Conclusie
3.Het tweede middel
8. Voorts is niet duidelijk wat de omvang is van het beslag en de vastlegging van de gegevens. Zo is niet uitgesloten dat er zich (een groot) aantal gegevens bevindt dat buiten de reikwijdte van het Europees onderzoeksbevel valt.
In de door de raadsman tijdens de raadkamerbehandeling overgelegde pleitnota is voorts gesteld dat aan de raadslieden van de klaagster op enig moment het doorzoekingsproces-verbaal is verstrekt en dat daarin door de verbalisanten wordt gerefereerd aan de verdenking van ambtelijke omkoping die in het EOB zou zijn vermeld, welke verdenking betrekking zou hebben op de personen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (vice president van de klaagster). Ook de onderneming van de klaagster en eerdergenoemde bedrijven [B] en [D] zouden hierbij betrokken zijn geweest. Volgens de raadsman van de klaagster is daarmee een deel van de ontbrekende informatie ingevuld en is het tegen deze achtergrond de vraag of het belang van het onderzoek daadwerkelijk ernstig wordt geschaad indien de klaagster en/of haar raadsman kennis kunnen nemen van de stukken waaruit de (verdere) inhoud van het EOB blijkt. Dit aspect zou de rechtbank dan ook bij haar beoordeling van het verzoek tot aanhouding dienen te betrekken. Ik merk nog op dat het de verdediging bij de ontbrekende onderdelen vermoedelijk in het bijzonder zal gaan om onderdeel G (“Gronden voor de uitvaardiging van het EOB”) en meer in het bijzonder sub 1 (“Overzicht van de feiten”). [3]
4.Het eerste middel
5.Het derde middel
(…)
Dan de voorwaarden van art. 549 lid 3 Sv Pro, dit geldt alleen voor waar het klaagschrift op ziet. Ik zie geen probleem niet, het kan ook zijn dat we bijvoorbeeld een uittreksel van de Kamer van Koophandel hebben opgevraagd, dat kan gewoon worden verstrekt. We hebben enkel verstrekt hetgeen we zelf hebben geselecteerd. Waarom de andere stukken niet vrij verstrekt zouden mogen worden begrijp ik niet.
(…)
Ik heb in de brief aan de Roemeense autoriteiten aangegeven dat die stukken waar het klaagschrift op ziet, niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs zolang de uitspraak niet onherroepelijk is.
As I explained to you before, [klaagster] has filed a complaint with the Court about the search that took place on the premises of the office on [a-straat 1] , [postcode] Amsterdam on 26 November 2020. This means that I can only provide you with the data from that search under specific conditions mentioned in art. 5.4.9 sub 3 of the Dutch Criminal Procedural Code:
In deviation from the first paragraph, if the issuing authority has sufficiently motivated that an immediate transfer is essential for the proper conduct of the investigation or for the protection of individual rights, evidence that was gathered in the execution of the order may be made available to the issuing authority provisionally, if and insofar as this does not cause serious and irreversible damage to the interests of the interested party. The provisional availability takes place under the conditions that Dutch law continues to apply in full with regard to the results submitted and that their use as evidence is only possible after they have been definitely made available.
I note that an immediate transfer is essential: your EIO is dated 14 February 2020, but due to COVID-19 restrictions there was a delay in executing the search. On 27 October 2020 I received a message through Eurojust that the Rumanian authorities requested a shift execution of the EIO because of prescription of the offenses. Because of this we prioritized your request and conducted the search on 26 November 2020. On 23 February I received a message from you that given the fact that you will soon proceed to hear the witnesses you were interested in receiving the information.
Since providing you provisionally with this information does not damage the interests of [klaagster] , I see reason to invoke art. 5.4.9 sub 3 Dutch CPC and I will provide you with the information under the conditions mentioned in that article.
IBN-002-01
IBN-002-02
IBN-003-01
DOC-009
DOC-010
DOC-011
DOC-012