Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Aard van de uitzendovereenkomst” dat een uitzendovereenkomst in twee vormen kan worden aangegaan, te weten (art. 12 lid 2 onder Pro a) een uitzendovereenkomst met uitzendbeding voor de duur van de terbeschikkingstelling en maximaal tot het einde van fase A, of (art. 12 lid 2 onder Pro b) een detacheringsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd. Art. 13 van Pro de ABU-CAO bevat bepalingen over de uitzendfasen A, B en C. Art. 13 lid 1 regelt Pro onder a dat de uitzendkracht werkzaam is in fase A zolang deze nog niet in meer dan 78 weken voor dezelfde uitzendonderneming heeft gewerkt en onder b dat fase A 78 gewerkte weken duurt. Onder c is bepaald: ‘In fase A is de uitzendkracht steeds werkzaam op basis van een uitzendovereenkomst met uitzendbeding, tenzij uitdrukkelijk een detacheringsovereenkomst is overeengekomen.’ In art. 13 lid Pro 2 (over Fase B) bepaalt de CAO onder a: ‘De uitzendkracht is werkzaam in fase B zodra de uitzendovereenkomst na voltooiing van fase A wordt voortgezet, of als binnen 26 weken na voltooiing van fase A een nieuwe uitzendovereenkomst met dezelfde uitzendonderneming wordt aangegaan.’ Deze fase B duurt volgens art. 13 lid 2 onder Pro b maximaal vier jaar en in art. 13 lid 2 onder Pro c is over de aard het volgende bepaald: ‘In fase B is de uitzendkracht steeds werkzaam is op basis van een detacheringsovereenkomst voor bepaalde tijd, tenzij uitdrukkelijk een detacheringsovereenkomst voor onbepaalde tijd is overeengekomen.’ [6]
tussentijdseopzegging door de uitzendkracht en door de uitzendonderneming van de detacheringsovereenkomst voor bepaalde tijd in art. 15 leden Pro 1-3 en daarvan lijkt in deze zaak geen sprake. Een detacheringsovereenkomst die is aangegaan voor
onbepaaldetijd kan zowel door de werknemer als door de uitzendonderneming tegen de eerstvolgende werkdag worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van één maand, tenzij in de detacheringsovereenkomst een langere opzegtermijn wordt overeengekomen, zo bepaalt art. 15 lid 4 van Pro de ABU-CAO. Art. 7:667 lid 1 BW Pro bepaalt dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt, dus automatisch en zonder dat opzegging is vereist, door het verstrijken van de termijn waarvoor die is aangegaan of bij wet is aangegeven. Wel geldt in dat geval een aanzegplicht voor de werkgever, in die zin dat hij de werknemer schriftelijk uiterlijk een maand voordat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt daarvan in kennis stelt, tenzij de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor een periode korter dan zes maanden (art. 7:668 BW Pro).
onbepaalde tijd. Zij heeft hiertoe in feitelijke instanties aangevoerd dat zij de uitzendovereenkomst van 28 augustus 2015 nooit heeft gezien en niet heeft ondertekend en dat geldt ook voor de uitzendbevestigingen, dat de in de laatste uitzendbevestiging [13] genoemde einddatum van 31 maart 2018 haar (dus) niet kan worden tegengeworpen, dat haar werkzaamheden voor [Opleidingen] weliswaar zijn geëindigd, maar haar arbeidsovereenkomst met het uitzendbureau is blijven bestaan bij gebreke van opzegging daarvan en dat zij het bericht van werkgever van 5 september 2018 [14] pas heeft opgevat als opzegging. [15]
bepaalde tijd. Zij heeft zich hiertoe in feitelijke instanties onder meer beroepen op de overgelegde (schriftelijke) arbeidsovereenkomst fase A met uitzendbeding van 28 augustus 2015 [16] en vier later daaraan toegevoegde uitzendbevestigingen. [17] De uitzendbevestigingen dateren van 17 januari 2016 (inschaling CAO Uitzendkrachten fase A, bijzonderheden: contract wordt steeds voor een maand verlengd), 9 januari 2017 (inschaling CAO Uitzendkrachten fase A, bijzonderheden: contract wordt steeds voor een maand verlengd), 28 januari 2017 (Overstap van fase A naar fase B per 1-2-2017, bijzonderheden: 1e contract fase B), en 18 augustus 2017 (met vermelding van 1 oktober 2017 als datum begin opdracht en 31 maart 2018 als einddatum opdracht, en inschaling CAO Uitzendkrachten fase B). [18]
uitdrukkelijk onbepaalde tijd is overeengekomen. Voor de uitleg van een CAO-bepaling gaat het om de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit deze bewoordingen. Het element dat
uitdrukkelijkonbepaalde tijd moet zijn overeengekomen, lijkt dan stilzwijgende verlenging van bepaalde tijd overeenkomsten in een overeenkomst voor onbepaalde tijd uit te sluiten. Een werknemer moet dus met goede papieren komen, wil de afwijking van de hoofdroute uit de CAO worden bewezen dat uitdrukkelijk onbepaalde tijd in plaats van bepaalde tijd is overeengekomen. Ik teken hierbij aan dat op de door werknemer overgelegde (en dus in ieder geval door haar ontvangen) loonstroken stond aangegeven dat werkgever een uitzendbureau was en ook op welke fase A1, A2 of B de betreffende loonperiode betrekking had. In rov. 5.6-5.9 van de tussenbeschikking heeft het hof de regels over de bewijslastverdeling ook in dit opzicht naar mij voorkomt niet miskend. In dit verband lijkt mij niet doorslaggevend dat werknemer stelt dat zij de uitzendbevestigingen (waarin laatstelijk de einddatum van fase B stond aangegeven) niet heeft ontvangen. Het hof had hier misschien ook reden kunnen zien om de bewijslast om te keren, maar dat dat niet is gebeurd in deze zaak, lijkt mij niet onjuist. Het verband met art. 159 lid 2 Rv Pro komt hierna bij de bespreking van onderdeel 1b aan de orde.
uitdrukkelijk(dus niet stilzwijgend) onbepaalde tijd is overeengekomen, de uitzondering op de hoofdregel. Dat is eerder een aanwijzing dat het bewijsrisico behoort te liggen bij degene die zich op die uitzondering beroept en daar is hier ook materieel op uitgekomen.
nietop uitdrukkelijk, maar op stilzwijgend overeenkomen en zo beschouwd is coulant dat het hof dit voldoende heeft geacht (na de in cassatie onbestreden vaststelling door het hof dat wel sprake is van een uitzendovereenkomst) voor bewijstoelating terzake (waar werknemer vervolgens geen gebruik van heeft gemaakt, zo hebben we gezien). Onderdeel 1b is daarom tevergeefs voorgesteld.
Onderdeel 2aricht zich tegen rov. 1-2 van de eindbeschikking en klaagt dat voor zover het hof bij de vaststelling van de einddatum van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aansluiting heeft gezocht bij de beëindiging van de opdracht door inlener [Opleidingen] op 13 maart 2018, dit onjuist, althans onvoldoende begrijpelijk is.
Onderdeel 2bklaagt dat het in ieder geval onbegrijpelijk is dat de einddatum van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd door het hof in rov. 1-2 van zijn eindbeschikking, in navolging van rov. 5.9-5.10, is vastgesteld op 31 maart 2018.