Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
overeenkomst
Q Vastgoed
BCI
september 2014
Q Vastgoed
september 2014
BCI
** In de tekst van de overeenkomst is [betrokkene 1 + verweerster] als hoofdelijk medeschuldenaar vermeld. Bij de ondertekening heeft [betrokkene 1 + verweerster] evenwel slechts getekend onder vermelding van bestuurder van BCI. Zij betwist nu aansprakelijk te zijn als hoofdelijk medeschuldenaar.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Vonnis rechtbank Turnhout (hiervoor. 2.10 onder f).BCI verwijst naar het onherroepelijk vonnis tussen BCI en [betrokkene 1 + verweerster] , waarmee [betrokkene 1 + verweerster] onder meer is veroordeeld tot huurbetaling voor de Belgische woning. In dit vonnis heeft de Turnhoutse rechter onder meer het volgende geoordeeld:
2.22en niet tegen de inhoudelijke beoordeling van het dwalingsberoep in rechtsoverweging 2.23 e.v.
Verband met wilsgebrek ten aanzien van koopovereenkomst Green inzake aandelen BCI.BCI stelt voorts dat het dwalingsberoep van [verweerster] niet kan bestaan naast het door haar gedane beroep op een wilsgebrek ten aanzien van de vervreemding van de aandelen BCI aan Green (waarover de hiervoor in 2.10 onder a genoemde procedure handelt). Aan BCI moet worden toegegeven dat wanneer laatstgenoemd beroep mocht slagen en die koopovereenkomst mocht worden vernietigd, de in de onderhavige procedure door [verweerster] gestelde veronderstelling dat zij en [betrokkene 1] (steeds) rechthebbende waren gebleven met betrekking tot (het vermogen van) BCI alsnog niet onjuist blijkt te zijn geweest. [verweerster] stelt zich echter op het standpunt dat haar dwaling ten aanzien van de huurovereenkomst er niet zozeer in is gelegen dat zij ten onrechte meende dat zij uiteindelijk rechthebbende was gebleven met betrekking tot (het vermogen van) BCI, al dan niet via een terugkooprecht, maar in het huidige standpunt van BCI dat dit niet het geval is, waarmee zij klaarblijkelijk bedoelt: de mogelijkheid, gegeven haar eigen gebrekkige bewijspositie, dat Green, en in haar voetspoor BCI, dit standpunt zou kunnen gaan innemen. Dit betreft geen (louter) toekomstige omstandigheid in de zin van artikel 6:228 lid 2 BW Pro, omdat de situatie waarop het dwalingsberoep ziet zich reeds ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst voordeed.’
subonderdeel 2.1heeft het hof met rechtsoverweging 2.20 miskend (1) dat er weliswaar geen sprake was van een louter toekomstige omstandigheid, maar wel van een omstandigheid die nog maar had moeten blijken en (2) dat de procedure strekkende tot vernietiging van de aandelentransactie nog onder de rechter is. Volgens BCI kon het hof daarom niet een sluitend oordeel geven over het standpunt van BCI inzake de aandelentransactie en daarmee ook niet over het beroep op dwaling van [verweerster] .
Inhoudelijke beoordeling dwalingsberoep. Ter onderbouwing van haar dwalingsberoep, beroept [verweerster] zich onder meer op een schriftelijke verklaring van 10 februari 2019 van [betrokkene 2] , haar Nederlandse belastingadviseur van destijds, die voor zover van belang als volgt luidt:
subonderdeel 4.2is ’s hofs beslissing in elk geval onbegrijpelijk, omdat het heeft verzuimd om bij de beoordeling te betrekken dat de dwaling voor rekening van [verweerster] zou moeten blijven, althans in zoverre zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Na een ‘Althans’ zegt het subonderdeel vervolgens nogmaals hetzelfde in iets andere woorden.