ECLI:NL:PHR:2022:650
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling omzetbelasting voor diensten maatschappelijk werk en schuldhulpverlening
De zaak betreft belanghebbenden die diensten verrichten op het gebied van budgetbeheer, budgetbegeleiding en budgetadvisering, al dan niet met gebruikmaking van wettelijke beschermingsmaatregelen zoals bewindvoering en curatele. Zij stellen dat hun diensten vrijgesteld zijn van omzetbelasting als schuldhulpverlening op grond van artikel 11 lid 1 onderdeel Pro f Wet OB in samenhang met het Uitvoeringsbesluit OB en de bijbehorende bijlagen.
De Rechtbank Noord-Nederland oordeelde dat deze diensten vrijgesteld zijn omdat zij gericht zijn op schuldpreventie en het voorkomen van problematische schulden. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden stelde daarentegen dat het begrip schuldhulpverlening strikt moet worden uitgelegd en dat belanghebbenden vooral stabilisatie- en preventiediensten verrichten, terwijl het oplossen van problematische schulden door derden wordt gedaan. Ook oordeelde het Hof dat belanghebbenden niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij een instelling van maatschappelijk werk zijn.
In cassatie betoogden belanghebbenden dat het Hof het begrip schuldhulpverlening te beperkt heeft uitgelegd en dat het oordeel over hun status als instelling van maatschappelijk werk onbegrijpelijk is. De Advocaat-Generaal concludeert dat het Hof het begrip schuldhulpverlening te strikt heeft geïnterpreteerd en dat nader onderzoek nodig is naar de aard van de diensten en de sociale aard van de instelling. Daarom adviseert hij de Hoge Raad het beroep gegrond te verklaren en de zaak te verwijzen naar een ander gerechtshof.
De conclusie benadrukt dat schuldhulpverlening ook hulp bij het voorkomen, verminderen of stabiliseren van problematische schuldsituaties omvat, mits deze diensten als zodanig worden verricht. Tevens moet worden onderzocht of de diensten onontbeerlijk zijn voor maatschappelijk werk en sociale zekerheid, of er concurrentie is met commerciële ondernemingen, en of aan de voorwaarden voor sociale aard van de instelling is voldaan.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep gegrond en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar de vraag of de diensten van belanghebbenden vrijgesteld zijn van omzetbelasting.