ECLI:NL:PHR:2022:53

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 januari 2022
Publicatiedatum
21 januari 2022
Zaaknummer
20/02120
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 417 SrArt. 81 lid 1 ROOpiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beslag op geldbedrag van stichting en rechthebbendheid bestuurder

De zaak betreft een klaagschrift ex artikel 552a Sv tegen een beslag op een geldbedrag van €14.000,-, gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro in verband met een vermoedelijke overtreding van de Opiumwet. Het beslag betrof handelsgeld van een commerciële stichting waarvan de klager de enige bestuurder was. De stichting was inmiddels ontbonden en uitgeschreven.

De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het klaagschrift ongegrond omdat de klager niet redelijkerwijs als rechthebbende van het geld kon worden aangemerkt, ondanks dat hij de enige bestuurder was. De rechtbank oordeelde dat het geld toebehoorde aan de stichting en dat de klager niet geïdentificeerd kon worden met de stichting.

De klager stelde in cassatie dat hij als enige mogelijke rechthebbende moest worden aangemerkt. De Hoge Raad bevestigde dat de rechtbank het juiste toetsingskader had toegepast en dat het klaagschrift namens de stichting had moeten worden ingediend, niet op persoonlijke titel van de klager.

De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad was dat het cassatieberoep faalt en verworpen moet worden. Er zijn geen gronden voor vernietiging van de bestreden beslissing. De Hoge Raad volgt deze conclusie en wijst het cassatieberoep af.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de bestuurder niet persoonlijk als rechthebbende van het in beslag genomen geld kan worden beschouwd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/02120 B
Zitting25 januari 2022
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de klager.

1.Het cassatieberoep

1.1.
De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking van 7 juli 2020 het klaagschrift van de klager ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van het op 19 mei 2015 in beslag genomen geldbedrag van € 14.000,-, ongegrond verklaard.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel keert zich tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift op de grond dat de klager niet redelijkerwijze als rechthebbende kan worden aangemerkt.

2.De procesgang

2.1.
Op grond van de gedingstukken kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan:
(i) in verband met een vermoedelijke overtreding van verschillende bepalingen van de Opiumwet is op 19 mei 2015 aan de [a-straat 1] te Rucphen op grond van art. 94 Sv Pro beslag gelegd op een geldbedrag van € 14.000,-. In de kennisgeving inbeslagneming is achter “de beslagene” vermeld: “Onbekend”;
(ii) bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 29 mei 2018 is de klager veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet en van art. 417 Sr Pro (gewoonte maken van opzetheling). In deze uitspraak is niet beslist over het inbeslaggenomen geldbedrag;
(iii) op 26 juni 2018 [1] is namens de klager bij de rechtbank Oost-Brabant een klaagschrift ingediend strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van onder meer het inbeslaggenomen geldbedrag van € 14.000,-;
(iv) de rechtbank heeft op 13 december 2018 het beklag ten aanzien van dit geldbedrag ongegrond verklaard;
(v) door de klager is tegen deze beschikking cassatie ingesteld en de Hoge Raad heeft de beschikking op 17 maart 2020 vernietigd en teruggewezen nu hieruit niet bleek dat de rechtbank had getoetst of het veiligstellen van belangen waarvoor art. 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakte; [2]
(vi) op 7 juli 2020 heeft de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch opnieuw geoordeeld over het op 26 juni 2018 ingediende klaagschrift. Tegen deze beschikking is wederom cassatieberoep ingesteld.

3.De beschikking

3.1.
De rechtbank heeft hetgeen door partijen is aangevoerd in haar beschikking van 7 juli 2020 als volgt samengevat:
“(…)
Het klaagschrift is op 23 juni 2020 in openbare raadkamer behandeld. Klager en zijn raadsman mr. J.J.J. van Rijsbergen, zijn in raadkamer verschenen.
Klager heeft, op vragen van de rechtbank, ter zitting onder meer verklaard:
- dat het in beslag genomen geldbedrag het kassaldo betrof van de contante in- en verkopen van (legale) wasmiddelen, waarin de stichting [A] handelde;
- dat dit een commerciële stichting betrof, ingeschreven in het stichtingen-register, en dat hij de enige bestuurder is;
- dat de stichting de boeken heeft neergelegd;
- dat bij beëindiging van de activiteiten van de stichting er nog twee activa aanwezig waren, een auto en de vordering op justitie wegens het in beslag genomen (kas)geld;
De raadsman heeft desgevraagd aangegeven dat hij niet weet waarom hij (in de cassatiestukken) heeft gesteld dat klager niet de beslagene is en heeft voorts opgemerkt dat het niet interessant is wie de beslagene is. De raadsman stelt dat het geldbedrag aan klager teruggegeven moet worden nu hij de enige bestuurder van de stichting is.
De officier van justitie heeft aangegeven dat de grondslag van het beslag artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering is en dat niet bekend is onder wie beslag is gelegd. De officier van justitie heeft voorts aangegeven dat het belang van strafvordering zich niet verzet tegen teruggave van het geldbedrag, maar dat niet duidelijk is aan wie het geld moet worden teruggegeven. De officier van justitie voegt hieraan toe dat het geldbedrag niet teruggeven kan worden aan klager als de stichting rechthebbende van het geld is.”
3.2.
In aanvulling hierop maak ik nog melding van de volgende passages op p. 1 en 2 van het proces-verbaal van de behandeling in de raadkamer d.d. 23 juni 2020:

De raadsman:(…) Ik vind het overigens niet zo interessant wie de beslagene is. Het beslag is gelegd op de locatie waar het bedrijf van cliënt gevestigd is.
Klager:(…) Het inbeslaggenomen geld was handelsgeld van een commerciële stichting waarvan ik de enige bestuurder was. Die stichting stond ingeschreven in het stichtingenregister. Deze stichting heette [A]. Het geld lag in een geldkistje in de kluis en de volledige boekhouding lag erbij. Er was een overzicht van inkomsten en uitgaven en van inkoop en verkoop. De stichting bestaat inmiddels niet meer en alles is conform de regels afgerond. De stichting is uitgeschreven uit het register. Er was geen batig saldo alleen het geldbedrag waar we het nu over hebben was er nog. Dit geldbedrag is de vordering die ik op de stichting had en dit geld is dus van mij. Een auto heb ik al terug uit de stichting.
De officier van justitie:(…) Hier in raadkamer wordt nu naar voren gebracht dat een stichting die inmiddels niet meer bestaat, rechthebbende zou zijn van het geldbedrag. Er is een strikte scheiding tussen een natuurlijk persoon en een rechtspersoon dus juridisch gezien kunnen we klager niet zien als de opgeheven stichting. Mijns inziens moet klager niet ontvankelijk verklaard worden en kunnen we vandaag niet verder komen dan dat.
De raadsman:Ik verzoek primair om vandaag te beslissen dat het geld terug kan naar mijn cliënt. Ik weet niet waarom ik heb aangegeven dat cliënt geen beslagene is. Nu cliënt de enige bestuurder van de stichting was, kan hij gezien worden als rechthebbende van het geld. De Hoge Raad heeft hier ook niets over opgemerkt. Subsidiair breng ik naar voren dat de behandeling van het klaagschrift zou kunnen worden aangehouden om de statuten van de stichting aan u te tonen.
(…)
De raadsman:Cliënt vraagt om teruggave van een bedrag van € 14.000,—. Mocht cliënt niet ontvankelijk worden verklaard dan zal een klaagschrift namens de stichting ingediend worden.”
3.3.
De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en daartoe overwogen:

De beoordelingDe rechter is, gelet op het standpunt van de officier van justitie, van oordeel dat het belang van strafvordering niet langer vordert dat het beslag ex artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering wordt voortgezet. In een procedure ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering geldt als uitgangspunt dat teruggave van het beslag aan de beslagene wordt gelast. Nu echter onbekend is wie als beslagene kan worden aangemerkt, kan dit uitgangspunt bij de beoordeling van het klaagschrift niet gehanteerd worden. De rechter zal moeten beoordelen wie redelijkerwijs als rechthebbende van het geldbedrag dient te worden aangemerkt. Nu klager in raadkamer heeft verklaard dat het geldbedrag toebehoort aan de [A], kan naar het oordeel van de rechter klager niet redelijkerwijs als rechthebbende van het geldbedrag worden beschouwd. Het enkele feit dat klager de enige bestuurder van de [A] zou zijn, betekent niet dat klager geheel te identificeren is met de stichting en rechthebbende wordt van geldbedragen die van de stichting zouden zijn.”

4.Het middel

4.1.
Het middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd tot het oordeel is gekomen dat het enkele feit dat de klager de enige bestuurder is van stichting [A], niet betekent dat de klager geheel te identificeren is met de stichting en rechthebbende is van geldbedragen die van die stichting zouden zijn. De klager zou volgens de steller van het middel temeer rechthebbende zijn, nu er geen enkele andere persoon als rechthebbende in aanmerking komt.

5.Bespreking van het middel

5.1.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het geldbedrag in beslag is genomen op grond van art. 94 Sv Pro.
5.2.
Bij de beoordeling van een klaagschrift gericht tegen een op de voet van art. 94 Sv Pro gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en zo neen, b. de teruggave van het in beslag genomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. [3]
5.3.
Uit de hiervoor onder 3.3 geciteerde overwegingen van de rechtbank blijkt dat de rechtbank het juiste toetsingskader heeft toegepast behorende bij een verzoek tot opheffing van een beslag op grond van art. 94 Sv Pro. Daarbij heeft de rechtbank in de eerste plaats vastgesteld dat, gelet op het standpunt van de officier van justitie, het belang van strafvordering niet langer vordert dat het beslag ex art. 94 Sv Pro wordt voortgezet.
5.4.
Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat onbekend is wie als beslagene kan worden aangemerkt. Tijdens de behandeling van het klaagschrift blijkt vervolgens dat de klager op grond van wat hij zelf heeft verklaard niet als rechthebbende kan worden beschouwd. Dat de rechtbank heeft geoordeeld dat het enkele feit dat de klager de enige bestuurder van de [A] zou zijn, niet betekent dat de klager geheel te identificeren is met de stichting en rechthebbende wordt van geldbedragen die van de stichting zouden zijn, lijkt mij juist. Hieruit volgt dat het klaagschrift namens deze stichting ingediend had moeten worden en niet – zoals nu het geval is – op persoonlijke titel van de klager. Dat oordeel van de rechtbank is uit juridisch oogpunt juist en niet onbegrijpelijk.
5.5.
Dat deze gang van zaken voor alle betrokkenen frustrerend is kan ik mij voorstellen. Maar een meer praktische oplossing is niet mogelijk, nu het er - anders dan de raadsman tijdens de behandeling in raadkamer heeft gesteld - eenmaal wel toe doet wie de beslagene is en wie de eigenaar van het geld is.
5.6.
Het middel faalt.

6.Conclusie

6.1.
Het middel faalt en kan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
6.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beslissing aanleiding behoren te geven.
6.3.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.In de diverse stukken wordt wisselend over 26 en 27 juni 2018 gesproken. Het klaagschrift zelf dateert van 26 juni 2018.
2.HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:444.
3.HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m. nt. Mevis, rov. 2.8.