Conclusie
Benadelingsbedrag
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging
1. Nadeel nader uitgewerkt
2. Keuze straf- of bestuursrecht
una via-beginsel dient in elke zaak een keuze gemaakt te worden tussen één van beide stelsel. Om richting te geven aan de
una via-beslissing worden de volgende twee categorieën zaken onderscheiden.
Stcrt.2016, 12609), maar de daarvoor geldende Aanwijzing (
Stcrt.2012, 26827), die heeft gegolden van 1 januari 2013 tot 4 april 2016. Deze Aanwijzing kent een enigszins andere definitie van het begrip nadeel. Voor zover aan deze opvatting ten grondslag ligt dat om uit te maken welke Aanwijzing geldig is gekeken moet worden naar de datum van het tenlastegelegde feit, geldt dat deze gedachte onjuist is. Dit type aanwijzingen schrijven slechts vervolgingsbeleid voor. Zij betreffen dus niet voorwaarden voor strafbaarheid, zodat het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel op dit type aanwijzingen niet van toepassing is. Voor zover aan deze stelling de opvatting ten grondslag zou liggen dat bepalend zou zijn de aanwijzing die gold ten tijde van het nemen van de vervolgingsbeslissing, geldt dat in cassatie niets is aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat deze vervolgingsbeslissing eerder dan 1 april 2016 is genomen, terwijl de eerste zitting van de Politierechter in deze zaak op 11 oktober 2017 heeft plaatsgevonden en ook overigens niets blijkt van handelingen die duiden op een eerdere vervolgingsbeslissing.
1.De verklaring van de verdachte.
brief van Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten, d. d. 31 mei 2006' (blz. 105 e.v.), waarin aan de verdachte en [betrokkene 1] een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) is toegekend met ingang van 2 maart 2006. En waarin - onder andere - staat vermeld:
4.
19 inlichtingenformulierenop naam van de verdachte en [betrokkene 1] , betreffende de periode juni 2006 tot en met maart 2008, waarin alle vragen, met betrekking tot wijzigingen in de gezins-/vermogenssituatie met NEE zijn beantwoord (blz. 62 e . v.).
aanvraag langdurigheidstoeslag 2010, d.d. 21 januari 2009, op naam van de verdachte en [betrokkene 1] , waarbij de vraag "Heeft u (...) vermogen (...), bijvoorbeeld geld, een erfenis of een huis of een auto?" met NEE is beantwoord (blz. 56 e.v. )
6.
Rapportage VermogensonderzoekTurkije, d.d. 29 april 2013, in opdracht van de Gemeente Den Haag, met 4 bijlagen. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven- (blz. 132 e.v.):
Ik ben [verdachte] .(Ze liet ons later haar ID-kaart zien).
Het klopt dat dit gebouw van mij is.".
tweede middelbevat de klacht dat het hof een verzoek getuigen te horen heeft afgewezen.
i. [getuige 1] , in ieder geval in 2006 werkzaam bij de dienst SZW van de gemeente Den Haag;
16. De stelling van de verdediging is echter dat cliënten het Nederlands onvoldoende machtig waren om alle voor hun geldende verplichtingen en met name de strekking van die verplichtingen goed te begrijpen. Het is dan ook in het belang van de verdediging deze getuigen te bevragen over de gang van zaken tijdens dat huisbezoek, in hoeverre cliënten alles goed begrepen hebben en in hoeverre de verplichtingen aan hen uitgelegd zijn. Daarnaast is het van belang deze rapporteurs te bevragen over de wijze waarop de hypotheek tot stand is gekomen en in hoeverre cliënten daar invloed op hadden en daarvan op de hoogte waren.”
Reactie op voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen
derde middelbevat de klacht dat het hof de verklaring van de verdachte zou hebben gedenatureerd, met name voor zover de verdachte zou hebben verklaard dat zij “wist” dat zij haar huis in Turkije moest opgeven.
vierde middelbouwt op de voorgaande middelen voort met de klacht dat het hof het bewijs van het opzet ontoereikend zou hebben gemotiveerd.