Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelwordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering van gegevens als bedoeld in art. 126ng of art 126ug Sv rechtmatig was, hetgeen een beslissing is op een klacht over de “vordering van gegevens” als bedoeld in art. 552a lid 1 Sv. Het middel valt uiteen in een drietal deelklachten. De eerste twee deelklachten komen er in de kern op neer dat de rechtbank op onjuiste gronden zou hebben aangenomen dat aan de vereisten voor het doen van deze vorderingen was voldaan, omdat deze vordering, althans volgens de stellers van het middel, niet proportioneel zou zijn geweest (de eerste deelklacht) en omdat deze vordering niet in het belang van het onderzoek zou zijn (de tweede deelklacht). In het verlengde hiervan wordt nog geklaagd dat het oordeel van de rechtbank een schending van art. 8 EVRM Pro zou opleveren. Ter onderbouwing van deze klachten voeren de stellers van het middel in de kern aan dat, zoals zij ook in het klaagschrift hebben betoogd, de vorderingen gegevens te ruim zouden zijn opgezet en – met name – dat zij onterecht ook betrekking zouden hebben op klantendossiers ten aanzien waarvan geen verdenking bestond.
tweede middelis gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat het onderzoeksbelang zich verzet tegen vernietiging van bepaalde gegevens, zijnde een afwijzende beslissing op een verzoek als bedoeld in art. 552a lid 2 Sv. Het middel valt uiteen in een tweetal deelklachten. De eerste deelklacht heeft betrekking op gegevens die tijdens een doorzoeking als bedoeld in art. 125i Sv zijn vastgelegd. De tweede deelklacht heeft betrekking op de gegevens die op een vordering als bedoeld in art. 126ng Sv of art. 126ug Sv zijn verstrekt (en ook het onderwerp waren van het eerste middel). Aan beide deelklachten ligt de opvatting ten grondslag dat het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk zou zijn in het licht van wat in het klaagschrift en in raadkamer is aangevoerd, inhoudende – kort gezegd – dat ten aanzien van een aantal gegevens geen sprake meer zou zijn van enig onderzoeksbelang omdat dit gegevens betreft die betrekking hebben op klanten van de klager die zelf geen verdachte (meer) zijn, dan wel dat de verdenking jegens de klager zich niet langer over zijn werkzaamheden voor deze klanten uitstrekt.
derde middelbevat de klacht dat de klager onterecht niet-ontvankelijk zou zijn verklaard in het beklag voor zover het een verzoek tot vernietiging en verbod op gebruik van de gegevens bij de Belastingdienst betrof.