ECLI:NL:PHR:2022:604

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2022
Publicatiedatum
21 juni 2022
Zaaknummer
20/03448
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/03448
Zitting28 juni 2022
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1.
De verdachte is bij arrest van 16 oktober 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, wegens 1 “stoffen en voorwerpen te koop aanbieden, verkopen en verstrekken waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde of vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten” en 2 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand en een taakstraf voor de duur van 60 uren, bij niet behoorlijke verrichting te vervangen door 30 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de bij het arrest aangehechte beslaglijst, bevolen.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J. Michels, advocaat te Oldenzaal, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1.
Het eerste middel keert zich tegen de afwijzing van de verzochte financiële compensatie ex art. 36b Sr jo. 33c Sr. De kern van de klacht is dat het hof bij de motivering van de afwijzing heeft miskend dat op grond van art. 36b lid 2 Sr jo. 33c lid 2 en 3 Sr ook bij de onttrekking aan het verkeer een vergoeding of geldelijke tegemoetkoming kan worden toegekend.
2.2.
Het hof heeft het verzoek van de raadsman om toekenning van een financiële compensatie als volgt samengevat en afgewezen:

Beslag
Het onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Zij worden door het hof beschouwd als een gezamenlijkheid van voorwerpen. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien zij als gezamenlijkheid van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
Ten aanzien van het beslag heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte daardoor onevenredig wordt getroffen. Blijkens een taxatierapport vertegenwoordigen de inbeslaggenomen goederen een economische waarde van € 1.500,00, terwijl het evident is dat dergelijke voorwerpen een veel grotere economische waarde vertegenwoordigen. De raadsman wijst daarbij op de kostbare lampen die zich onder de goederen bevonden. De raadsman is derhalve van mening dat verdachte een compensatie dient te worden toegekend op grond van artikel 33c lid 2 jo. artikel 33b lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. [1]
Het hof is van oordeel dat voor compensatie geen ruimte is, nu de goederen zullen worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. In dergelijke situaties kan geen sprake zijn van compensatie in verband met de waarde van de goederen. Artikel 33c Sr ziet alleen op de situatie van verbeurdverklaring.”

3.Beoordeling van het eerste middel

3.1.
Het hof heeft het verzoek van de raadsman om toekenning van een financiële compensatie voor de onttrokken voorwerpen, afgewezen en daarbij overwogen dat er geen ruimte bestaat voor de verzochte financiële compensatie, onder andere omdat deze ex art. 33c Sr enkel kan worden toegekend bij de verbeurdverklaring van voorwerpen. Het hof heeft met dit oordeel miskend dat art. 33c lid 2 Sr, ingevolge art. 36b lid 2 Sr, van overeenkomstige toepassing is bij de onttrekking aan het verkeer. Het is in beginsel dus wel mogelijk om bij de onttrekking aan het verkeer een vergoeding of geldelijke tegemoetkoming toe te kennen. Wat dat betreft getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting en is het eerste middel terecht voorgesteld.
3.2.
Mijns inziens hoeft dit echter niet tot cassatie te leiden vanwege het volgende.
3.3.
Art. 33c lid 2 Sr, dat ingevolge art. 36b lid 2 Sr van overeenkomstige toepassing is bij de onttrekking aan het verkeer, biedt de rechter de mogelijkheid om een vergoeding of geldelijke tegemoetkoming toe te kennen indien dat nodig is om te voorkomen dat degene aan wie de onttrokken voorwerpen toebehoren, door de onttrekking aan het verkeer onevenredig zou worden getroffen. Of de eigenaar van het voorwerp door de onttrekking aan het verkeer van zijn eigendom onevenredig wordt getroffen wanneer hem geen vergoeding of geldelijke tegemoetkoming wordt toegekend, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen worden betrokken hoe de eigenaar van het voorwerp zich in relatie tot dat voorwerp heeft gedragen, de waarde van het onttrokken voorwerp, alsmede eventueel voordeel dat de Staat na de onttrekking met betrekking tot dat voorwerp verkrijgt, bijvoorbeeld door de verkoop van (onderdelen) daarvan. [2] Verder speelt de aard van het delict respectievelijk van het inbeslaggenomen en onttrokken voorwerp een belangrijke rol, zo valt af te leiden uit de arresten van de Hoge Raad van 27 april 1993 [3] en 16 maart 2004 [4] .
3.4.
Uit de overwegingen van het hof blijkt dat het hof de onttrokken goederen, waarmee de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, beschouwt als een gezamenlijkheid van voorwerpen die bestemd is voor de grootschalige en/of beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt, waarvan het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet. Het gaat derhalve om voorwerpen die niet mogen terugkeren in het verkeer. Kennelijk is het hof van oordeel dat de aard van de gezamenlijkheid van de onttrokken voorwerpen maakt dat er geen ruimte is voor het toekennen van een vergoeding of geldelijke tegemoetkoming. Het is aannemelijk dat het hof het verzoek van de raadsman tot het toekennen van een financiële compensatie voor de onttrokken voorwerpen, niet anders zou hebben beoordeeld als het hof ervan zou zijn uitgegaan dat in beginsel ook bij de onttrekking aan het verkeer een vergoeding of geldelijke tegemoetkoming kan worden toegekend. In de cassatieschriftuur wordt daaromtrent ook niets aangevoerd. Daarom ontbeert de verdachte naar mijn mening enig rechtens te respecteren belang bij het slagen van de betreffende klacht en een vernietiging van het bestreden arrest op deze grond.
3.5.
Het middel faalt bij gebrek aan belang.

4.Het tweede middel

4.1.
Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit, voor zover inhoudende dat de verdachte wist dat de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen en stoffen bestemd waren voor de grootschalige en/of beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt, niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat het oordeel van het hof dat de verdachte zodanige wetenschap had onvoldoende met redenen is omkleed.
4.2.
Ten laste van de verdachte is ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit bewezen verklaard dat:
“1.
hij op 2 maart 2017 te Deventer, in een pand aan de [a-straat 1] te Deventer stoffen en voorwerpen heeft te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, voorhanden gehad, te weten
- 1 hotbox en
- 15 voedingsmiddelen van 0,5 liter en
- 147 voedingsmiddelen van 1 liter en
- 78 voedingsmiddelen van 5 liter en
- 40 voedingsmiddelen van 10 liter en
- 248 voedingsmiddelen diverse en
- 13 thermometers en
- 24 tijdschakelaars en
- 15 assimilatielampen en
- 2 koolstoffilters en
- 1 luchtpomp en
- 1 dompelpomp
- 1 weegschaal en
- 3 droognetten en
- 12 transformatoren en
- 4 ventilatorbuizen en
- 3 klimaatregelaars en
- 2 PH-meters en
- 2 hennepzaadjes en
- 1 growtent en
- 1 slakkenhuis en
een grote hoeveelheid andere stoffen en voorwerpen, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten”
4.3.
In aanvulling op het arrest zijn ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen opgenomen:
“1.
Een schriftelijk stuk, te weten het
mutatierapport, nummer PL0600-2015559423-1, opgemaakt 16 november 2015 door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , inhoudende - zakelijk weergegeven -
als relaas van voornoemde verbalisanten:
Op maandag 16 november om 11:00 uur een controle uitgevoerd op een growshop. Het pand bevindt zich op de [a-straat 1] . Gesproken met [verdachte] , [geboortedatum] 1972, [b-straat 1] Deventer, welke aangaf dat hij als enige eigenaar is van het pand. [verdachte] gaf aan wel te weten dat de wetgeving was veranderd, maar hij wist niet precies hoe het zat. Uitgelegd dat hij hiervoor wel zelf verantwoordelijk blijft als ondernemer.
Van het pand en alle artikelen zijn foto’s gemaakt. O.a. potgrond, kweekschema’s en voedingsmiddelen met componenten A&B aangetroffen. Hierop [verbalisant 5] gebeld voor overleg. Dit teruggekoppeld aan [verdachte] . En na een aantal weken zal dan een nacontrole worden gedaan.
2.
Een schriftelijk stuk, te weten het
mutatierapport, nummer PL0600-2015559423-2, opgemaakt op 14 december 2015 door [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , inhoudende - zakelijk weergegeven -
als relaas van voornoemde verbalisanten:
N.a.v. het eerste bezoek aan growshop [A] aan de [a-straat 1] advies ingewonnen bij collega [verbalisant 5] (expertise hennep). Deze stuurde onderstaande informatie.
Al met al voldoet hij aan de strafbaarstelling 11a Opiumwet. Alles moet weg !!
N.a.v. bovenstaande op maandag 14 december 2015 te 14:00 uur een 2e bezoek gebracht aan growshophouder [verdachte] van growshop [A] . In de zaak [verdachte] en zijn zoon aangetroffen. Aan [verdachte] mondeling bovenstaande medegedeeld.
Hierop ging [verdachte] in discussie. Hem heel duidelijk uitgelegd dat het onderwerp niet discussieerbaar is en dat het voor hem verstandiger zou zijn om het aan te nemen.
[verdachte] bleef maar zeggen dat dit mondeling was en dat hij wel weer kon vergeten wat rapporteurs zeiden. Hem een aantal malen de gelegenheid gegeven om op te schrijven wat rapporteurs zeiden. Hier voldeed hij niet aan.
Tevens gaf [verdachte] aan dat hij het erop aan zou laten komen. Hem gewaarschuwd voor de gevolgen, hem medegedeeld dat we op korte termijn hem komen controleren en dat als hij het dan niet voor elkaar heeft hij strafrechtelijk vervolgd zal gaan worden.
3.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van bevindingenmet de daarbij behorende bijlagen, genummerd PL0600-2017096860-41 (p. 40), d.d. 31 mei 2017, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende,
als relaas van voornoemde verbalisant:
Op donderdag 2 maart 2017 heeft de politie controle uitgevoerd op Growshop [A] , gelegen aan de [a-straat 1] te Deventer. De eigenaar van de growshop betreft:
* [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] .
Bij de controle op donderdag 2 maart 2017 bleek dat de eigenaar, [verdachte] , zich niets van de eerdere waarschuwingen van de politie had aangetrokken. Ik, verbalisant, weet op grond van mijn kennis en ervaring, opgedaan bij eerdere ontmantelingen van hennepkwekerijen, dat de goederen welke te koop werden aangeboden bij Growshop [A] , bestemd zijn voor het inrichten van een hennepkwekerij en gebruikt worden ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsmatige hennepteelt. Deze goederen zijn vervolgens door de politie inbeslaggenomen. Zie voor de specifieke beschrijving van de aangetroffen goederen “lijst van inbeslaggenomen goederen”, welke gevoegd is bij dit proces-verbaal.
Lijst van inbeslaggenomen goederen:
De inbeslaggenomen goederen/voorwerpen bestemd voor de beroeps- en bedrijfsmatige hennepteelt zijn op de lijst van inbeslaggenomen goederen, geel gearceerd.
De bijlage ‘Lijst van inbeslaggenomen goederen’ is als kopie aan deze aanvulling gehecht, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd. [5]
4.4.
Het hof heeft het verweer van de raadsman in zijn nadere bewijsoverwegingen als volgt samengevat en verworpen:

Overweging met betrekking tot het bewijs
(…)
Standpunt verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat verdachte van de hem ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat bij gebrek aan nadere onderbouwing niet kan worden vastgesteld dat voldaan is aan het vereiste van het faciliteren van grootschalige c.q. professionele hennepteelt. Evenmin kan op basis van de inhoud van wettige bewijsmiddelen worden vastgesteld dat voldaan is aan het vereiste wetenschap of ernstige redenen professionele c.q. grootschalige hennepteelt te veronderstellen.
(…)
Oordeel van het hof
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
Uit het dossier is het hof het volgende gebleken.
Verdachte is al enkele jaren enig eigenaar van een winkel in tuin- en landbouwtechniek, gevestigd aan de [a-straat 1] te Deventer. Op 16 november 2015 is het bedrijfspand van verdachte naar aanleiding van nieuwe wetgeving door de politie gecontroleerd op naleving van de Opiumwet. Bij die controle werd een groot aantal hennep gerelateerde goederen aangetroffen. Er is een discussie geweest met verdachte over wat er onder de nieuwe wet viel en hoe die geïnterpreteerd moest worden. Van de goederen werden door verbalisanten foto’s gemaakt en die werden doorgestuurd aan collega [verbalisant 5] (taakaccenthouder hennep). Aan hem is deskundig advies gevraagd omtrent de strafbaarheid van de aangetroffen situatie in de winkel van verdachte. [verbalisant 5] heeft per e-mail aan verbalisanten teruggekoppeld dat verdachte valt onder de strafbaarstelling van artikel 11a van de Opiumwet en dat alle goederen uit de winkel moeten worden verwijderd. Die informatie is in een zich in het dossier bevindend mutatierapport weergegeven.
Naar aanleiding van de ingewonnen informatie van verbalisant [verbalisant 5] is op 14 december 2015 een tweede bezoek gebracht aan de winkel van verdachte en is hem het voorgaande (kort gezegd: dat hij handelt in strijd met artikel 11a van de Opiumwet) medegedeeld. Daarbij werd tevens aangegeven dat op korte termijn opnieuw gecontroleerd zou worden en bij een onveranderde situatie strafrechtelijk zou worden opgetreden. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen heeft verdachte geprobeerd daarover opnieuw met de politie in discussie te gaan, en zei hij dat hij het er op aan zou laten komen. De politie heeft hem gezegd op korte termijn te zullen gaan handhaven.
Vervolgens heeft op 2 maart 2017 een hernieuwde controle plaatsgevonden, waarna het bedrijfspand werd doorzocht en een groot aantal goederen in beslag werd genomen.
Het hof is van oordeel dat de in het bedrijfspand van verdachte aangetroffen goederen naar aantal/omvang, de uiterlijke verschijningsvorm en in combinatie/tezamen bezien, bestemd zijn voor het opzetten dan wel onderhouden van hennepteelt. Ten aanzien van het bedrijfsmatige karakter van die hennepteelt overweegt het hof, mede gelet op de Aanwijzing Opiumwet, dat zich onder de aangetroffen voorwerpen goederen bevinden die geschikt zijn voor de grootschalige dan wel beroeps- of bedrijfsmatige teelt.
De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de in zijn pand aanwezige en door hem te koop aangeboden goederen en stoffen, bedoeld waren voor de grootschalige en/of beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt, als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet.
Daarover overweegt het hof het volgende.
Verdachte is - zoals hierboven is overwogen - op 16 november en 14 december 2015 door de politie gecontroleerd en op 14 december ook uitdrukkelijk gewaarschuwd dat hij strafbaar handelde door de in zijn winkel aangetroffen goederen te koop aan te bieden. Verdachte wist dus dat de goederen die hij in zijn winkel had gezien werden als goederen, bedoeld voor de grootschalige/beroepsmatige hennepteelt.
Gelet op het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat verdachte op 2 maart 2017 in het pand aan de [a-straat 1] te Deventer een groot aantal goederen te koop heeft aangeboden, terwijl hij wist dat deze bestemd waren tot het plegen van strafbare feiten als bedoeld in artikel 11,
derde en/of vijfde lid van de Opiumwet.”

5.Beoordeling van het tweede middel

5.1.
In de toelichting op het middel wordt opgemerkt dat niet wordt bestreden dat de verdachte voorwerpen voorhanden heeft gehad die bestemd kunnen zijn voor de voorbereiding of vergemakkelijking van de grootschalige en/of beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt, maar dat wetenschap van de aanwezigheid van deze voorwerpen nog niet betekent dat de verdachte ook wetenschap van de bestemming van deze voorwerpen heeft gehad. Volgens de steller van het middel kan uit de bewijsoverwegingen noch uit de latere aanvulling ex art. 365a Sv de bewezen verklaarde wetenschap worden afgeleid.
5.2.
De bewezenverklaring is toegespitst op art. 11a Ow die luidt:
“Hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.”
5.3.
In de Nota naar aanleiding van het verslag bij de wijziging van art. 11a Ow [6] valt, voor zover voor de bespreking van het tweede middel relevant, onder meer te lezen:
“Voor een veroordeling ter zake van overtreding van het nieuwe artikel 11a zal het openbaar ministerie moeten bewijzen dat betrokkene wist dat of ernstige redenen had om te vermoeden dat de door hem verrichte handelingen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van lijst II middelen of van grote hoeveelheden van die middelen. Voorop gesteld wordt dat dezelfde bestanddelen in artikel 10a van de Opiumwet zijn opgenomen zonder dat dit tot vragen heeft geleid, terwijl het daarbij evenzeer kan gaan om personen die (ogenschijnlijk) onderdeel uitmaken van het reguliere bedrijfsleven. Bij de lijst II middelen zal het in de praktijk om voorbereidingshandelingen met betrekking tot de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt gaan of teelt van grote hoeveelheden hennep. Van strafbare voorbereiding is sprake indien ten aanzien van de dader wetenschap of een ernstig vermoeden kan worden bewezen bij de verrichting van handelingen die strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van de genoemde illegale hennepteelt. Het gaat met andere woorden steeds om de criminele intentie van de dader en de daaruit voortvloeiende handeling. Deze twee bestanddelen van de strafbaarstelling moeten zijn vervuld, wil er sprake zijn van strafbare voorbereidingshandelingen. De werking van deze bestanddelen is vergelijkbaar met communicerende vaten. Indien de verrichte handeling onmiskenbaar bestemd is voor de hennepteelt zal de criminele intentie grotendeels kunnen worden afgeleid uit aard en bedoeling van die handeling, terwijl wanneer de handeling meer alledaags is, hogere eisen zullen gelden voor het bewijs van hetgeen de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden over het uiteindelijk doel ten behoeve waarvan de handeling werd verricht.”
5.4.
Bij de vraag of een voorwerp bestemd is voor de voorbereiding of vergemakkelijking van de grootschalige en/of beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt en de wetenschap daaromtrent, kunnen de combinatie van voorwerpen en de context waarin deze voorwerpen zijn aangetroffen van belang zijn. Mijn ambtgenoot Vegter heeft hierover het volgende opgemerkt in zijn conclusie voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad van 11 februari 2020 (met weglating van voetnoot) [7] :
“Bij de vraag of een voorwerp of stof geschikt is om art. 11, derde lid, Opiumwet te overtreden kunnen zowel de subjectieve bestemming (welke bestemming is er voor de bezitter van het voorwerp) als de context waarbinnen (de omstandigheden waaronder) het voorwerp bijvoorbeeld wordt aangetroffen een rol spelen. Denk daarbij ook aan de gezamenlijkheid van de voorwerpen. Van een elektrische schakelaar zal niet spoedig de criminele bestemming als bedoeld in art. 11a Opiumwet worden aangenomen, maar in combinatie met (onder meer) voor de hennepkweek geschikte lampen kan dat anders zijn.”
5.5.
Het hof heeft blijkens de bewijsvoering vastgesteld dat de verdachte in het kader van de naleving op de Opiumwet op 16 november 2015 en 14 december 2015 door de politie is gecontroleerd. Tijdens de controle op 14 december 2015 heeft de politie de verdachte expliciet gewaarschuwd dat hij handelde in strijd met art. 11a Ow door de in zijn winkel aangetroffen hennepgerelateerde goederen te koop aan te bieden. Hierbij heeft de politie aan de verdachte medegedeeld dat een nieuwe controle zou volgen en dat bij een onveranderde situatie strafrechtelijk zou worden opgetreden. De verdachte heeft laten weten dat hij het zou laten aankomen op een strafrechtelijke vervolging. Vervolgens is op 2 maart 2017 een derde controle uitgevoerd in de winkel van de verdachte. Daarbij zijn onder andere 528 voedingsmiddelen, 24 tijdschakelaars, vijftien assimilatielampen, dertien thermometers, twaalf transformatoren, vier ventilatorbuizen, drie klimaatregelaars, drie droognetten, twee koolstoffilters, twee PH-meters, twee hennepzaadjes, één growtent, één slakkenhuis, één luchtpomp, één dompelpomp, één weegschaal en één hotbox aangetroffen. Het hof heeft de hoeveelheid en de uiterlijke verschijningsvorm van de goederen in onderling verband en samenhang bezien en heeft daaruit de gevolgtrekking gemaakt dat de goederen bedoeld waren voor de grootschalige en/of beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Gelet op de inhoud van het gebezigde bewijs, zijn de feitelijke vaststellingen van het hof en de daaruit gemaakte gevolgtrekkingen dat de in winkel van verdachte aangetroffen goederen bestemd waren voor de grootschalige en/of beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt en dat de verdachte dit ook wist, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
5.6.
Het tweede middel faalt.

6.Conclusie

6.1.
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende verkorte motivering.
6.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Ik veronderstel dat de vermelding van artikel 33b lid 2 van het Wetboek van Strafrecht in het arrest op een kennelijke schrijffout berust. In de pleitnota van de raadsman die op de terechtzitting van het hof is overgelegd, wordt verzocht om compensatie op grond van art. 33c lid 2 Sr juncto art. 3
2.HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1156,
3.HR 27 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9338,
4.HR 16 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2268 (niet gepubliceerd).
5.De beslaglijst is zowel bij het arrest als bij de aanvulling ex art. 365a Sv aangehecht. Op die lijst staan onder andere de in de bewezenverklaring genoemde goederen en stoffen.
7.HR 11 februari 2020, zaaknummer 18/01514 (niet gepubliceerd). De Hoge Raad deed het middel op de voet van art. 81 RO af.