Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De procesgang
(iv) de rechtbank heeft op 13 december 2018 het beklag ten aanzien van dit geldbedrag ongegrond verklaard;
3.De beschikking
Het klaagschrift is op 23 juni 2020 in openbare raadkamer behandeld. Klager en zijn raadsman mr. J.J.J. van Rijsbergen, zijn in raadkamer verschenen.
Klager heeft, op vragen van de rechtbank, ter zitting onder meer verklaard:
- dat het in beslag genomen geldbedrag het kassaldo betrof van de contante in- en verkopen van (legale) wasmiddelen, waarin de stichting [A] handelde;
- dat dit een commerciële stichting betrof, ingeschreven in het stichtingen-register, en dat hij de enige bestuurder is;
- dat de stichting de boeken heeft neergelegd;
- dat bij beëindiging van de activiteiten van de stichting er nog twee activa aanwezig waren, een auto en de vordering op justitie wegens het in beslag genomen (kas)geld;
De raadsman heeft desgevraagd aangegeven dat hij niet weet waarom hij (in de cassatiestukken) heeft gesteld dat klager niet de beslagene is en heeft voorts opgemerkt dat het niet interessant is wie de beslagene is. De raadsman stelt dat het geldbedrag aan klager teruggegeven moet worden nu hij de enige bestuurder van de stichting is.
De officier van justitie heeft aangegeven dat de grondslag van het beslag artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering is en dat niet bekend is onder wie beslag is gelegd. De officier van justitie heeft voorts aangegeven dat het belang van strafvordering zich niet verzet tegen teruggave van het geldbedrag, maar dat niet duidelijk is aan wie het geld moet worden teruggegeven. De officier van justitie voegt hieraan toe dat het geldbedrag niet teruggeven kan worden aan klager als de stichting rechthebbende van het geld is.”
De raadsman:(…) Ik vind het overigens niet zo interessant wie de beslagene is. Het beslag is gelegd op de locatie waar het bedrijf van cliënt gevestigd is.
De beoordelingDe rechter is, gelet op het standpunt van de officier van justitie, van oordeel dat het belang van strafvordering niet langer vordert dat het beslag ex artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering wordt voortgezet. In een procedure ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering geldt als uitgangspunt dat teruggave van het beslag aan de beslagene wordt gelast. Nu echter onbekend is wie als beslagene kan worden aangemerkt, kan dit uitgangspunt bij de beoordeling van het klaagschrift niet gehanteerd worden. De rechter zal moeten beoordelen wie redelijkerwijs als rechthebbende van het geldbedrag dient te worden aangemerkt. Nu klager in raadkamer heeft verklaard dat het geldbedrag toebehoort aan de [A], kan naar het oordeel van de rechter klager niet redelijkerwijs als rechthebbende van het geldbedrag worden beschouwd. Het enkele feit dat klager de enige bestuurder van de [A] zou zijn, betekent niet dat klager geheel te identificeren is met de stichting en rechthebbende wordt van geldbedragen die van de stichting zouden zijn.”