ECLI:NL:PHR:2022:651
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling omzetbelasting voor diensten maatschappelijk werk en schuldhulpverlening
Belanghebbende verricht diensten op het gebied van budgetbeheer, budgetbegeleiding en budgetadvisering, vaak met gebruik van beschermingsmaatregelen zoals curatele en bewindvoering, voornamelijk voor verstandelijk beperkte cliënten. De kernvraag is of deze diensten zijn vrijgesteld van omzetbelasting op grond van artikel 11 lid 1 onderdelen Pro c en f Wet OB, in samenhang met het Uitvoeringsbesluit OB en de Btw-richtlijn.
De rechtbank stelde vast dat de diensten van belanghebbende vrijgesteld zijn als schuldhulpverlening, mede omdat deze gericht zijn op schuldpreventie en onontbeerlijk zijn voor maatschappelijk werk. Het hof oordeelde echter dat de diensten niet onder de vrijstelling vallen, omdat zij niet gericht zijn op therapeutische behandeling, niet onontbeerlijk zijn voor verpleging of verzorging, en belanghebbende niet voldoet aan het criterium van winstbeperking. Het hof interpreteerde schuldhulpverlening strikt als het oplossen van problematische schulden, terwijl belanghebbende vooral stabilisatie en preventie verricht.
In cassatie stelt de Advocaat-Generaal dat het hof het begrip schuldhulpverlening te beperkt heeft uitgelegd en dat nader onderzoek nodig is naar de vraag of belanghebbende diensten 'als zodanig' verricht en voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Ook moet worden beoordeeld of belanghebbende een erkende instelling van sociale aard is en of er sprake is van concurrentie met btw-belaste ondernemingen.
De Hoge Raad wordt geadviseerd het beroep in cassatie gegrond te verklaren en de zaak te verwijzen naar een ander gerechtshof voor nader onderzoek. Hiermee wordt de toepassing van de btw-vrijstelling voor maatschappelijk werk en schuldhulpverlening nader uitgewerkt en verduidelijkt.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard en de zaak wordt verwezen naar een ander gerechtshof voor nader onderzoek.