ECLI:NL:PHR:2022:508

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 mei 2022
Publicatiedatum
24 mei 2022
Zaaknummer
20/03104
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SvArt. 147 SvArt. 328 SvArt. 227 SvArt. 331 Sv
Verwijzingen
18 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens ontbreken uitdrukkelijke beslissing op verzoek gedragsdeskundigenrapportage

In deze zaak is de verdachte door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens vernieling van enig goed dat aan een ander toebehoort, waarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf en een locatieverbod zijn opgelegd. De verdediging heeft tijdens het hoger beroep uitdrukkelijk verzocht om het opmaken van een gedragsdeskundigenrapportage, gelet op mogelijke schulduitsluitingsgronden zoals psychische overmacht en ontoerekeningsvatbaarheid.

Het hof heeft echter nagelaten om uitdrukkelijk op dit verzoek te beslissen, hetgeen volgens de advocaat-generaal een nietigheid oplevert. De verdediging heeft dit verzoek mede gebaseerd op de noodzaak om de persoonlijkheid van de verdachte nader te onderzoeken om een zuiver oordeel te kunnen vellen.

De advocaat-generaal concludeert dat het ontbreken van een beslissing op dit verzoek leidt tot vernietiging van het arrest en terugwijzing van de zaak naar het hof voor hernieuwde behandeling. De verdachte heeft aangegeven bereid te zijn mee te werken aan een dergelijke rapportage. De Hoge Raad volgt deze conclusie en vernietigt het arrest, waarna de zaak teruggaat naar het hof Den Haag.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens het ontbreken van een uitdrukkelijke beslissing op het verzoek om een gedragsdeskundigenrapportage en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/03104

Zitting31 mei 2022
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 28 september 2020 door het gerechtshof Den Haag zowel in de zaak met parketnummer 09-077767-19 als in de zaak met parketnummer 09-253327-19 wegens “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken met een proeftijd van twee jaren. Voorts is aan de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, inhoudende een locatieverbod, opgelegd voor de duur van drie jaren. Deze maatregel is dadelijk uitvoerbaar verklaard. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, een en ander zoals in het arrest bepaald.
Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel klaagt dat het hof heeft nagelaten om uitdrukkelijk te beslissen op het (voorwaardelijk) verzoek van de verdediging om een gedragsdeskundigerapportage als bedoeld in art. 310 Sv Pro in samenhang met art. 147 Sv Pro en art. 328 Sv Pro te laten opmaken.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 september 2020 blijkt dat de raadsman van de verdachte aldaar het woord heeft gevoerd overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Een advocaat is uiteraard geen psychiater of psycholoog. Toch kan verdachte‘s raadsman zich niet helemaal aan de indruk onttrekken, dat verdachte niet goed weet wat hij doet, dat verdachte ook niet goed begrijpt, hoe anderen, tegen het feitencomplex aankijken. Verdachte zijn raadsman zal, ter zitting, aan het Hof vragen om te bepalen, dat er psychologische rapportage zou moeten worden opgemaakt. Op het moment dat deze pleitnota wordt gemaakt, is nog niet helemaal duidelijk, of verdachte bereid is daar zijn medewerking aan te verlenen. Hetgeen overigens zijn raadsman hem wel zal adviseren.
Schulduitsluitingsgrond
Verdachte zijn raadsman is van mening, dat de kans dat sprake is van een ‘schulduitsluitingsgrond’ zeer aannemelijk is. Maar: dat zal uit de, mogelijkerwijze toestemming van verdachte gevraagde, onderzoeksrapportage duidelijk moeten maken.
Verdachte zijn raadsman is van mening, dat er derhalve sprake is van het ontbreken van verwijtbaarheid. Hetgeen een wettelijke schulduitsluitingsgrond is, nu er mogelijkerwijze sprake is van psychische overmacht, én ontoerekeningsvatbaarheid.
Zelfs indien de verdachte zich tegen het vragen van deze rapportage verzet, is het, om een zuiver oordeel te vellen, in de ogen van verdachte zijn raadsman, een dergelijk onderzoek naar de persoon van verdachte in te stellen. Waarom verdachte zijn raadsman dan ook vraagt.

Dus: met conclusie:

Primair: uitdrukkelijk verzoek van verdachte: vrijspraak.

Subsidiair:verzoek om de persoonlijkheid van verdachte, alvorens arrest te wijzen, worden onderzocht, omdat er redenen zijn, om aan te nemen, dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd, terwijl hij ontoerekeningsvatbaar was c.q. er sprake was van psychische overmacht. Indien noodzakelijk de opdracht aan dat onderzoek, die rapportage mee te werken.”
5. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft zich ter terechtzitting van het hof van 14 september 2021 het volgende voorgedaan:
“Bij gelegenheid van repliek merkt de advocaat-generaal op:
Namens de verdachte is aangevoerd dat mogelijk sprake is van een schulduitsluitingsgrond. Subsidiair – wanneer er geen vrijspraak volgt – is aangevoerd dat een rapportage opgemaakt zou moeten worden. Ik refereer me wat dit betreft aan het oordeel van het hof. Een rapportage is in dit soort situaties in de regel nodig, maar de vraag is of de verdachte daaraan gaat meewerken. Ik ben van mening dat er in deze situatie geen noodzaak bestaat. Als het hof wel een rapportage nodig acht, verzoek ik om een dubbelrapportage. Bij veroordeling kan door uw hof ook op andere wijze rekening gehouden worden met de persoonlijke omstandigheden. Subsidiair kan ik mij dan ook vinden in een geheel voorwaardelijke straf. Alle andere dingen die ik gevorderd heb zijn wel van belang, met name de vrijheidsbeperkende maatregel.
Desgevraagd door de voorzitter verklaart de verdachte: Als het nodig is werk ik mee aan het laten opstellen van een rapportage door een psychiater- en/of een psycholoog. […].
Bij gelegenheid van dupliek merkt de raadsman van de verdachte op:
Ik kan mij vinden in het voorstel van de advocaat-generaal. Ik blijf bij mijn verzoek. Indien nodig zal mijn cliënt meewerken aan een rapportage. Ik vind ook dat er een rapportage moet komen. Bij betrokkenen ontstaat dan vaak meer inzicht in eigen handelswijze en achteraf zijn ze soms erg blij met een rapport.”
6. Het middel houdt in dat sprake is van “een verzoek tot het laten opmaken van een gedragsdeskundigerapportage als bedoeld in artikel 310 Sv Pro in samenhang met artikel 147 Sv Pro en artikel 328 Sv Pro”. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het bedoelde (voorwaardelijke) verzoek van de verdediging een verzoek is “tot het laten opmaken van een gedragsdeskundigerapportage als bedoeld in artikel 310 Sv Pro in samenhang met artikel 227 Sv Pro en artikel 328 Sv Pro”.
7. Ik vermoed dat de stellers van het middel zich tweemaal vergissen in de door hen aangehaalde wetsartikelen. Het bepaalde in art. 147 Sv Pro ziet op het inroepen van de medewerking van personen en lichamen die op het gebied van de reclassering of op een dergelijk gebied werkzaam zijn. Gezien de inhoud van het daarvan opgemaakte proces-verbaal is daartoe op de terechtzitting van het hof door de verdediging geen verzoek gedaan. Art. 227 Sv Pro regelt kort gezegd de bevoegdheid van de rechter-commissaris om in het belang van het onderzoek een of meer deskundigen te benoemen. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het (voorwaardelijk) gedane verzoek moet worden aangemerkt als een verzoek tot het laten opmaken van een gedragsdeskundigenrapportage als bedoeld in art. 310 Sv Pro in samenhang met art. 227 Sv Pro en art. 328 Sv Pro. Art. 310 Sv Pro is hier echter niet aan de orde, nu deze bepaling expliciet betrekking heeft op art. 147 Sv Pro, dat, zoals zojuist opgemerkt, op iets anders het oog heeft.
8. In zoverre zijn het middel en de toelichting daarop niet begrijpelijk en zou de vraag kunnen opkomen of hetgeen in de schriftuur naar voren wordt gebracht wel kan worden verstaan als een cassatiemiddel in de zin van de wet. Niettemin denk ik het middel welwillend gelezen aldus te kunnen begrijpen dat bedoeld wordt te betogen dat het door de verdediging gedane (voorwaardelijke) verzoek een verzoek is als bedoeld in art. 328 Sv Pro in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv om gebruik te maken van de in art. 315, derde lid, Sv omschreven en aan de rechter toegekende bevoegdheid, welke artikelen ingevolge art. 415 Sv Pro van overeenkomstige toepassing zijn op het rechtsgeding in hoger beroep. [1]
9. Aldus begrepen is een verzoek gedaan als bedoeld in art. 315 Sv Pro in verbinding met art. 328 Sv Pro, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, noch het bestreden arrest houdt een beslissing in op dat verzoek. [2] Dat verzuim heeft ingevolge art. 330 in Pro verbinding met art. 415 Sv Pro nietigheid ten gevolge.
10. Het middel in de door mij verbeterde zin begrepen is terecht voorgesteld. Ik heb daarbij in aanmerking genomen dat het verzoek niet alleen in de sleutel van een beroep op een schulduitsluitingsgrond is gezet, maar door de raadsman ook is gedaan om een onderzoek naar de persoon van de verdachte te doen instellen.
11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie HR 13 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0705,
2.Het hof heeft onder het hoofd Strafmotivering enkel overwogen dat het “rekening [houdt] met het feit dat er – zoals door de raadsman is betoogd en ook tijdens de behandeling ter zitting wel aannemelijk is geworden – bij de verdachte mogelijk sprake is van psychische problematiek”. Maar dat is geen deugdelijke respons in de hier bedoelde zin op het verzoek.