Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelwordt opgekomen tegen de afwijzende beslissing van het hof op het verzoek van de verdediging te verklaren dat de zaak geëindigd is. Door de stellers van het middel wordt betoogd dat het hof wel toepassing had moeten geven aan art. 29f Sv (voorheen: art. 36 Sv Pro) en wordt de Hoge Raad gevraagd om dit in cassatie alsnog te doen.
2. Zoodra van het herstel van den verdachte is gebleken, wordt de schorsing opgeheven.
Artikel 29f
1. Wordt eene vervolging niet voortgezet, dan kan het gerecht in feitelijken aanleg, voor hetwelk de zaak het laatst werd vervolgd, op het verzoek van den verdachte of op voordracht van de rechter-commissaris op de voet van artikel 180, verklaren dat de zaak geëindigd is.
2. Het gerecht is bevoegd, de beslissing op het verzoek telkens gedurende een bepaalden tijd aan te houden, indien het openbaar ministerie aannemelijk maakt dat alsnog verdere vervolging zal plaats vinden.
3. Alvorens het gerecht zijn beslissing neemt, roept het de rechtstreeks belanghebbende die hem bekend is op om te worden gehoord over het verzoek van de verdachte.
4. De beschikking wordt onverwijld aan den verdachte beteekend."
NJ2020, 341, m.nt. P.A.M. Mevis) [1] , heeft bepaald dat het de rechter niet is toegestaan te verklaren dat de zaak is geëindigd op het moment dat het onderzoek ter terechtzitting al is aangevangen. De Hoge Raad overwoog in dit arrest: