gathered in the execution of the order may be made available to the issuing authority provisionally, if and insofar as this does not cause serious and irreversible damage to the interests of the interested party. The provisional availability takes place under the conditions that Dutch law continues to apply in full with regard to the results submitted and that their use as evidence is only possible after they have been definitely made available. I note that an immediate transfer is essential: your EIO is dated 14 February 2020, but due to COVID-19 restrictions there was a delay in executing the search. On 27 October 2020 I received a message through Eurojust that the Rumanian authorities requested a shift execution of the EIO because of prescription of the offenses. Because of this we prioritized your request and conducted the search on 26 November 2020. On 23 February I received a message from you that given the fact that you will soon proceed to hear the witnesses you were interested in receiving the information. Since providing you provisionally with this information does not damage the interests of [klaagster] , I see reason to invoke art. 5.4.9 sub 3 Dutch CPC and I will provide you with the information under the conditions mentioned in that article.
The complaint of [klaagster] regards only the information obtained during the search: IBN-002-01 IBN-002-02 IBN-003-01 DOC-009 DOC-010 DOC-011 DOC-012
All other information and data provided in the execution of your EIO does not fall under the conditions mentioned in art. 5.4.9 sub 3 Dutch CPC and can be used as evidence by your authorities.
I trust that I have provided you with sufficient information.”
5.6.
De rechtbank heeft, anders dan door de raadsman van klaagster is gesteld, geoordeeld dat de omvang van het beslag niet ongelimiteerd van aard is, omdat na een zorgvuldige selectie door de FIOD 300 documenten zijn geselecteerd die relevant zijn. Volgens de rechtbank zijn deze 300 documenten reeds aan de Roemeense autoriteiten verstrekt onder de voorwaarde van art. 5.4.9 lid 3 Sv en heeft de officier van justitie deze beslissing toereikend gemotiveerd. Dit oordeel is, gelet op de inhoud van de onder 5.3 t/m 5.5 weergegeven stukken, niet onbegrijpelijk.
5.7.
De eerste deelklacht faalt.
5.8.
In de tweede plaats wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de raadsman onvoldoende heeft onderbouwd dat klaagster door de beslissing van de officier van justitie om de 300 documenten reeds aan de Roemeense autoriteiten te verstrekken onder de voorwaarde van art. 5.4.9 lid 3 Sv ernstige en onomkeerbare schade lijdt. Betoogd wordt dat tijdens de mondelinge behandeling is verwezen naar het op verzoek van de Roemeense autoriteiten met behulp van de FBI in de Verenigde Staten in het kader van het Roemeense strafrechtelijke onderzoek gehoorde getuigen, die zeer waarschijnlijk zijn geconfronteerd met het voorlopig terbeschikkinggestelde materiaal. Volgens de stellers van het middel is het delen van op grond van het EOB verkregen documenten met buitenlandse niet-Europese opsporingsautoriteiten en het concrete risico dat de inhoud van die documenten zonder enige restrictie met derden (getuigen) wordt gedeeld ernstige en onomkeerbare schade als bedoeld in art. 5.4.9 lid 3 Sv, omdat er voor de klaagster geen waarborgen zijn getroffen en er evenmin een duidelijk rechtsmiddel voor klaagster is om informatie uit handen van de opsporingsautoriteiten in de Verenigde Staten of de aldaar gehoorde getuigen te halen. Ook zou het op de weg van de officier van justitie liggen om te motiveren waarom geen sprake is van ernstige en onomkeerbare schade als gevolg van voorlopige terbeschikkingstelling, nu het de officier van justitie is die de bevoegdheid aanwendt. De enkele vaststelling van de officier van justitie dat van ernstige en onomkeerbare schade geen sprake is zou daartoe niet volstaan, zodat die vaststelling het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van ernstige en onomkeerbare schade niet kan dragen. Bovendien zou het delen van informatie afkomstig uit de toepassing van dwangmiddelen altijd het concrete gevaar in zich bergen dat vertrouwelijke gegevens (waaronder ook persoonsgegevens) zonder verdere waarborgen worden gedeeld met derden.
5.9.
De door de raadsman van de klaagster in raadkamer overgelegde pleitnota houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“5.15 Klaagster stelt zich op het standpunt dat het handelen van de officier van justitie ernstige en onomkeerbare schade aan haar belangen toebrengt.
5.16
In dit verband merk ik op dat blijkens informatie van de Roemeense advocaten van klager, kort nadat het inbeslaggenomen materiaal door de officier van justitie aan Roemenië was verstrekt, op basis van een bilateraal rechtshulpverdrag tussen Roemenië en de Verenigde Staten, op verzoek van Roemenië getuigen - waarschijnlijk uit de hoek van [B] / [D] - met behulp van de FBI in de Verenigde Staten zijn gehoord. De Roemeense advocaten achten het op basis van de bij hen bekende informatie zeer waarschijnlijk dat deze getuigen zijn geconfronteerd met het door de officier van justitie verstrekte materiaal.
(…)
5.21
De in de wet opgenomen rechtswaarborgen tegen de ongelimiteerde verstrekking van een op de voet van artikel 5.4.5 Sv uitgevoerd EOB zijn niet dan wel minst genomen onvolledig door de officier van justitie in acht genomen. Daarmee zijn de belangen van klaagster geschaad en zijn de gevolgen van de beslissing van de officier van justitie voor klaagster ernstig en onomkeerbaar.”
5.10.
Het oordeel van de rechtbank dat de raadsman van de klaagster onvoldoende heeft onderbouwd dat de klaagster door de beslissing van de officier van justitie tot het reeds aan de Roemeense autoriteiten verstrekken van de 300 uitgeselecteerde documenten onder de voorwaarde van art. 5.4.9 lid 3 Sv ernstige en onomkeerbare schade lijdt, is niet onbegrijpelijk. Het door de raadsman aangevoerde houdt immers niet meer in dan de niet nader onderbouwde stellingname dat de Roemeense advocaten (van de klaagster) het op basis van de bij hen bekende informatie zeer waarschijnlijk achten dat getuigen in de Verenigde Staten zouden zijn geconfronteerd met het door de officier van justitie verstrekte materiaal. Overigens houdt het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer als reactie van de officier van justitie in dat het gebruik van een factuur - de bestanden zouden met name facturen en een enkele PowerPoint presentatie betreffen - bij een verhoor niet direct hetzelfde is als gebruiken voor het bewijs.
5.11.
Ook deze deelklacht faalt.
5.12.
In de derde plaats wordt - kort gezegd - geklaagd dat in het onderhavige geval niet middels het EOB om spoed is verzocht, terwijl dit wel in een aanvullend EOB had kunnen worden vervat.
5.13.
Art. 13 lid 2 vanPro de EOB-Richtlijn (Richtlijn 2014/41/EU) houdt het volgende in:
“De overdracht van het bewijsmateriaal kan worden opgeschort in afwachting van een beslissing op een ingesteld rechtsmiddel, tenzij in het EOB voldoende gemotiveerd is dat een onmiddellijke overdracht essentieel is voor het goede verloop van het onderzoek of voor de bescherming van de individuele rechten. De overdracht van het bewijsmateriaal wordt echter opgeschort indien de betrokkene daardoor ernstige en onomkeerbare schade zou lijden.”
Art. 5.4.9 derde lid Sv houdt het volgende in:
“In afwijking van het eerste lid, kan indien de uitvaardigende autoriteit voldoende heeft gemotiveerd dat een onmiddellijke overdracht essentieel is voor het goede verloop van het onderzoek of voor de bescherming van de individuele rechten, aan de uitvaardigende autoriteit bewijsmateriaal vergaard ter uitvoering van het bevel voorlopig ter beschikking worden gesteld, indien en voor zover dit geen ernstige en onomkeerbare schade toebrengt aan de belangen van de belanghebbende.”
5.14.
In de toelichting op het middel wordt door de stellers van het middel betoogd dat in art. 5.4.9 derde lid Sv is beoogd art. 13 lid 2 vanPro de EOB-Richtlijn te implementeren en dat een richtlijnconforme uitleg van art. 5.4.9 derde lid Sv meebrengt dat een motivering tot onmiddellijke overdracht alleen vervat kan zijn in het EOB, zoals art. 13 lid 2 EOBPro-Richtlijn bepaalt. De rechtbank zou dit hebben miskend.
5.15.
De rechtbank heeft, zoals hiervoor ter sprake kwam, geoordeeld dat de raadsman onvoldoende heeft onderbouwd dat klaagster ernstige onomkeerbare schade heeft geleden door het reeds onder de voorwaarde van art. 5.4.9 lid 3 Sv verstrekt zijn van de uitgeselecteerde documenten aan de Roemeense autoriteiten en daarbij in aanmerking genomen dat de omstandigheid dat de reden van spoed (verjaring) niet in het EOB is opgenomen hierbij niet van belang is. In dat verband heeft de rechtbank vastgesteld dat de uitvoering van het EOB door de corona-pandemie dusdanige vertraging heeft opgelopen dat dit voor de uitvaardigende autoriteit niet voorzienbaar was bij het uitvaardigen van het EOB.
5.16.
Dat het EOB een onderdeel inhoudt dat specifiek betrekking heeft op de spoedeisendheid (onderdeel B), staat er niet aan in de weg dat bijzondere omstandigheden (zoals in het onderhavige geval de corona-pandemie) mee kunnen brengen dat de spoedeisendheid eerst na uitvaardiging van het EOB ontstaat. Bovendien ziet genoemd onderdeel van het EOB op spoedeisendheid van de uitvoering van het onderzoek, terwijl art. 5.4.9 lid 3 Sv betrekking heeft op het voorlopig ter beschikking stellen van ter uitvoering van het bevel vergaard bewijsmateriaal. De opvatting van de stellers van het middel dat een richtlijnconforme uitleg van art. 5.4.9 derde lid Sv meebrengt dat een dergelijk verzoek alleen bij (aanvullend) EOB kan worden gedaan deel ik niet. De totstandkomingsgeschiedenis van art. 5.4.9 derde lid Sv biedt daarvoor geen aanwijzingen [5] , terwijl art. 7 lid 2 vanPro de EOB-richtlijn inhoudt dat na toezending van het EOB door de uitvaardigende autoriteit alle verdere officiële communicatie rechtstreeks tussen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit geschiedt.
5.17.
Blijkens de onder 5.5 weergegeven brief heeft de officier van justitie op 27 oktober 2020 via Eurojust - het EU-Agentschap voor justitiële samenwerking in strafzaken - een verzoek ontvangen tot “a shift execution of the EIO” in verband met verjaring. De doorzoeking heeft vervolgens op 26 november 2020 plaatsgevonden. Op 23 februari 2021 heeft de officier van justitie een bericht van de in de onder 5.5 genoemde brief aangeschreven persoon ontvangen om de uit het onderzoek verkregen informatie toe te zenden in verband met de wens tot het spoedig horen van getuigen. Het oordeel van de rechtbank dat de officier van justitie zijn beslissing tot voorlopige terbeschikkingstelling toereikend heeft gemotiveerd is tegen deze achtergrond niet onbegrijpelijk. Ik merk nog op dat over de precieze gang van zaken ook niet veel meer had kunnen worden gedeeld, in aanmerking genomen dat onderdeel G (gronden voor de uitvaardiging van het EOB) en onderdeel K (de autoriteit die het EOB heeft uitgevaardigd) van het EOB niet aan de klaagster en/of haar raadsman zijn verstrekt.
5.18.
Ook deze deelklacht faalt.
6. De middelen falen.
7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.De reactie van het Openbaar Ministerie op het klaagschrift houdt op p.1 in: “Na de zoeking heeft de raadsman mij verzocht om een kopie van het EOB plus Roemeense zoekingsbevel, en van opgestelde processen-verbaal. Beide verzoeken heb ik voorgelegd aan de Roemeense autoriteiten, en die hebben toegestemd. Wat betreft het EOB gold die toestemming alleen voor de secties A, B, C, D, E en F. Het EOB is op 1 november (ik begrijp: december) 2020 op die wijze verstrekt, tezamen met het zoekingspv (ik begrijp: zoekingsbevel). Later is ook een afschrift van het EOB plus zoekingsbevel (A tm F) in de Roemeense taal verstrekt.”
2.In onderdeel E (“Identiteit van de betrokkene”) van het EOB is het vakje “getuige” aangekruist.
3.De overige onderdelen van een EOB betreffen: onderdeel H (“Aanvullende eisen voor bepaalde maatregelen”), onderdeel I (“Voor de uitvoering vereiste vormvoorschriften”), onderdeel J (“Rechtsmiddelen”), onderdeel K (“Gegevens over de autoriteit die het EOB heeft uitgevaardigd”) en onderdeel L (“Gegevens over de rechterlijke autoriteit die het EOB heeft gevalideerd”); zie https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32014L0041