ECLI:NL:PHR:2022:543

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juni 2022
Publicatiedatum
9 juni 2022
Zaaknummer
22/01751
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 WvggzArt. 6:6 WvggzArt. 37 lid 1 Wetboek van Strafrecht (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging zorgmachtiging voor maximale duur wegens niet voldoen aan vijfjaarstermijn verplichte zorg

Betrokkene had een zorgmachtiging ontvangen tot 8 maart 2022. De officier van justitie verzocht op 4 februari 2022 om een aansluitende zorgmachtiging voor twee jaar, hoewel erkend werd dat betrokkene pas sinds 14 september 2020 aaneengesloten zorg ontving. De rechtbank Overijssel verleende de machtiging voor twee jaar tot 18 februari 2024, ondanks het ontbreken van een vijfjaarstermijn.

De advocaat van betrokkene maakte bezwaar tegen de duur van twee jaar, stellende dat dit in strijd was met artikel 6:5 onder Pro c Wvggz. De rechtbank weigerde een herstelbeschikking, maar stelde dat de machtiging rechtmatig was toegekend. Betrokkene stelde vervolgens beroep in cassatie.

De Hoge Raad oordeelde dat artikel 6:5 onder Pro c Wvggz strikt moet worden toegepast en dat een onderbreking in de vijfjarige periode van verplichte zorg ertoe leidt dat een machtiging voor twee jaar niet kan worden verleend. Omdat betrokkene pas sinds 14 september 2020 aaneengesloten zorg ontving, was de machtiging voor twee jaar onrechtmatig. De Hoge Raad vernietigde de beschikking en gaf in overweging de machtiging te beperken tot twaalf maanden na verlening, tot 18 februari 2023.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en beperkt de zorgmachtiging tot twaalf maanden wegens niet voldoen aan de vijfjaarstermijn verplichte zorg.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01751
Zitting8 juni 2022
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[betrokkene],
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
Officier van Justitie in het arrondissementsparket Oost-Nederland,
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als betrokkene respectievelijk officier van justitie

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wvggz-zaak klaagt betrokkene dat de rechtbank ten onrechte een zorgmachtiging voor de maximale duur van 24 maanden heeft afgegeven, nu niet is voldaan aan de eis dat aan betrokkene ten minste de afgelopen vijf jaar aaneengesloten verplichte zorg is verleend.

2.Feiten en procesverloop

2.1
Bij beschikking van 8 maart 2021 is ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met uiterlijk 8 maart 2022.
2.2
Bij verzoekschrift, bij de rechtbank Overijssel ingekomen op 4 februari 2022, heeft de officier van justitie verzocht een aansluitende zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene te verlenen. Bij dat verzoekschrift is onder meer een medische verklaring overgelegd die op 3 februari 2022 is ondertekend door een niet bij de behandeling betrokken psychiater. De officier van justitie heeft voorgesteld – voor de gehele looptijd van de te verlenen machtiging – daarin de vormen van verplichte zorg op te nemen zoals in het verzoekschrift opgenomen. In het verzoekschrift heeft de officier van justitie ten aanzien van de duur van de te verlenen machtiging het volgende verzocht:

Duur zorgmachtiging
De verplichte zorg wordt verzocht voor de duur van twee jaar. Hoewel dit zeer
begrijpelijk is, gelet op het chronisch ziektebeeld van betrokkene, de onrust die een
nieuwe aanvraag steeds teweeg brengt en het feit dat zij al bijna drie jaar bekend is
onder de Wvggz/BOPZ, is de officier van justitie van mening dat niet is voldaan aan
hetgeen artikel 6:5 onder Pro c Wvggz vereist. Er is immers geen sprake van verplichte
zorg die vijf jaar aaneengesloten is verleend. Betrokkene is pas sinds 14 september
2020 aaneengesloten in zorg. De officier van justitie ziet dan ook geen aanleiding om
een zorgmachtiging voor de duur van twee jaar te verzoeken en verzoekt de
rechtbank een zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden te verlenen.
Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat een zorgmachtiging voor de duur van twee
jaar zich wel verhoudt met het bepaalde in artikel 6:5 Wvggz Pro dan verzoekt de officier
van justitie om een zorgmachtiging voor de duur van twee jaar te verlenen.”
2.3
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft via een videoverbinding plaatsgevonden op 18 februari 2022. Gehoord zijn: betrokkene, bijgestaan door haar advocaat; de mentor en tevens broer van betrokkene en de sociaalpsychiatrisch verpleegkundige.
2.4
Bij (mondelinge) beschikking van 18 februari 2022 [1] heeft de rechtbank Overijssel een zorgmachtiging verleend voor de verzochte vormen van verplichte zorg tot en met uiterlijk 18 februari 2024. Ten aanzien van de duur van de machtiging heeft de rechtbank dit in de beschikking als volgt gemotiveerd:
“Op grond van artikel 6:6 aanhef Pro en onder a van de Wvggz vervalt de lopende zorgmachtiging indien de officier van justitie niet uiterlijk vier weken voordat de geldigheidsduur van een zorgmachtiging is verstreken een nieuw verzoekschrift voor een zorgmachtiging heeft ingediend. De vorige zorgmachtiging eindigt op 8 maart 2022. Dit brengt mee dat de officier van justitie een nieuw verzoekschrift uiterlijk 8 februari 2022 had moeten indienen. Het verzoekschrift is ingediend op 4 februari 2022. De rechtbank is gelet daarop anders dan de advocaat (en de officier van justitie in het verzoekschrift) van oordeel dat geen sprake is van termijnoverschrijding. De zorgmachtiging zal daarom worden verleend voor de (verzochte) duur van twee jaar, en geldt aldus tot en met 18 februari 2024.”
2.5
Bij brief van 14 maart 2022, per e-mail verstuurd op 14 maart 2022, heeft de advocaat van betrokkene verzocht om een herstelbeschikking, omdat naar de mening van de advocaat het verweer in de beschikking onjuist en/of onvolledig is weergegeven. De advocaat heeft in de brief aangegeven van mening te zijn ter zitting te hebben aangevoerd dat de verzochte termijn van twee jaren naar de mening van de advocaat in strijd is met artikel 6:5 sub c Wvggz Pro en het verzoek op dat punt derhalve niet ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dient te worden afgewezen.
2.6
De rechtbank heeft de advocaat het volgende geantwoord:
“Er komt geen herstelbeschikking, maar wel een proces-verbaal. De rechter heeft een andere mening over de (eventuele) herstelbeschikking. U kunt daarvoor in appel gaan.”
2.7
Ten aanzien van de duur van de machtiging heeft de rechtbank in het proces-verbaal het volgende opgenomen:
“Ik ga de zorgmachtiging verlengen voor de duur van twee jaar. Het is wel degelijk, mijn
bevoegdheid om het ook toe te wijzen voor de duur van twee jaar. Ik heb de advocaat iets
horen zeggen over termijnoverschrijding. Het verzoek is behandeld voor 8 maart. Ik ga er
daarom geen consequenties aan verbinden. Met ingang van heden zal de zorgmachtiging
ingaan voor de duur van twee jaar. Het toedienen van vocht en voeding zal ik niet toewijzen
als vorm van verplichte zorg gelet op dat de noodzaak enkel bestaat uit het toedienen van
medicatie. Het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten ga ik
wel toewijzen als vorm van verplichte zorg omdat ik heb gehoord dat dat wel noodzakelijk
is.”
2.8
Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. Namens de officier van justitie is geen verweerschrift ingediend.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank in strijd met de wet (art. 6:5 onder Pro c Wvggz) een zorgmachtiging heeft verleend voor de duur van twee jaar, althans onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de rechtbank in strijd met de wet een zorgmachtiging zou mogen verlenen voor twee jaar. Het middel wijst erop dat betrokkene slechts vanaf 14 september 2020 aansluitende verplichte zorg heeft gehad en dat daarmee niet wordt voldaan aan de vijfjaarstermijn van art. 6:5 onder Pro c Wvggz.
3.2
Bij beschikking van 3 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:835 heeft de Hoge Raad over toepassing van art. 6:5 aanhef Pro en onder c Wvggz het volgende geoordeeld:
‘3.2 Art. 6:5, aanhef en onder c, Wvggz bepaalt dat de rechter een zorgmachtiging verleent voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor twee jaar, indien het een aansluitende zorgmachtiging betreft voor een persoon die gedurende de afgelopen vijf jaar 1°) verplichte zorg heeft ontvangen, 2°) opgenomen is geweest, respectievelijk zorg heeft ontvangen op grond van een eerder afgegeven machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling of rechterlijke machtiging op grond van de Wet Bopz (oud), of 3°) is geplaatst op grond van art. 37 lid Pro 1 (oud) Wetboek van Strafrecht. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bij de berekening van de periode dat de betrokkene gedwongen zorg heeft ontvangen, gaat om een aaneengesloten periode. Dat betekent dat de rechter ten aanzien van de betrokkene alleen dan een aansluitende zorgmachtiging voor twee jaar kan verlenen als de betrokkene gedurende de afgelopen vijf jaar aaneengesloten gedwongen zorg heeft ontvangen op grond van de Wvggz, de Wet Bopz (oud) of art. 37 (oud) Wetboek van Strafrecht.
3.3
De omstandigheid dat de Wvggz voorziet in zorg die tegen de wil van een persoon kan worden verleend, brengt mee dat art. 6:5, onder c, Wvggz strikt moet worden toegepast. Dit betekent dat een onderbreking in de voorafgaande periode van vijf jaar gedwongen zorg, hoe gering ook, ertoe leidt dat niet is voldaan aan de vijfjaarseis die art. 6:5, onder c, Wvggz stelt voor het verlenen van een zorgmachtiging voor twee jaar.”
3.3
Zoals ook volgt uit het verzoekschrift van de officier van justitie is betrokkene pas sinds 14 september 2020 aaneengesloten in zorg. Er is dus geen sprake van verplichte zorg die vijf jaar aaneengesloten is verleend. Het oordeel van de rechtbank dat een zorgmachtiging van twee jaar kan worden verleend, getuigt dan ook van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt.
3.4
De slotsom is dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven. Ik geef de Hoge Raad in overweging de zaak zelf af te doen, door – na vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre – de toegewezen zorgmachtiging in de tijd te beperken tot twaalf maanden na de datum waarop zij is verleend. De zorgmachtiging zou dan van kracht zijn tot en met 18 februari 2023.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Overijssel van 18 februari 2022 en tot afdoening als hiervoor onder 3.4 vermeld.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De schriftelijke uitwerking van de beschikking is vastgesteld op 21 februari 2022.