Conclusie
1.Feiten en procesverloop
nietis aan te merken als een ‘mededeling aan het publiek’ in de zin van de Auteursrechtrichtlijn [4] en de VLN-richtlijn [5] (zie rov. 4.5 – 4.6 Ktr).
grief 1van Dagelijks Leven slaagt. Het slagen van de grief brengt mee dat het hof op grond van de in eerste aanleg en hoger beroep aangevoerde stellingen en verweren van partijen hierna (onder 6.9 en verder) alsnog zal beoordelen of er sprake is [van] “mededeling aan het publiek”.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding en juridisch kader
materiëleopenbaarmaking wordt een stoffelijk voorwerp in het verkeer gebracht of verspreid waarin het beschermde ‘werk’ is vastgelegd; bijvoorbeeld een boek, grammofoonplaat of compact disc (cd). Bij
immateriëleopenbaarmaking wordt het ‘werk’ ter kennis gebracht van het publiek, dat dit kan bekijken en/of beluisteren zonder dat het in een stoffelijk voorwerp behoeft te zijn vastgelegd. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om communicatievormen zoals het houden van een speech, het ten gehore brengen van een muziekstuk of de opvoering van een toneelstuk. Immateriële openbaarmaking kan geschieden in rechtstreekse aanwezigheid van het publiek (kijkers of toehoorders) hetzij in de vorm van handelingen waarmee het publiek op een later tijdstip en/of op een andere plaats dan die van de oorspronkelijke uitvoering kennis kan nemen van het auteursrechtelijk beschermde ‘werk’. [12]
medewordt begrepen die in besloten kring, tenzij deze zich beperkt tot de familie-, vrienden- of daaraan gelijk te stellen kring en voor de toegang tot de voordracht, op- of uitvoering of voorstelling geen betaling, in welke vorm ook, geschiedt.
Right of Communication to the Public’) als volgt luidt: [14]
bis, lid 3, van de Berner Conventie, dat in die zaak aan de orde was, over het vaststellen van een nadere regeling door de lidstaten die partij zijn bij de Berner Conventie, voegde het HvJ EU hieraan toe:
live’)uitvoering van een concert in een concertzaal waarbij het publiek aanwezig is, buiten het bereik van deze richtlijnbepaling. [20] Volgens Spoor/Verkade/Visser vindt deze begrenzing haar verklaring in de doelstelling van de Auteursrechtrichtlijn: deze richtlijn beoogt harmonisatie van (slechts) die aspecten van auteursrecht en naburige rechten welke
in de informatiemaatschappijvan belang zijn. Zij tekenen hierbij wel het volgende aan:
voor wat betreft de niet door die bepaling bestreken handelingenniet geharmoniseerd is, zodat de rechter in zoverre niet gebonden is aan de door het HvJ EU daaraan gegeven uitleg. Zo zou in beginsel bijv. een andere invulling van het publiekscriterium denkbaar zijn. Te verwachten valt echter, dat de rechter zich ook voor wat betreft het niet-geharmoniseerde gebied ter wille van de rechtseenheid en overzichtelijkheid zoveel mogelijk zal richten naar de jurisprudentie van het Hof.” [21]
’. De aldus geïncasseerde vergoeding wordt verdeeld tussen de betrokken uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen.
Willem Dreeshuis/BUMA [25] heeft de Hoge Raad − op basis van de destijds geldende wetgeving − aangegeven hoe kan worden beoordeeld of sprake is van openbaarmaking in een besloten kring, niet zijnde een besloten familie- of vriendenkring of een daarmee gelijk te stellen gezelschap. Het ging in die zaak concreet om de vraag of muziek, ten gehore gebracht in die ruimten van een bejaardentehuis waar bejaarden gemeenschappelijk plegen te vertoeven (zoals recreatieruimten, eet- en conversatiezalen), kon worden gerubriceerd onder de in art. 12 lid 2 van Pro de Auteurswet 1912 genoemde gevallen waarin geen vergoeding is verschuldigd aan de rechthebbende.
communication to the public’) binnen de EU volledig is geharmoniseerd. Om die reden is volgens DLZ bepalend of hier sprake is van ‘mededeling aan het publiek’ in die Europeesrechtelijke betekenis. Volgens DLZ staat het de lidstaten niet vrij, aan een rechthebbende auteursrechtelijke of naburig-rechtelijke bescherming te verlenen indien de handeling niet kan worden aangemerkt als ‘mededeling aan het publiek’.
enomdat het begrip ‘mededeling aan het publiek’ in art. 8 lid 2 VLN Pro-richtlijn dezelfde betekenis heeft als in de Auteursrechtrichtlijn, maakt het hof de gevolgtrekking dat wanneer geen sprake is van ‘mededeling aan het publiek’, er ook geen sprake is van ‘openbaarmaking’ in de zin van art. 12 Aw Pro, respectievelijk art. 2 en Pro art. 7 Wnr Pro. Tegen dat oordeel is het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van Sena en Buma gericht.
onder 2.ahoudt in dat het oordeel dat DLZ een ‘centrale rol’ vervult rechtens onjuist is, althans onbegrijpelijk is zonder een nadere motivering. Om te kunnen spreken van een ‘handeling bestaande in een mededeling aan het publiek’ dient de gebruiker “met volledige kennis van de gevolgen van zijn handelwijze te interveniëren om zijn klanten toegang te verlenen tot beschermd werk, met name wanneer deze klanten zonder een dergelijke interventie in beginsel geen toegang zouden hebben tot het verspreide werk”. [36] Volgens DLZ kan pas worden gesproken van een zodanige ‘interventie’ indien zij niet slechts de voor het afspelen benodigde geluidsapparatuur, maar ook de af te spelen compact discs verschaft. De combinatie van apparatuur en cd is immers onontbeerlijk om kennis te kunnen nemen van het op de cd vastgelegde ‘werk’. [37] Het hof heeft niet vastgesteld dat DLZ de cd’s aanlevert. Volgens DLZ zijn de cd’s eigendom van de bewoners en door hen meegenomen. [38]
Stim en SAMI [41] schreef A-G Szpunar:
de beschikbaarstelling van cd’s naast de cd-spelers, het vertonen van televisie-uitzendingen in openbare ruimtes, het gebruiken van internetlinks naar beschermde werken of het vooraf installeren van dergelijke links op een multimediaspeler, het opnemen van uitgezonden programma’s of het indexeren van metadata betreffende werken in het kader van een peer-to-peernetwerk.
fair, ook de andere kant te belichten. Wat mij in rov. 6.12 enigszins tegenstaat, is het feit dat het hof de potentiële toehoorders (de bewoners) over één kam scheert. Voor zo’n uniforme benadering kan een goede reden bestaan, bijvoorbeeld in een denkbeeldig geval waarin een onderneming (een winkelier, een restauranthouder of een fabrikant) achtergrondmuziek ten gehore laat brengen teneinde daarmee alle toehoorders (zoals voorbijgangers, potentiële kopers in de winkel, de gasten van het restaurant of het personeel in de fabriekshal) in een bepaalde kooplust, eetlust of werklust opwekkende stemming te brengen. In deze voorbeelden overheerst het winstoogmerk van de exploitant. Dat de ene individuele voorbijganger, klant of medewerker gevoeliger is dan de andere voor dergelijke vormen van
nudging, doet binnen deze context niet ter zake.
onder 2.bis gericht tegen de overweging dat de centrale rol van DLZ blijkt uit het feit dat háár personeel op verzoek van een van de bewoners de cd-speler aanzet. Volgens het middelonderdeel geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat niet DLZ, maar de bewoners zelf beslissen welke (eigen) cd zij willen horen. Door de cd af te spelen die de bewoner heeft uitgekozen voert het personeel van DLZ slechts de wil van de bewoner uit. Subsidiair klaagt het middelonderdeel over onbegrijpelijkheid van de redengeving.
per saldoeen ‘centrale rol’ kon toekennen aan DLZ bij het verlenen van toegang tot het auteursrechtelijk beschermde ‘werk’. Het hof behoefde rechtens het personeel van DLZ niet aan te merken als (niet méér dan) een ‘werktuig’ waarvan de desbetreffende bewoner zich bedient. Dat laatste zou ik ook vreemd hebben gevonden: indien een bewoner een bepaalde cd wil horen, maar een andere aanwezige in de gemeenschappelijke woonkamer voorkeur heeft voor een andere cd, dan beslist feitelijk toch degene die over de geluidsapparatuur beschikt. Onbegrijpelijk is de redengeving in elk geval niet.
onder 2.choudt in dat het oordeel dat niet aannemelijk is dat de bewoners zelf de apparatuur bedienen, onbegrijpelijk is in het licht van de constatering in rov. 4.3 dat de apparatuur door de bewoners wordt bediend “voor zover zij daartoe nog in staat zijn”.
European Copyright Code [46] aan dit criterium wordt gegeven: in beide bronnen wordt de persoonlijke relatie tussen de groepsleden centraal gesteld. De door DLZ aangevoerde stelling dat de bewoners tijdens hun verblijf gaandeweg een hechte onderlinge band opbouwen, maakt volgens het hof niet dat zij aan elkaar gebonden zijn door een ‘persoonlijke relatie’: DLZ heeft hen hier bij elkaar gebracht op grond van hun inschrijving.
onder 3.aneemt DLZ tot uitgangspunt dat het woord ‘publiek’ in dit verband betrekking heeft op toehoorders of kijkers in het algemeen; dat wil zeggen dat de samenstelling van de verzameling toehoorders niet specifiek is bepaald. Hieronder rekent het HvJ EU ook toehoorders in een groep waarvan de samenstelling voortdurend wijzigt, zoals bijvoorbeeld de gasten van een hotel [47] , de gasten van een kuuroord [48] of de patiënten in een revalidatiecentrum. [49] In één geval heeft het HvJ EU wel aanvaard dat sprake was van “een bepaald geheel van potentiële luisteraars”. [50] De rechtsklacht komt hierop neer dat het hof heeft miskend dat de in de gemeenschappelijke woonkamer(s) van DLZ aanwezige bewoners geen passanten zijn. DLZ licht toe dat zij behoren tot een private groep met een voldoende stabiele samenstelling, dat zij tot hun overlijden gebonden zijn aan de locatie waarin zij verblijven, [51] dat zij slechts af en toe visite ontvangen en dat in de regel niet meer dan één personeelslid aanwezig is in de gemeenschappelijke woonkamer. [52] Subsidiair klaagt DLZ over onbegrijpelijkheid van het bestreden oordeel.
Reha Training/GEMAschreef A-G Bot over het arrest
SCF/Del Corso:
Reha Training/GEMA), reeds aangehaald (punten 29 – 33), heeft het HvJ EU echter overwogen dat uit een vergelijking van art. 3 lid 1 Auteursrechtrichtlijn Pro en art. 8 lid 2 VLN Pro-richtlijn voortvloeit dat het begrip ‘mededeling aan het publiek’ in deze bepalingen weliswaar in verschillende context wordt gebruikt, maar dat niet blijkt dat de Uniewetgever aan de woorden ‘mededeling aan het publiek’ in deze richtlijnbepalingen een verschillende betekenis heeft willen geven. In zijn uitspraak van 2 april 2020 inzake
Stim en SAMI/Fleetmanager Sweden(reeds aangehaald, punt 28) heeft het HvJ EU zelfs overwogen dat de in deze richtlijnen gehanteerde uitdrukking ‘mededeling aan het publiek’ zo moet worden uitgelegd “dat zij dezelfde betekenis heeft”.
de minimis’-regel uitkomst. Waarom zou dat niet gelden voor de gemeenschappelijke woonkamer in de locaties van DLZ? Toch helpt, mijns inziens, ook deze tegenwerping DLZ niet. In de redenering van het hof prevaleert het feit dat DLZ als professionele dienstverlener deze diensten aan haar cliënten (de in de gemeenschappelijke woonkamer aanwezige bewoners) aanbiedt boven de omstandigheid dat de bewoners voor relatief lange tijd (wellicht zelfs tot hun overlijden) in deze woonzorglocatie verblijven. De redengeving is niet onbegrijpelijk voor de lezer. Kortom, de
kwalitatievesamenstelling van de groep toehoorders behoefde het hof niet te weerhouden van de vaststelling dat het gaat om een ‘mededeling aan het publiek’.
onder 3.bheeft betrekking op de
kwantitatievesamenstelling van de groep toehoorders. De klacht houdt in dat onbegrijpelijk is hoe het hof in rov. 6.13 tot zijn vaststelling is gekomen dat het hier een wisselend publiek betreft van gemiddeld twintig bewoners, verdeeld over twee huiskamers. In rov. 4.2 heeft het hof geconstateerd dat in iedere locatie van DLZ er twee woonkamers zijn, elk voor tien bewoners. Door uit te gaan van twintig − niet van tien – bewoners miskent het hof dat het gaat om het afspelen van muziek in één van de gemeenschappelijke woonkamers. Het hof heeft niet vastgesteld dat de in de ene gemeenschappelijke woonkamer afgespeelde muziek ook de bewoners in de andere woonkamer kan bereiken.
tegelijktoegang krijgen tot hetzelfde ‘werk’, maar ook om de vraag hoeveel personen
achtereenvolgensmet de mededeling kunnen worden bereikt (in een gezelschap van wisselende samenstelling, zoals bijvoorbeeld de voorbijgangers die de achtergrondmuziek in een winkelcentrum horen). [57] Het HvJ EU heeft aangegeven dat de uitdrukking ‘een vrij groot aantal personen’ een ‘
de minimis’-drempel veronderstelt die een “te klein of zelfs onbeduidend” aantal toehoorders of kijkers uitsluit van het begrip ‘publiek’. [58] Ik zie hier verband met het in alinea 2.21 hiervoor genoemde begrip ‘nieuw publiek’.
tegelijkkunnen bereiken en gemiddeld 20 bewoners
achtereenvolgens(cumulatief). Onderdeel 3 faalt.
de minimis’-drempel overschrijdt. Het hof betrekt in dat oordeel dat het niet alleen gaat om de locatie Spijkenisse, maar om “meer dan 27 zorglocaties verdeeld over het hele land”. Op al die locaties maakt DLZ op dezelfde wijze auteursrechtelijk beschermd ‘werk’ toegankelijk voor de aanwezigen in de gemeenschappelijke woonkamers, zodat het “in de gehele bedrijfsvoering van DLZ om een groot aantal personen gaat”. De
klachthoudt in dat het oordeel dat het ‘publiek’ bestaat uit
alleluisteraars op
allelocaties waar DLZ een woonzorginstelling in stand houdt, rechtens onjuist is, althans onbegrijpelijk. Volgens de rechtsklacht heeft het hof miskend dat het relevante ‘publiek’ moet worden beoordeeld aan de hand van het aantal toehoorders
in iedere gemeenschappelijke woonkamer afzonderlijk. Dit komt volgens DLZ neer op gemiddeld tien bewoners, eventueel hun daar aanwezige bezoek en/of een personeelslid dat de gemeenschappelijke woonkamer in en uit loopt. Uit de rechtspraak van het HvJ EU volgt dat van belang is hoeveel personen tegelijk of opvolgend toegang hebben tot
hetzelfde‘werk’. [60] Volgens het middelonderdeel heeft het hof er geen rekening mee gehouden dat in de verschillende locaties van DLZ niet hetzelfde ‘werk’ wordt afgespeeld, laat staan hetzelfde ‘werk’ op hetzelfde moment. Zelfs binnen één woonzorglocatie bestaat al verschil tussen de muziek die in de ene en die in de andere gemeenschappelijke woonkamer wordt afgespeeld. Ter toelichting vermeldt DLZ dat de geluidsapparatuur in de gemeenschappelijke woonkamers niet centraal wordt bediend. Door Sena en Buma is dan ook een factuur gestuurd waarin de bedragen zijn uitgesplitst voor elke gemeenschappelijke woonkamer. [61] In het licht van dit alles acht DLZ het oordeel dat het in aanmerking te nemen publiek bestaat uit ‘alle luisteraars op alle locaties’ onjuist.
de minimis’-regel overschrijdt. [62] Daarom zou DLZ geen belang hebben bij deze klacht. Zelf lees ik de bestreden overweging anders. Blijkens rov. 6.10 betrekt het hof zowel het kwalitatieve als het kwantitatieve aspect in de beoordeling. In rov. 6.14 heeft het hof voor het kwantitatieve aspect van het met de mededeling te bereiken publiek alle (26) locaties van DLZ bij elkaar opgeteld en is het hof, daarvan uitgaande, tot zijn slotsom gekomen dat het om een groot aantal toehoorders gaat.
tegelijkhetzelfde ‘publiek’ wordt bereikt, is dat oordeel onbegrijpelijk in het licht van de door het hof vastgestelde feiten. Indien het hof bedoelt dat DLZ in alle 26 locaties telkens aan de daar aanwezige bewoners dezelfde service, maar andere ‘werken’ aanbiedt, zou het niet gaan om één ‘publiek’ dat door de mededeling (door DLZ) wordt bereikt; in dat geval slaagt de rechtsklacht. Indien het hof bedoelt dat de personen die aanwezig zijn in de gemeenschappelijke woonkamers van alle 26 woonzorglocaties
achtereenvolgenstoegang krijgen tot het ‘werk’, slaagt de motiveringsklacht. Ten aanzien van radio of TV-programma’s en met name ten aanzien van het afspelen van een door een bewoner meegenomen cd in meerdere locaties heeft het hof niets vastgesteld waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat beschermd ‘werk’ de ronde doet langs de diverse locaties; daarover is in dit geding ook niets gesteld.
niet-geharmoniseerdrecht moet worden uitgelegd aan de hand van de Auteursrechtrichtlijn en de VLN-richtlijn. [64] Tegen die beslissing richt DLZ twee klachten.
rechtstreeksten gehore brengen van een werk of fonogram, dus waarbij de bewoner (…) zich op de plaats van de mededeling bevindt. Echter, hoewel het HvJ EU dit nog niet uitdrukkelijk heeft beslist, is DLZ van mening dat het anno 2021 niet goed denkbaar is dat het HvJ EU het nog zal toestaan dat deze vorm van ‘mededeling aan het publiek’ (…) – gelet op de eisen inzake eenheid en samenhang van de rechtsorde van de Unie, het beginsel van gelijke behandeling en de goede werking van de interne markt – naar nationaal recht nog
anderswordt behandeld dan onder het geharmoniseerde recht.” (punt 6)
onder 1.ahoudt in dat het hof heeft miskend dat het afspelen van een cd niet behoort te worden beoordeeld aan de hand van een andere maatstaf dan die, welke wordt gehanteerd bij het beluisteren van ‘werk’ via een internetverbinding (
streamingdiensten). Volgens DLZ heeft het beluisteren van muziek via
streamingin het laatste decennium snel aan populariteit gewonnen, ten koste van het afspelen van cd’s.
Streamingvalt volgens DLZ wel onder het geharmoniseerde recht. Volgens DLZ is niet aanvaardbaar dat voor zó sterk op elkaar gelijkende situaties, ontstaan door technische mogelijkheden die elkaar opvolgen, verschillende maatstaven wordt gebruikt; een uitleg die daarmee geen rekening houdt zou de doelstelling van de Auteursrechtrichtlijn en de VLN-richtlijn kunnen ondergraven. [65] Volgens DLZ brengt ‘reflexwerking’ van de regels voor
streamingmee dat ook het afspelen van cd’s richtlijnconform of, beter gezegd, richtlijn-parallel wordt beoordeeld. Bij analogische toepassing van die maatstaf zou het hof volgens DLZ tot het oordeel moeten komen dat zij geen inbreuk maakt en geen vergoeding verschuldigd is.
naar Nederlands rechtwordt gekwalificeerd als “uitvoeren in het openbaar”, klaagt DLZ
onder 1.bdat dit oordeel rechtens onjuist is. Naar Nederlands recht beschouwd, is in de gegeven omstandigheden volgens de klacht geen sprake van uitvoering ‘in het openbaar’ in de zin van art 12 lid Pro 1, aanhef en onder 4, Aw.
streamingontoereikend als grondslag voor het standpunt dat DLZ in hoger beroep en in cassatie heeft verdedigd.
onder 1.bis voorwaardelijk ingediend. DLZ heeft deze klacht niet nader schriftelijk toegelicht. Wat betreft de inhoud van het nationale recht moge ik volstaan met verwijzing naar de alinea’s 2.15 – 2.18 hiervoor en naar de bespreking van het incidenteel middel.
functievan de mededeling
,zoals bijvoorbeeld aan de orde was in HvJ EU 28 oktober 2020 (geen auteursrechtelijke bescherming bij het overleggen van stukken in een rechtszaak) [72] , is hier geen sprake.
3.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
Funkevan 29 juli 2019 volgt dat art. 3 lid 1 van Pro de Auteursrechtrichtlijn een volledige harmonisatie beoogt van de materiële inhoud van de daarin genoemde rechten en handelingen; [73]
onder 1.1houdt in dat het oordeel onder (iii) blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, in elk geval voor zover dit betrekking heeft op de naburige rechten; ook de gevolgtrekking onder (iv) kan daarom niet in stand blijven. Volgens Sena en Buma heeft het hof miskend dat lidstaten in hun nationale recht aan houders van naburige rechten bescherming mogen bieden in gevallen waarin geen sprake is van ‘mededeling aan het publiek’ (zolang zij maar bescherming bieden in die gevallen waarin wél sprake is van een ‘mededeling aan het publiek’). Anders dan het hof heeft aangenomen, is er wel degelijk ruimte voor een beroep op de ruimere strekking van art. 2 lid 7 Wnr Pro. Ter toelichting op deze klacht voeren zij aan dat de Uniewetgever
ten aanzien van naburige rechtenuitdrukkelijk niet een volledige harmonisatie beoogt; de Uniewetgever wenste voor naburige rechten een uniform niveau van
minimumbescherming. Sena en Buma leiden dit af uit de considerans van de VLN-richtlijn (onder 16) en uit een arrest van het HvJ EU van 26 maart 2015. [75] Zij maken hieruit op dat Nederland
ten aanzien van naburige rechtenwel een verder gaande bescherming mag bieden.
in die bepalingopgenomen materiele rechten en met name van het begrip ‘mededeling aan het publiek’. De – in cassatie onbestreden − constatering van het hof dat het begrip ‘mededeling aan het publiek’ in beide richtlijnbepalingen dezelfde betekenis heeft, [76] brengt volgens het middelonderdeel niet mee dat ten aanzien van naburige rechten sprake is van volledige harmonisatie ten aanzien van de materiële inhoud van de in de beide richtlijnen opgenomen rechten. [77]
onder 1.2is voorgedragen voor het geval dat het hof in rov. 6.6 slechts heeft bedoeld dat ingeval een mededeling aan het publiek
zowel auteursrechten als naburige rechtentreft, de harmonisatie volledig is, óók ten aanzien van de naburige rechten. Van die lezing uitgaande, heeft het hof volgens Sena en Buma miskend dat in bepalingen van een Europese richtlijn hetzij volledige harmonisatie wordt nagestreefd hetzij minimumharmonisatie, maar dat niet mogelijk is dat dit
binnen dezelfde bepalingverschilt per geval. De klachten onder 1.1 en 1.2 lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
Svensson e.a./Retriever Sverige AB [78] klaagden Zweedse journalisten dat artikelen die zij voor een bepaalde krant hadden geschreven zonder hun toestemming werden hergebruikt door
Retriever.
Retrieverbood haar klanten attenderingsdiensten aan, waarbij − op basis van door de klanten aangeduide interessegebieden −
hyperlinkswerden verstrekt naar nieuwsartikelen op het internet. Volgens deze journalisten was sprake van een ‘mededeling aan het publiek’ waarvoor auteursrechtelijk de toestemming van de auteur vereist is. Bovendien had
Retrieverdeze
hyperlinkszodanig ingericht dat haar klanten de indruk kregen dat de gelinkte documenten op haar eigen website waren verschenen. Vraag 4 van de Zweedse rechter luidde: “Kan een lidstaat een ruimere bescherming bieden aan het uitsluitende recht van auteurs door onder het begrip ‘mededeling aan het publiek’ een groter aantal handelingen te verstaan dan die welke zijn genoemd in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29?”. Het Hof van Justitie beantwoordde die vraag in ontkennende zin:
C More/Sandberg. [79] Deze had betrekking op het aanbieden op een website van
links,waarmee internetgebruikers op de website van een omroeporganisatie
live-uitzendingen van ijshockeywedstrijden konden bekijken zonder de door de omroeporganisatie daarvoor gevraagde vergoeding te betalen. De Zweedse rechter vroeg of art. 3 lid 2 Auteursrechtrichtlijn Pro zich ertegen verzet dat EU-lidstaten, ten behoeve van omroeporganisaties (als bedoeld onder punt d van dat artikellid), in een uitsluitend recht voorzien voor handelingen die zouden kunnen worden aangemerkt als ‘mededeling aan het publiek’, maar waarbij met betrekking tot de vastlegging van hun uitzendingen geen sprake is van een beschikbaarstelling voor het publiek op zodanige wijze dat de leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd daartoe toegang hebben. Het HvJ EU stelde voorop:
actes éclairészich tot elkaar? Het recht van de auteur tot ‘mededeling aan het publiek’ in art. 3 lid 1 Auteursrechtrichtlijn Pro is volledig geharmoniseerd binnen de Europese Unie
voor zover deze richtlijn van toepassing is. Zie in dezelfde zin Spoor/Verkade/Visser:
C More/Sandberg(2015) dat, wat betreft uitzending en mededeling aan het publiek van uitzendingen van omroeporganisaties, “de lidstaten krachtens richtlijn 2006/115 kunnen voorzien in een verder reikende bescherming dan die welke overeenkomstig artikel 8, lid 3, van die richtlijn moet worden geboden” (punt 35). Dat oordeel steunde in belangrijke mate op de considerans van de VLN-richtlijn, onder 16, waaruit blijkt “dat de lidstaten moeten kunnen voorzien in een verderreikende bescherming van houders van naburige rechten dan op grond van de bepalingen van richtlijn 2006/115 betreffende uitzending en mededeling aan het publiek vereist is”. Die beslissing over het derde lid van art. 8 wijst Pro inderdaad in de richting dat óók voor gevallen waarop het
tweedelid van art. 8 VLN Pro-richtlijn van toepassing is, heeft te gelden dat geen volledige harmonisatie van deze naburige rechten door de Europese regelgever is beoogd, maar slechts een harmonisatie van de minimumbescherming.
Funke Medien, waarnaar het hof verwijst. [82] Uit (de overwegingen 36, 37 en 38 van) dat arrest volgt weliswaar dat art. 3 lid 1 Auteursrechtrichtlijn Pro (i) een ondubbelzinnige definitie bevat van het uitsluitend recht van ‘mededeling aan het publiek’ waarover de houders van het auteursrecht in de EU beschikken en (ii) een geharmoniseerd rechtskader biedt ter waarborging van een hoog en homogeen niveau van bescherming van het recht van mededeling aan het publiek en (iii) een volledige harmonisatie van de materiële inhoud van de aldaar bedoelde rechten bewerkstelligt. Maar daarmee heeft het HvJ EU nog niet beslist dat die conclusies het toepassingsbereik van de Auteursrechtrichtlijn overstijgen, zoals het hof veronderstelt.
In zoverreacht ik de klacht gegrond.
in beginselvrij, gebruik te maken van zijn bevoegdheid om − al dan niet door middel van een eigen definitie van ‘openbaarmaking’ in de Wet op de naburige rechten − in de nationale wet te voorzien in een bescherming van houders van naburige rechten die verder reikt dan op grond van de bepalingen van art. 8 lid 2 VLN Pro-richtlijn is vereist. Daarmee is niet gezegd dat elke lidstaat helemaal de vrije hand heeft. Indien één lidstaat wel gebruik maakt van deze bevoegdheid en andere lidstaten niet, zou daaruit een ongunstige beïnvloeding van de werking van de interne markt kunnen voortvloeien. [83] Men kan opperen dat dit mogelijke effect bewust is aanvaard door de Europese regelgever, die het begrip ‘mededeling aan het publiek’ niet heeft eenvormig heeft geregeld voor zover het gaat om een mededeling aan toehoorders die zelf daarbij aanwezig zijn (de situatie die zich voordoet bij het afspelen van cd’s in de gemeenschappelijke woonkamer bij DLZ) en die ten aanzien van het auteursrecht heeft gekozen voor volledige harmonisatie, doch ten aanzien van naburige rechten ervoor koos slechts de minimumbescherming te harmoniseren. Over het antwoord is echter gerede twijfel mogelijk, zodat een vraag van uitleg behoort te worden voorgelegd aan het HvJ EU vóórdat de Hoge Raad een eindbeslissing geeft (zie art. 267 VWEU Pro). In dit verband is ook art. 12 VLN Pro-richtlijn van belang: “De in deze richtlijn geregelde bescherming van de naburige rechten laat onverlet en is op generlei wijze van invloed op de auteursrechtelijke bescherming”. De prejudiciële vraag zou kunnen luiden: of de VLN-richtlijn toelaat dat een lidstaat bescherming verleent aan houders van naburige rechten in gevallen waarin geen sprake is van een ‘mededeling aan het publiek’ in de (eenvormige) betekenis die art. 3 Auteursrechtrichtlijn Pro en art. 8 lid 2 VLN Pro-richtlijn daaraan geven en, zo ja, onder welke voorwaarden.
nietzelf aanwezig is op de plaats van oorsprong van de mededeling.
uitvoering in besloten kring(tenzij de in die bepaling gemaakte uitzondering voor de gratis mededeling van het werk in de familie-, vrienden of gelijke kring van toepassing is). Bij het implementeren van de Auteursrechtrichtlijn en de VLN-richtlijn heeft de wetgever deze bepaling ongewijzigd gelaten, omdat het begrip ‘openbaar maken’ in de visie van de wetgever ook de ‘mededeling aan het publiek’ omvat. Aldus heeft de Nederlandse wetgever bewust het − ruimere − nationaalrechtelijke begrip ‘openbaarmaking’ gehandhaafd. Volgens het middelonderdeel dwingt dit tot de gevolgtrekking dat art. 2 Wnr Pro aan de houders van naburige rechten aanvullende bescherming biedt.
‘communication to the public’in de genoemde verdragen. Het begrip ‘openbaar maken’ van een ‘werk’ is niet identiek aan het openstellen van de ruimte waarin de immateriële mededeling wordt gedaan. Door de nieuwe communicatiemiddelen die het mogelijk maken aan anderen toegang tot een ‘werk’ te verschaffen zonder dat de toehoorder persoonlijk aanwezig is bij de uitvoering van het ‘werk’, heeft het onderscheid tussen de categorieën (i) en (ii) mijns inziens aan betekenis ingeboet.