Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2022:532

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 april 2022
Publicatiedatum
1 juni 2022
Zaaknummer
21/01293
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake profijtontneming bij hennepteelt

In deze zaak is de betrokkene door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor het opzettelijk telen van 208 hennepplanten en de diefstal van elektriciteit. Gelijktijdig met de strafzaak is ook de ontnemingszaak behandeld, waarbij het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft vastgesteld op € 21.813,31 en de betrokkene heeft verplicht tot betaling van dit bedrag aan de staat.

De betrokkene stelde in cassatie dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel onvoldoende gemotiveerd zou zijn, met name omdat niet zonder meer vaststaat dat de hennepplanten ook daadwerkelijk zijn geoogst. Hij voerde aan dat de teelt mogelijk was mislukt of afgebroken, onderbouwd met een foto van de ontmantelde kwekerij. Dit verweer werd in cassatie als tardief en feitelijk van aard beoordeeld, waardoor het niet ontvankelijk werd verklaard.

Het hof had reeds geoordeeld dat de betrokkene als pleger verantwoordelijk was voor de hennepteelt en dat het verweer dat een ander de kwekerij zou hebben opgezet niet aannemelijk was. De bewijsvoering toonde aan dat de kwekerij was geruimd en er resten van hennepplanten aanwezig waren, wat wijst op een winstgevende oogst. De Hoge Raad bevestigt dat de ontnemingsrechter gebonden is aan de feiten vastgesteld in de strafzaak en ziet geen reden tot vernietiging van het arrest.

De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad is dan ook dat het cassatieberoep faalt en dient te worden verworpen op grond van artikel 81 lid 1 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op € 21.813,31.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/01293 P

Zitting5 april 2022
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de betrokkene.

De procedure in cassatie

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 10 maart 2021 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 21.813,31 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.
2. Er bestaat samenhang met de strafzaak 21/01223. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

4. Het middel klaagt dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet naar behoren met redenen is omkleed. Daartoe wordt aangevoerd dat ook als het cassatieberoep in de onderliggende strafzaak wordt verworpen en daarmee de teelt van 208 hennepplanten komt vast te staan, dit niet zonder meer betekent dat er ook is geoogst. Volgens de steller van het middel kan de teelt immers zijn mislukt of afgebroken. Onder verwijzing naar de dossierfoto die ook bij de cassatieschriftuur in de strafzaak is ingebracht voert het middel aan dat het hof in die foto een aanwijzing had moeten zien voor het mislukken van de teelt van de 208 planten. Daarop voortbouwend stelt het middel dat de betrokkene bij een geslaagde oogst geen reden had gehad om af te schalen naar (slechts) twintig planten.

De hoofdzaak en de ontnemingszaak

5. Bij arrest van 10 maart 2021 is de betrokkene in de onderliggende strafzaak veroordeeld ter zake van het opzettelijk telen van 208 hennepplanten (feit 1) en de diefstal van elektriciteit door middel van verbreking (feit 2).
6. De ontnemingszaak is gelijktijdig met de strafzaak behandeld op de inhoudelijke terechtzitting van het hof van 24 februari 2021, in aanwezigheid van de betrokkene en zijn raadsman. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij zelf geen eerdere oogst heeft gehad en hij geen geld heeft verdiend met het telen van hennep. [1] De raadsman heeft het woord ter verdediging gevoerd en zich op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen, met eveneens als argument dat er geen oogst heeft plaatsgevonden. [2] Volgens de verdediging heeft niet de betrokkene, maar een ‘ander’ de kwekerij opgezet en – zo begrijp ik – is die ‘ander’ verantwoordelijk voor een eventuele oogst.
7. Dit verweer, te weten dat een andere jongen buiten medeweten van de betrokkene om de kwekerij heeft opgezet en onderhouden, is ook aangevoerd in de onderliggende strafzaak. Dat verweer is in de strafzaak door het hof als onaannemelijk terzijde geschoven. [3] In de voorhanden ontnemingszaak heeft het hof dit verweer als volgt verworpen:
“Betrokkene is bij arrest van dit hof van 10 maart 2021 veroordeeld voor het als pleger telen van hennep. De op medeplegen/medeplichtigheid gebaseerde verweren van de (raadsman van de) verdachte en de verweren die betrekking hebben op een geringer aantal hennepplanten behoeven daarom geen bespreking meer. Dit is immers niet aannemelijk geworden. [4]

De bespreking van het middel

8. In de aan de ontnemingszaak voorafgaande strafzaak heeft het hof geoordeeld dat de betrokkene opzettelijk 208 hennepplanten heeft geteeld. Het hof is in de strafzaak voorbijgegaan aan het bewijsverweer dat niet de betrokkene, maar een (niet nader genoemde) ander dan de betrokkene de in de bewezenverklaring bedoelde hennepplanten heeft geteeld. De ontnemingsrechter is aan deze oordelen van de strafrechter gebonden.
9. In cassatie wordt voor het eerst aangevoerd dat uit het – thans vaststaande – opzettelijke telen van 208 hennepplanten niet zonder meer volgt dat die hennepplanten ook (winstgevend) zijn geoogst. Daartoe wordt in cassatie voor het eerst een beroep gedaan op een foto van de ontmantelde hennepkwekerij. Voor zover dit standpunt thans moet worden aangemerkt als een bewijsverweer, is dat tardief voorgesteld. In cassatie kan niet met vrucht voor het eerst een beroep worden gedaan op de in het middel genoemde omstandigheden, omdat dit een onderzoek van feitelijke aard vergt. Daarvoor is in cassatie geen plaats. In zoverre faalt het middel.
10. Hetzelfde lot deelt de stelling dat uit de bewijsmiddelen die het hof aan het bestreden arrest ten grondslag heeft gelegd niet kan worden afgeleid dat de bedoelde 208 hennepplanten zijn geoogst. De bewijsmotivering in het bestreden arrest en de bewijsmiddelen in de aanvulling op dat arrest wijzen uit dat de hennepkwekerij was geruimd, dat hennepafval aanwezig was in vuilniszakken en op de grond, dat er droognetten waren met resten van hennepplanten, en dat er 208 potten stonden met alleen nog de steel van de hennepplanten. Het restant van de hennepplanten is aldaar klaarblijkelijk niet aangetroffen. Behoudens duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel, die er niet zijn, heeft het hof zodoende aan de bewijsvoering kunnen ontlenen dat het opzettelijke telen van hennep heeft geleid tot een winstgevende oogst. Voor verdergaand onderzoek biedt de cassatieprocedure geen ruimte. Ook in zoverre faalt het middel.

Slotsom

11. Het middel faalt en leent zich voor afdoening met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Proces-verbaal van de zitting van het hof van 24 februari 2021, p. 3. Zie ook het bestreden arrest, p. 2.
2.Proces-verbaal van de zitting van het hof van 24 februari 2021, p 4. Zie ook het bestreden arrest, p. 2.
3.Ik verwijs naar de samenhangende de strafzaak en mijn conclusie in die zaak.
4.Bestreden arrest, p. 3