‘Ten aanzien van het onder 1 en 3 ten laste gelegde
De verdediging heeft ten aanzien van de feiten 1 en 3 vrijspraakverweren gevoerd. Omdat beide feiten met elkaar samenhangen zal het hof de betreffende verweren hierna gezamenlijk bespreken. Daaraan voorafgaande zal het hof ten aanzien van beide feiten de uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden weergeven.
Feiten 1 en 3
Medeverdachte [betrokkene 1] was ingeschreven en feitelijke bestuurder van de Luxemburgse rechtspersoon [A] (hof: verder te noemen [A] ).
Op 14 oktober 2004 is een personenauto van het merk Mercedes en met het Luxemburgse kenteken [kenteken] (hof: hierna telkens te noemen: de auto) gefactureerd op naam van [A] te Luxemburg voor een bedrag van € 45.000,-.
Het kenteken van de auto heeft gedurende de gehele ten laste gelegde periode geregistreerd gestaan op naam van [A] .
Uit informatie van de Luxemburgse autoriteiten blijkt dat op 30 juni 2004 het BTW-nummer van [A] werd ingetrokken omdat deze niet over een geldige zetel en een geldige “Handelgenehmigung” beschikte. Uit informatie van de Luxemburgse autoriteiten blijkt verder dat [A] sinds de oprichting geen werknemers in dienst heeft gehad.
Bij doorzoeking in de woning van [betrokkene 1] zijn aangetroffen:
- een Franstalige arbeidsovereenkomst tussen [A] en verdachte d.d. 1 oktober 2004; deze arbeidsovereenkomst vermeldt dat verdachte vanaf 26 oktober 2004 in loondienst is bij [A] tegen een salaris van € 1.300,- per maand en is door verdachte als werknemer en [betrokkene 1] als werkgever ondertekend;
- een factuur van [A] aan verdachte betrekking hebbende op de auto ten bedrage van € 1.500,- en als omschrijving “An Jahresbeitrag”
- een Engelstalige verklaring van [A] d.d. 21 december 2004 dat verdachte met ingang van 26 oktober 2004 werkzaam is voor [A] .
De accountant van [A] heeft verklaard dat hij in opdracht van [betrokkene 1] salarisstroken voor verdachte heeft opgemaakt voor salarisbetalingen door [A] maar dat er voor deze salarissen nooit bedragen zijn opgenomen in de boekhouding van [A] .
In de administratie van [A] is geen enkel document aangetroffen dat betrekking heeft op het gebruik van de auto door verdachte: geen huurcontracten, geen leasecontracten en geen facturen voor jaarlijkse vergoeding.
Verdachte heeft nooit arbeidsinkomsten van [A] aangegeven voor de inkomstenbelasting in Nederland.
Blijkens mededeling van de Luxemburgse autoriteiten is verdachte nooit in dienst is geweest bij [A] en heeft hij ook geen vergunning/toestemming gehad om te werken voor een Luxemburgs bedrijf. Ook overigens blijkt niet dat verdachte in de tenlastegelegde periode voor een Luxemburgs bedrijf heeft gewerkt.
Bij de doorzoeking van de woning van verdachte zijn documenten aangetroffen met een verzoek van verdachte om vrijstelling van BPM voor het gebruik van de auto. Verdachte verzoekt om vrijstelling omdat hij met ingang van 26 oktober 2004 is gaan werken voor [A] .
De belastinginspecteur wijst het verzoek af.
[betrokkene 1] heeft een brief – met datum 14 maart 2005 – gezonden aan de belastingdienst waarin hij bezwaar maakt tegen de afwijzende beschikking op het verzoek van verdachte.
Uit documenten blijkt dat de verzekeringspremies voor de auto zowel contant zijn betaald als door middel van bankoverboekingen van [betrokkene 1] in privé en van een aan [betrokkene 1] gelieerde rechtspersoon [D] B.V.
Op 30 maart 2011 is de auto onder [betrokkene 2] , de ex-partner van verdachte, in beslag genomen. [betrokkene 2] heeft verklaard dat zij deze auto al zeven jaren gebruikte. Eveneens heeft zij verklaard dat ze een gezin vormde (hof: met verdachte), dat zij altijd in de Mercedes heeft gereden en dat zij in de veronderstelling verkeerde dat verdachte deze auto had gekocht, dat die Mercedes via een Luxemburgse maatschappij was verzekerd en dat zij eerst vanaf maart 2012 de verzekeringspremie en de belasting voor de auto is gaan betalen.
Uit inkomensgegevens van verdachte blijkt dat hij over onvoldoende inkomen en/of vermogen heeft beschikt om een dergelijke grote uitgave voor de aanschaf van deze auto te kunnen doen.
[betrokkene 1] heeft verklaard dat hij verdachte heeft leren kennen in het kader van een strafzaak die midden jaren ’90 diende, waarin hij aanvankelijk ook betrokken is geweest en dat hij daarna verdachte is blijven “volgen”.
Uit het strafblad van verdachte volgt dat deze op 6 mei 1997 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is veroordeeld tot 4 jaren gevangenisstraf voor ‘de deelneming aan een criminele organisatie’. Uit politiegegevens volgt verder dat verdachte betrokken is geweest bij diverse Opiumwetdelicten en vermogensdelicten in de periode vanaf 2002 tot en met 2009 en dat hij als veelpleger geregistreerd stond.
Ten aanzien van feit 3
De verdediging heeft betoogd dat verdachte van het onder 3 ten laste gelegde – kort gezegd het gebruik maken van een valse arbeidsovereenkomst – dient te worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat verdachte naar zijn weten daadwerkelijk voor [A] heeft gewerkt en dus niet wist van de valsheid van het geschrift en verder dit geschrift niet heeft gebruikt in het kader van een vrijstellingsprocedure en evenmin wetenschap heeft gehad van het gebruik ervan in de betreffende procedure.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt:
Uit de hiervoor weergegeven feiten blijkt –voor zover voor beoordeling van dit standpunt van belang – van het navolgende:
• het BTW-nummer van [A] is per 30 juni 2004 ingetrokken omdat zij niet over een geldige zetel of geldige “Handelgenehmigung” kon beschikken en niet meer economisch actief was;
• [A] heeft sinds de oprichting geen werknemers in dienst gehad;
• verdachte heeft bij zijn aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2004 tot en met 2007 niet vermeld inkomsten uit dienstbetrekking bij [A] te hebben gehad;
• van loonbetalingen aan verdachte is niet gebleken.
Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat van het bestaan van een arbeidsrelatie tussen [A] en verdachte niet is gebleken en dat de tussen [A] en verdachte daaromtrent opgemaakte arbeidsovereenkomst vals is. Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen.
Voor zover de verdediging nog heeft aangevoerd dat [A] ondanks de intrekking van het BTW-nummer economisch actief is geweest en werknemers in dienst heeft gehad, is dit standpunt onvoldoende onderbouwd. Ook de stelling van de verdediging dat, in weerwil van de verklaring van de accountant van [A] , (contante) salarisbetalingen door [A] aan verdachte zijn gedaan wordt vanwege het ontbreken van voldoende onderbouwing verworpen.
Gelet op het vorenstaande wordt het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging ten aanzien van feit 3 in al zijn onderdelen verworpen.
Deze arbeidsovereenkomst heeft verdachte vervolgens gebruikt in een vrijstellingsprocedure, waarbij –nadat daarop afwijzend was beslist – door [betrokkene 1] beroep is ingesteld.
Gelet op de intensiteit van samenwerking tussen [betrokkene 1] en verdachte ter zake dit feit is naar het oordeel van het hof eveneens medeplegen bewezen.
Het andersluidende standpunt van de verdediging wordt verworpen.
Ten aanzien van feit 1
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat de auto niet van enig misdrijf afkomstig is en verdachte voor zover dat anders is geweest daarvan geen wetenschap heeft gehad.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Toetsingskader witwassen
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis Wetboek van Strafrecht (hof: witwassen) opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.
Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of, ondanks de verklaring van de verdachte, het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Het hof stelt in het licht van deze vooropstelling – puntsgewijs – op basis van de hiervoor ten aanzien van de feiten 1 en 3 weergegeven feiten en omstandigheden het navolgende vast:
• de auto is gefactureerd en te naam gesteld van een aan [betrokkene 1] gelieerd Luxemburgs bedrijf [A] dat op dat moment niet meer economisch actief was;
• de vrouw van verdachte heeft gebruik gemaakt van deze auto; voor het gebruik van die auto door de vrouw van verdachte is geen economische grondslag gevonden;
• de verzekeringspremies en andere vaste lasten van de auto zijn door [betrokkene 1] in privé dan wel door een aan [betrokkene 1] gelieerd bedrijf ( [D] B.V.) betaald;
• verdachte beschikte niet over het (legale) inkomen en (legale) vermogen om een dergelijke auto te kunnen kopen;
• verdachte werd in 1997 veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie tot een langdurige gevangenisstraf.
Ten aanzien van het voorlaatste gedachtebolletje overweegt het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat de ten laste gelegde Mercedes behoort tot het luxere segment.
Aanvullend overweegt het hof dat hiervoor ten aanzien van feit 3 is vastgesteld dat door [betrokkene 1] , namens [A] , en verdachte valselijk een arbeidsovereenkomst is opgemaakt waarbij in strijd met de werkelijkheid is voorgewend dat verdachte in loondienst bij [A] was.
Het hof is van oordeel dat de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen.
Gelet daarop mag van verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft waarom vorenstaande constructie via een Luxemburgs bedrijf is opgezet.
Nu deze verklaring is uitgebleven is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging genoemde auto middellijk van enig misdrijf afkomstig is en dat [betrokkene 1] en verdachte dat wisten.
Door de aankoop van de auto te laten registreren op naam van [A] , een valse arbeidsovereenkomst op te laten maken tussen [A] en verdachte en de verzekeringspremie als ook andere vaste lasten voor die auto onder meer door [betrokkene 1] dan wel via een andere aan [betrokkene 1] gelieerde rechtspersoon te laten betalen, heeft [betrokkene 1] tezamen en in vereniging met verdachte verborgen/verhuld wie de rechthebbende op deze auto was. Bovendien had verdachte deze auto voorhanden en in gebruik.
Gelet hierop verwerpt het hof het tot vrijspraak strekkende verweer van.de verdediging in al zijn onderdelen.’