ECLI:NL:PHR:2022:555

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2022
Publicatiedatum
10 juni 2022
Zaaknummer
22/00252
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofbeslissing over vaststellingsovereenkomst in echtscheidingszaak

In deze echtscheidingszaak stond centraal of het hof Arnhem-Leeuwarden terecht conform een door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst heeft beslist zonder dat partijen expliciet hadden verzocht die overeenkomst in een beschikking vast te leggen.

Partijen hadden in hoger beroep een vaststellingsovereenkomst gesloten over partneralimentatie, afwikkeling huwelijkse voorwaarden en verdeling van de eenvoudige gemeenschap. Het hof vernietigde de eerdere beschikking van de rechtbank en besloot conform deze overeenkomst, ondanks dat partijen niet expliciet hun verzoek hadden gewijzigd.

De vrouw stelde in cassatie dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd was getreden en een ontoelaatbare verrassingsbeslissing had gegeven. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onbegrijpelijk had geoordeeld dat partijen hun verzoek hadden gewijzigd zonder nadere motivering en dat het hof daarmee buiten de rechtsstrijd was getreden.

Ook het oordeel van het hof dat sprake was van algehele overeenstemming tussen partijen werd als onbegrijpelijk beoordeeld, mede vanwege het voorwaardelijke karakter van de afspraken en het feit dat nakoming door de man uitbleef.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de beschikking van het hof en verwijzing van de zaak.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofbeslissing en verwijst zaak terug wegens overschrijding grenzen rechtsstrijd en ontoelaatbare verrassingsbeslissing.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00252
Zitting10 juni 2022
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[de vrouw]
(hierna: de vrouw)
advocaat: C.G.A. van Stratum
tegen
[de man]
(hierna: de man)
niet verschenen.
1.
Inleiding en samenvatting
1.1 In deze echtscheidingszaak draait het in cassatie om de vraag of het hof mocht beslissen conform de door de vrouw en de man gesloten vaststellingsovereenkomst die partijen na de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben gesloten. Deze overeenkomst wordt op verzoek van het hof door partijen aan het hof toegestuurd, zonder dat partijen het hof expliciet verzoeken die overeenkomst in een beschikking vast te leggen of een beslissing te geven conform de inhoud daarvan. Toch doet het hof dat. In cassatie wordt door de vrouw onder meer geklaagd dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden en een voor partijen ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven.

2.Feiten en procesverloop voor zover in cassatie van belang

Feiten

2.1
Vooropgesteld kan worden dat het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem (hierna: het hof), in de bestreden beschikking van 26 oktober 2021 [1] niet zelfstandig feiten heeft vastgesteld.
2.2
Uit de bestreden beschikking in eerste aanleg van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank), van 30 oktober 2020, volgt dat de vrouw en de man voorafgaand aan het geregistreerd partnerschap op 8 april 2002 partnerschapsvoorwaarden zijn aangegaan. Het geregistreerd partnerschap is op 13 september 2003 omgezet in een huwelijk. [2]
2.3
Het huwelijk van partijen is op 25 mei 2021 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 30 oktober 2020 in de registers van de burgerlijke stand. [3]
Procesverloop [4]
2.4
Op 15 maart 2019 heeft de vrouw bij de rechtbank een verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend. De man heeft verweer gevoerd en zelfstandige verzoeken ingediend.
2.5
Op 22 september 2020 heeft de mondelinge behandeling in eerste aanleg plaatsgevonden. De vrouw en de man zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaat. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
2.6
Bij beschikking van 30 oktober 2020 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald, verkort en zakelijk weergegeven: dat de man partneralimentatie dient te betalen; dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoeken met betrekking tot de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden; dat de man geen betaling van een gebruiksvergoeding wordt opgelegd; hoe de echtelijke woning (eenvoudige gemeenschap) dient te worden verdeeld.
2.7
Op 29 januari 2021 is de man van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het hof.
2.8
De vrouw heeft een verweerschrift, tevens vermeerdering verzoek en tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.9
Op 30 juli 2021 heeft de mondelinge behandeling in hoger beroep plaatsgevonden. De vrouw en de man zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Van het ter zitting verhandelde is proces-verbaal opgemaakt.
2.1
Naar aanleiding van het ter zitting verhandelde is langere termijn voor uitspraak genomen om partijen de gelegenheid te geven om overeenstemming te bereiken over het aan het hof voorgelegde geschil. [5]
2.11
Bij beschikking van 26 oktober 2021 heeft het hof overwogen dat partijen algehele overeenstemming hebben bereikt over het aan het hof voorgelegde geschil, gelet op de door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst en de bij het hof binnengekomen correspondentie. Het hof heeft uit deze correspondentie en de inhoud van de overeenkomst afgeleid dat partijen hun verzoek in hoger beroep hebben gewijzigd. [6]
2.12
Gelet hierop heeft het hof de bestreden beschikking van de rechtbank vernietigd ten aanzien van de beslissingen omtrent partneralimentatie, de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de eenvoudige gemeenschap, de onderdelen 4.3 tot en met 4.6 van het dictum van de beschikking van de rechtbank. [7] Het hof heeft vervolgens beslist conform de door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst en heeft bepaald dat deze overeenkomst deel uitmaakt van de beschikking en beslissing van het hof. [8] De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het hof heeft de beschikking van de rechtbank voor het overige bekrachtigd, de kosten van het geding in hoger beroep gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt en het meer of anders verzochte afgewezen. [9]
2.13
De vrouw heeft op 25 januari 2022 tijdig [10] cassatie ingesteld van de bestreden beschikking van het hof, waarbij de vrouw een voorbehoud heeft gemaakt om het middel te mogen aanvullen na ontvangst van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof. De man heeft geen verweer gevoerd.
2.14
De vrouw heeft naar aanleiding van het na het verstrijken van de cassatietermijn ontvangen proces-verbaal van de zitting bij het hof het cassatiemiddel aangevuld.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit vier middelonderdelen, genummerd A tot en met D.
3.2
De middelonderdelen A, B en C zijn gericht tegen rechtsoverweging 3.1 van de bestreden beschikking van het hof. [11] Daarin overweegt het hof als volgt.
“Blijkens de hiervoor onder 2.3 genoemde correspondentie hebben partijen algehele overeenstemming bereikt over het aan het hof voorgelegde geschil. Zij hebben de gemaakte afspraken vastgelegd in een door hen op 5 augustus 2021 ondertekende vaststellingsovereenkomst. Uit de inhoud van de vaststellingsovereenkomst en de hiervoor onder 2.3 genoemde correspondentie leidt het hof af dat partijen hun verzoek in hoger beroep dienovereenkomstig hebben gewijzigd De zaak behoeft naar het oordeel van het hof dan ook niet langer aangehouden te worden.”
3.3
De onder 2.3 genoemde correspondentie waarnaar het hof in zijn beschikking verwijst, betreft:
  • een journaalbericht van (advocaat van de vrouw) van 1 september 2021,
  • een journaalbericht van (advocaat van de man) van 3 september 2021;
  • een journaalbericht van (advocaat van de vrouw) van 6 september 2021;
  • een journaalbericht van (advocaat van de man) van 17 september 2021;
  • een journaalbericht van (advocaat van de vrouw) van 20 september 2021 met daarbij een
  • getekende vaststellingsovereenkomst;
  • een journaalbericht van (advocaat van de man) van 23 september 2021 met daarbij een identieke getekende vaststellingsovereenkomst.
3.4
Middelonderdeel D is gericht tegen rechtsoverwegingen 4.1 en 4.2 van de bestreden beschikking, [12] die luiden als volgt:
“Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep, in beide zaaknummers: 4.1 vernietigt beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 30 oktober 2020, voor zover het betreft de beslissingen omtrent de partneralimentatie, de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de eenvoudige gemeenschap, de onderdelen 4.3 tot en met 4.6 van het dictum van die beschikking, en
4.2 beslist conform de door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst en bepaalt dat deze overeenkomst deel uitmaakt van deze beschikking en beslissing; (…).”
3.5
Alvorens de middelonderdelen te behandelen, geef ik, voor zover in cassatie van belang, een nadere uitwerking van het procesverloop van en na de mondelinge behandeling in hoger beroep en voorafgaand aan het wijzen van de beschikking door het hof.
Nadere uitwerking van het procesverloop voor zover in cassatie van belang
3.6
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep wordt aannemelijk dat tijdens de mondelinge behandeling op enig moment zicht was op het bereiken van overeenstemming tussen partijen. Het hof heeft daarom voorgesteld de zaak aan te houden om partijen de gelegenheid te geven om overeenstemming te bereiken over het aan het hof voorgelegde geschil. Uit het proces-verbaal volgt:
“Vz: Het hof kan u helpen door de zaak aan te houden, dan kunt u zelf een overeenkomst opstellen waar u beiden mee in kunt stemmen en duidelijk is dat er een voorwaarde is. (...). Dan kunnen wij verder als het niet lukt en kunt u de zaak intrekken als het wel lukt.” [13]
3.7
Aan het einde van de zitting heeft het hof de partijen medegedeeld dat wanneer zij toch geen overeenstemming bereiken, op 28 september 2021 een beschikking volgt:
“Vz: U weet dus wat u te doen staat, een overeenkomst onder voorwaarde maken. Eenparig laten weten of het ingetrokken wordt, anders komt er op 28 september een beschikking, deels is dat dan een eindbeschikking ten aanzien van de alimentatie en deels een tussenbeschikking ten aanzien van de huwelijkse voorwaarden.” [14]
3.8
De vrouw en de man zijn vervolgens op 5 augustus 2021 een door hen zogenoemde vaststellingsovereenkomst overeengekomen.
3.9
In de overeenkomst zijn afspraken vastgelegd over de onderwerpen van het geschil in hoger beroep. Deze afspraken komen erop neer dat – verkort en zakelijk weergegeven – de man zich verbindt tot het uitvoeren van een aantal handelingen met betrekking tot de verdeling van de echtelijke woning (eenvoudige gemeenschap) vóór 1 september 2021 en de vrouw zich onder de voorwaarde van tijdige nakoming van de afspraken door de man vóór 1 september 2021 op haar beurt verbindt tot levering van haar aandeel in de echtelijke woning en het doen van afstand van iedere aanspraak op partneralimentatie. [15]
3.1
In de vaststellingsovereenkomst is ook vastgelegd dat partijen – samengevat – na uitvoering van het afgesprokene onmiddellijk begin september 2021 over en weer het hoger beroep bij het hof intrekken. [16]
3.11
Op 1 september 2021 heeft de vrouw het hof geïnformeerd over de voortgang van de zaak en bericht dat – samengevat – partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten maar dat daaraan geen uitvoering is gegeven. Daarbij heeft de vrouw het hof verzocht een beschikking af te geven. [17]
3.12
Op 3 september 2021 heeft de man het hof bericht dat hij beoogt de vaststellingsovereenkomst zo spoedig als mogelijk integraal na te komen. Daarbij heeft de man het hof verzocht de beschikking een maand later af te geven. [18]
3.13
Op 6 september 2021 heeft de vrouw het hof opnieuw verzocht om een beschikking af te geven en de behandeling van de zaak niet aan te houden. [19]
3.14
Op 16 september 2021 heeft het hof partijen per brief medegedeeld dat de uitspraakdatum is verzet naar 12 oktober 2021. Daarbij heeft het hof partijen verzocht om de vaststellingsovereenkomst uiterlijk 24 september 2021 aan het hof toe te sturen. [20]
3.15
Op 17 september heeft de man het hof bericht dat hij het verzoek handhaaft ‘om de uitspraak nog even uit te stellen tot medio/eind oktober, in de verwachting dat het dan helemaal niet meer nodig is (…).’ [21]
3.16
Beide partijen hebben de vaststellingsovereenkomst zoals door het hof verzocht voor 24 september 2021 aan het hof toegestuurd (de vrouw op 20 september 2021 en de man op 23 september 2021). Beide toezendingen zijn vergezeld gegaan van een begeleidende brief aan het hof. De vrouw heeft het hof opnieuw verzocht om een beschikking te geven en de man heeft het hof opnieuw bericht dat hij zich inspant om de afspraken na te komen. [22]
3.17
Het hof heeft vervolgens op 26 oktober 2021 een beschikking gewezen, waarin het hof de bestreden beschikking van de rechtbank op onderdelen heeft vernietigd en conform de vaststellingsovereenkomst heeft beslist (zie hiervoor, randnummer 2.11-2.12).
Behandeling van de middelonderdelen
3.18
De middelonderdelen genummerd A tot en met D klagen achtereenvolgens over:
- A) de omvang van de rechtsstrijd in appèl;
- B) het bestaan van algehele overeenstemming tussen partijen;
- C) de wijziging van het verzoek van partijen;
- D) het wijzen van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing.
3.19
De middelonderdelen A, C en D lenen zich voor gezamenlijke behandeling, omdat deze onderdelen er in de kern over klagen dat het hof bij het nemen van zijn beslissing acht heeft geslagen op de – op eigen verzoek ontvangen – vaststellingsovereenkomst en daaruit heeft afgeleid dat partijen hun verzoek dienovereenkomstig hebben gewijzigd.
3.2
Met
onderdeel Awordt betoogd dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd heeft miskend door de beschikking van de rechtbank te vernietigen voor wat betreft de beslissing in rechtsoverweging 4.6 (over de verdeling van de eenvoudige gemeenschap), omdat geen van de partijen tegen deze beslissing heeft gegriefd en evenmin anderszins is verzocht om die beslissing alsnog bij de beoordeling te betrekken. [23]
3.21
De klacht in
onderdeel Cricht zich op het oordeel van het hof dat partijen, gelet op de inhoud van de vaststellingsovereenkomst en de correspondentie met het hof, hun verzoek in hoger beroep hebben gewijzigd, hetgeen zonder nadere toelichting die ontbreekt volgens de klacht apert onbegrijpelijk is in het licht van die vaststellingsovereenkomst en correspondentie. [24]
3.22
In
onderdeel Dwordt geklaagd dat het hof met de beslissing de bestreden beschikking in eerste aanleg te vernietigen voor wat betreft het dictum onder 4.3 tot en met 4.6 en te beslissen conform de in de beschikking aangehechte vaststellingsovereenkomst, een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven die in strijd is met de goede procesorde. [25]
3.23
Bij de behandeling van deze klachten (A, C en D) komt aan de orde de vraag of het hof zonder expliciet verzoek daartoe van partijen, de – op eigen verzoek – toegestuurde vaststellingsovereenkomst ten grondslag mocht leggen aan zijn beslissing.
3.24
Vooropstaat dat uit de gevoerde correspondentie tussen partijen en het hof (zoals in deze conclusie weergegeven onder randnummer 3.3) niet expliciet volgt dat partijen hun verzoek in hoger beroep hebben willen wijzigen dan wel hebben gewijzigd. Het hof heeft, zoals het zelf aangeeft in zijn beschikking (r.o. 3.1 van de bestreden beschikking), uit de gevoerde correspondentie en de inhoud van de vaststellingsovereenkomst
afgeleiddat partijen hun verzoek dienovereenkomstig hebben gewijzigd en dus zonder dat partijen een dergelijke wijziging van het verzoek hebben geëxpliciteerd en zonder dat partijen de vaststellingsovereenkomst zelf ten grondslag hebben gelegd aan het door het hof afgeleide gewijzigde verzoek van partijen.
3.25
Dat oordeel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk nu juist uit de gevoerde correspondentie niets volgt dat erop wijst dat partijen hun verzoek in hoger beroep hebben gewijzigd maar daarentegen juist het tegenovergestelde volgt: de vrouw wenst een beschikking van het hof nu de man de in de vaststellingsovereenkomst gemaakte afspraken niet tijdig is nagekomen en de man verzoekt meermalen om uitstel van de uitspraak omdat hij verwacht spoedig te kunnen afwikkelen en een uitspraak dan niet meer nodig is. Met de bestreden opvatting van het hof dat partijen hun verzoek overeenkomstig de vaststellingsovereenkomst hebben gewijzigd en het hof vervolgens conform die overeenkomst beslist, is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden en heeft het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gewezen.
3.26
Het voorgaande leidt er mijns inziens toe dat de klachten uit middelonderdelen A, C en D doel treffen.
3.27
Onderdeel Bbetreft een klacht over het oordeel van het hof dat tussen partijen sprake is van algehele overeenstemming over het aan het hof voorgelegde geschil. [26] Ook deze klacht slaagt. Het oordeel van het hof dat tussen partijen sprake is van algehele overeenstemming over het aan het hof voorgelegde geschil is met de enkele verwijzing naar de ingekomen correspondentie (zoals in deze conclusie weergegeven onder randnummer 3.3) [27] onbegrijpelijk en behoeft nadere motivering. Niet alleen gelet op de gevoerde correspondentie met het hof, maar temeer gelet op het voorwaardelijke karakter van de in de vaststellingsovereenkomst neergelegde afspraken, te weten nakoming van de verplichtingen door de man binnen een termijn die op het moment van het wijzen van de beschikking reeds verstreken was.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 26 oktober 2021 en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Hof Arnhem-Leeuwarden (zittingsplaats Arnhem) 26 oktober 2021, met zaaknummers 200.289.044 en 200.289.046 (hierna verkort aangeduid: Hof Arnhem-Leeuwarden 26 oktober 2021). De beschikking is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
2.Rb. Midden-Nederland (zittingsplaats Utrecht) 30 oktober 2020, met zaaknummers C/16/477423 / FA RK 19-1588 en C/16/491351 / FA RK 19-6861 (hierna verkort aangeduid: Rb. Midden-Nederland 30 oktober 2020). De beschikking is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
3.Ontleend aan de door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst d.d. 5 augustus 2021, p. 1 en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 2.
4.Zie voor het procesverloop in eerste aanleg Rb. Midden-Nederland 30 oktober 2020, r.o. 1.1-1.4 en in hoger beroep Hof Arnhem-Leeuwarden 26 oktober 2021, r.o. 2.1-2.3.
5.Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 8-10.
6.Hof Arnhem-Leeuwarden 26 oktober 2021, r.o. 3.1.
7.Hof Arnhem-Leeuwarden 26 oktober 2021, r.o. 3.2 en 4.1.
8.Hof Arnhem-Leeuwarden 26 oktober 2021, r.o. 4.2.
9.Hof Arnhem-Leeuwarden 26 oktober 2021, r.o. 4.1-4.6.
10.De procesinleiding is op 25 januari 2022 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.
11.Zie de procesinleiding, nr. 2.1.
12.Zie de procesinleiding, nr. 2.1.
13.Proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 8.
14.Proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 10.
15.Aldus blijkens de vaststellingsovereenkomst d.d. 5 augustus 2021, onder nr. 2-3, 5.
16.Aldus blijkens de vaststellingsovereenkomst d.d. 5 augustus 2021, onder nr. 8.
17.Processtuknummer 7 in het A-dossier (journaalbericht d.d. 1 september 2021).
18.Processtuknummer 8 in het A-dossier (journaalbericht d.d. 3 september 2021).
19.Processtuknummer 9 in het A-dossier (journaalbericht d.d. 6 september 2021).
20.Processtuknummer 10 in het A-dossier (brief van het hof d.d. 16 september 2021).
21.Processtuknummer 11 in het A-dossier (journaalbericht d.d. 17 september 2021).
22.Processtuknummer 12 en 12A in het A-dossier (journaalberichten d.d. 20 september 2021 en 23 september 2021).
23.Zie de procesinleiding, nr. 2.2-2.3.
24.Zie de procesinleiding, nr. 2.17-2.20.
25.Zie de procesinleiding, nr. 2.21-2.23.
26.Zie de procesinleiding, nr. 2.4-2.16.
27.Hof Arnhem-Leeuwarden 26 oktober 2021, r.o. 3.1 en 2.3.