Conclusie
1.Aanduiding procespartijen en korte inhoud cassatieberoep
2.Feiten en procesverloop
Met PRISMA-onderzoek I wordt gedoeld op een onderzoek naar een eerder incident (voorafgaand aan het overlijden van de zoon) in de instelling van de Stichting met betrekking tot een derde.
Blijkens het in de onderhavige procedure beschikbare gedeelte van de calamiteitenrapportage van de Stichting inzake het overlijden van de zoon [3] is naar aanleiding van dit PRISMA-onderzoek I een pilot in gang gezet waarin de doucheruimten verhoogd worden beveiligd, waarbij in de doucheruimte de mogelijkheid wordt beperkt om materiaal te bevestigen gericht op strangulatie/verhangen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding en juridisch kader
9. Wat zijn de verbetermaatregelen en sluiten die aan op de basisoorzaken?Welke verbetermaatregelen zijn al getroffen? Er is al, naar aanleiding van een eerdere PRISMA-analyse, een pilot in gang gezet waarin de doucheruimten verhoogd beveiligd worden. Hierbij wordt in de doucheruimte de mogelijkheid beperkt om materiaal te bevestigen gericht op strangulatie/verhangen. Input voor evaluatie van deze pilot wordt momenteel opgehaald.”
b. het aan de hand van de gegevens, bedoeld in onderdeel a, op systematische wijze toetsen of de wijze van uitvoering van artikel 3 leidt Pro tot goede zorg;
c. het op basis van de uitkomst van de toetsing, bedoeld in onderdeel b, zo nodig veranderen van de wijze waarop artikel 3 wordt Pro uitgevoerd.”
Over de reikwijdte van deze informatieplicht is in de memorie van toelichting het volgende opgemerkt [32] :
De analyse naar de diepere oorzaken van het gebrek aan communicatie, de analyse van bijna-incidenten (gebeurtenissen waarvan de gevolgen voor cliënten zijn voorkomen) en de vraag of het gaat om een gebrek dat ook bij andere cliënten heeft plaatsgehad en of er een breder patroon achter incidenten te ontdekken is, zijn aan de orde bij de kwaliteitsbewaking, besproken in de toelichting bij artikel 10. Op de desbetreffende gegevens richt zich het recht van de cliënt op informatie niet; die gegevens behoren juist tot het eigene en de meerwaarde van het kwaliteitsregister van het «veilig-melden-systeem».”
melder of degene over wie wordt gemeld, wordt beschermd door art. 9 lid 6 Wkkgz Pro.
Deze gevolgtrekking wordt ook gemaakt door Legemaate [47] en Kahn. [48] Legemaate meent dat de ‘veilig melden’-regels in het geval van een calamiteit niet aan de orde kunnen zijn omdat ‘Veilig melden’ is ontwikkeld met betrekking tot interne meldingssystemen van zorgaanbieders en uit de aard van de wettelijke calamiteitenmelding voortvloeit dat in die context van ‘veilig melden’ geen sprake kan zijn. [49] Ik citeer zijn vervolg:
Jbprmerkt annotator Van Malssen (onder 4) op dat in het verleden wel vaker inzageverzoeken zijn afgewezen met een beroep op het maatschappelijk belang dat incidenten in zorginstellingen vertrouwelijk moeten kunnen worden gemeld ter voorkoming van herhaling en ter bevordering van de kwaliteit van de zorgverlening. Hij verwijst daarbij naar het hiervoor onder 3.34 besproken arrest. Daaruit leid ik af dat hij de rapportage van de zorginstelling in de door hem geannoteerde zaak als een rapport over een incident beschouwt.
(…) Het verstrekken van het calamiteitenrapport [vormt] ook een goed middel om aan artikel 10 lid 3 te Pro voldoen. Dat stelt wel eisen aan de opzet van het calamiteitenrapport. Daarin dienen op een zo feitelijk en zakelijk mogelijke manier de volgende drie zaken aan de orde te komen: de omstandigheden van de calamiteit, de in het onderzoek gevonden oorzaken en de naar aanleiding daarvan getroffen verbetermaatregelen. (…) namen van medewerkers [behoeven] niet in het calamiteitenrapport te worden vermeld. Logisch is ook dat de aan het rapport ten grondslag liggende stukken (zoals gespreksverslagen e.d.) niet worden verstrekt. Dat zou namelijk wel kunnen leiden tot een afname van de bereidheid tot medewerking aan calamiteitenonderzoeken. Een goed gemaakt rapport is zelfstandig leesbaar, ook zonder de onderliggende stukken.”
onderdeel 1.2dat is gericht tegen rov. 3.7.5 en 3.7.6 van de bestreden beschikking en vervolgens
onderdeel 1.5, dat in de kern opkomt tegen rov. 3.7.7. In genoemde rechtsoverwegingen heeft het hof als volgt geoordeeld:
waarbij kennelijk in het midden kan worden gelaten of het om een incident dan wel om een calamiteit gaat, curs. A-G) als kwaliteitsinstrument namelijk zwaarder dan het belang van de individuele rechtzoekende, waarbij de wetgever heeft verwezen naar de uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden van 9 december 2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BG6616.
zowel in geval van een incident als in geval van een calamiteitcurs. A-G) dan ook worden aangemerkt als een onderzoek in het kader van het kwaliteitssysteem en vallen de PRISMA-onderzoeken en de daarin gelegen gegevens, die voortvloeien uit het interne incidentenregister, onder artikel 7 Wkkgz Pro. Gezien hetgeen is overwogen onder 3.7.4. en 3.7.5. leidt dit tot de conclusie dat [verzoeker 1] geen inzage ex artikel 843a Rv kan vorderen van de PRISMA-onderzoeken vanwege artikel 7 en Pro 9 Wkkgz.
Artikel 10 Wkkgz Pro: het recht op informatie ziet niet op het interne incidentenregister
Volgens het onderdeel bevat art. 9 lid 6 Wkkgz Pro een uitzondering voor gegevens in het register met betrekking tot intern gemelde calamiteiten in de zin van art. 1 van Pro de Wkkgz. Anders dan het hof meent, verhindert art. 9 lid 6 Wkkgz Pro dan ook in ieder geval niet steeds en zonder meer dat gegevens met betrekking tot calamiteiten in, onder meer, civielrechtelijke procedures als bewijs kunnen dienen. In ieder geval ten aanzien van gegevens over calamiteiten moet dan ook, kort gezegd, wel degelijk een concrete belangenafweging worden verricht. Dit wordt niet anders door het bepaalde in art. 9 lid 7 Wkkgz Pro. Noch uit deze bepaling, noch uit de desbetreffende wetsgeschiedenis, kan volgen dat daarmee is beoogd om de bescherming van het register alsnog uit te breiden tot meldingsgegevens over calamiteiten. Art. 9 lid 7 Wkkgz Pro beoogt (slechts) om het register van publieke instanties, zoals academische ziekenhuizen, voor zover dit op grond van art. 9 lid 6 Wkkgz Pro wordt beschermd (wat dus niet zo is bij calamiteitenmeldingen), ook te beschermen tegen WOB-verzoeken, omdat anders eenieder gegevens uit het register zou kunnen opvragen en via de pers wereldkundig maken.
Ter uitwerking en toelichting verwijst het onderdeel naar citaten uit de parlementaire geschiedenis van de Wkkgz en naar een artikel van Legemaate. [62]
Het PRISMA-onderzoek II is het onderzoek naar aanleiding van het overlijden van de zoon. Het calamiteitenrapport vermeldt hierover het volgende:
8. Hoe luiden de conclusies van de calamiteitencommissie?De commissie heeft kennis genomen van de zelfdoding, de verslaglegging naar aanleiding van het PRISMA-onderzoek en komt tot de conclusie dat er is gehandeld conform wet- en regelgeving en er geen reden
isom het vermoeden van moord of medische fout als realistisch in te schatten. Wel ziet de commissie aanleiding om het al lopende proces waarbij de doucheruimtes op de gesloten afdelingen veiliger worden gemaakt ten aanzien van suïcide preventie te versnellen en binnen drie maanden af te ronden.”
Niet bekend is of PRISMA I meer bevat dan een analyse.
hier mede omvattend calamiteiten). Met andere woorden: beide onderzoeken hebben naar het oordeel van het hof (mede) betrekking op een calamiteit.
Kernklacht van dit onderdeel is dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omdat art. 10 lid 3 Wkkgz Pro wel degelijk aanspraak geeft op de in deze bepaling bedoelde informatie, zonder dat het 'veilig-melden-systeem' daarin een beperking aanbrengt als sprake is (geweest) van een calamiteit. Volgens het onderdeel zijn althans gegevens uit het interne incidentenregister in het kader van het kwaliteitssysteem niet steeds en zonder meer uitgezonderd van de mededelingsverplichting van art. 10 lid 3 Wkkgz Pro als sprake is van een calamiteit en geldt ook in het kader van art. 10 lid 3 Wkkgz Pro dat het 'veilig-melden-systeem' geen betrekking heeft op calamiteiten. De verwijzing in de MvT bij art. 10 lid 3 Wkkgz Pro naar dit systeem brengt dan ook niet mee dat in het kader van art. 10 lid 3 Wkkgz Pro - anders dan bij art. 9 lid 6 Wkkgz Pro - wél ook vertrouwelijkheid zou toekomen aan gegevens in het register, bedoeld in art. 7 lid 2 Wkkgz Pro, met betrekking tot calamiteiten. Die verwijzing ziet kennelijk op het geval dat sprake is van een 'normaal' incident, niet zijnde een calamiteit, aldus steeds het onderdeel.
Ter uitwerking en toelichting wordt verwezen naar een citaat van Legemaate waaruit volgens het subonderdeel blijkt dat Legemaate er kennelijk van uitgaat dat de ‘veilig melden’-redenering in ieder geval bij calamiteiten geen beperking aanbrengt op de verplichting van zorgaanbieder om, ingevolge art. 10 lid 3 Wkkgz Pro, onder meer nabestaanden onverwijld mededeling toe doen van de aard en toedracht van, kort gezegd, incidenten bij de zorgverlening aan de cliënt. [64]
onderdeel 1.7slaagt.
onderdeel 1.6, dat is gericht tegen het slot van rov. 3.7.8. Daarin heeft het hof het volgende overwogen:
Het onderdeel slaagt dus in zoverre.