Conclusie
1.Feiten
doorgestuurd naar verschillende cryptomunten”. In de verklaring staat ook dat [eiser] op 19 december 2017 alle bitcoins via litebit.eu heeft uitgekeerd in euro’s naar zijn privérekening bij de ASN-bank in meerdere overboekingen met een totale waarde van ruim € 116.000. Daarvan zou € 106.000 en later nog € 8.000 zijn overgeboekt naar zijn zakelijke rekening voor de aankoop van een bedrijfspand. Verder heeft [eiser] het volgende verklaard: [9]
1.3 Samenvatting van onderzoek
4.Conclusies
2.Procesverloop
Eerste aanleg
3.Bespreking van het cassatiemiddel
randnummer 2. van zijn procesinleidingdat het onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 4.14. heeft geoordeeld dat art. 158 Rv Pro niet van toepassing is op de bekentenis van [eiser] dat hij de cryptomunten heeft gestolen. Het hof heeft immers overwogen dat de bekentenis van [eiser] een verbintenis tot voldoening van een geldsom is. Op een dergelijke schuldbekentenis is art. 158 Rv Pro juist wél van toepassing.
een door [eiser] aangegane verbintenis tot voldoening van een geldsom” is. Het hof heeft kennelijk bedoeld te overwegen dat de bekentenis van [eiser] géén (in plaats van “
een”) door [eiser] aangegane verbintenis tot voldoening van een geldsom is. Als het hof van oordeel was geweest dat de bekentenis van [eiser] wél een verbintenis tot voldoening van een geldsom is, dan had het hof immers wel geoordeeld dat art. 158 Rv Pro op die bekentenis van toepassing is. Dat heeft het hof nu juist niet gedaan.
randnummer 3. van zijn procesinleidingdat het oordeel van het hof dan eveneens onjuist of onbegrijpelijk is. Volgens [eiser] had het hof in dat geval geen onderscheid mogen maken tussen het deel van de verklaring dat op de voldoening van een geldsom ziet en het deel van de verklaring dat daar niet op ziet. Immers, ook op verbintenissen die
medestrekken tot voldoening van een geldsom, zoals de verklaring van [eiser] , is art. 158 Rv Pro van toepassing en niet art. 157 lid 2 Rv Pro.
geheleverklaring van [eiser] onder de reikwijdte van art. 158 lid 1 Rv Pro valt en dus in zijn geheel dwingende bewijskracht ontbeert, of (ii) slechts de in de verklaring opgenomen verbintenis tot voldoening van een geldsom onder de reikwijdte van art. 158 lid 1 Rv Pro valt en derhalve dwingende bewijskracht ontbeert, terwijl de rest van de verklaring onder de reikwijdte van art. 157 lid 2 Rv Pro valt en wél dwingende bewijskracht heeft.
om onvoorzichtige mensen te beschermen tegen het ondoordacht tekenen van schuldbekentenissen of het tekenen van stukken in blanco.” [15] Of, zoals het in 1959 werd geformuleerd over een voorganger van art. 158 lid 1 Rv Pro, art. 1915 BW Pro (oud): de bepaling “
stelt de omvang der bewijskracht van sommige eenzijdige onderhandse akten afhankelijk van het vormvoorschrift dat ze eigenhandig moeten zijn geschreven. De bedoeling was, onontwikkelde lieden te behoeden voor het ondoordacht ondertekenen van verbintenissen.” [16] De verzwaarde eis van art. 158 lid 1 Rv Pro ziet dus specifiek op geldverbintenissen en niet op overige verbintenissen die zijn opgenomen in onderhandse akten waarbij slechts verbintenissen van één partij zijn aangegaan of vastgelegd. De parlementaire geschiedenis van art. 157 lid 2 Rv Pro bevestigt dit. Daarin staat vermeld dat de waarheid van partijverklaringen, óók de eenzijdige, door de akte dwingend wordt bewezen. [17] Kortom: een eenzijdige partijverklaring in een onderhandse akte levert dwingend bewijs op tussen partijen van de waarheid van die verklaring, tenzij de verklaring een geldverbintenis betreft (die niet volledig met de hand is geschreven of een goedschrift bevat).
Ontbreekt een en ander dan heeftde aktevrije bewijskracht.” [18] Beenders stelt iets vergelijkbaars: “
Is de akte niet eigenhandig geschreven of niet van (volledig) goedschrift voorzien, dan heeftzijslechts vrije bewijskracht(…).”. [19] Net als Kremer: “
Is aan geen van beide voorwaarden voldaan dan heeftde akteslechts vrije bewijskracht.” [20] De Groot lijkt als enige een meer genuanceerd standpunt in te nemen en wél onderscheid te maken al naar gelang de inhoud van de akte/verklaring. Zij stelt: “
Dit uitgangspunt van artikel 158 lid 1 Rv Pro[het onthouden van de dwingende bewijskracht van art. 157 lid 2 Rv Pro, A-G]
heeft betrekking opelke in de akte aangegane of vastgelegde verbintenis (tot voldoening van een geldsom)van de ene partij jegens de andere partij ingeval wederkerigheid ontbreekt, ongeacht of de schulde[n]aar in de akte de schuld heeft erkend.” En: “
Als tussen partijen vaststaat dat een eenzijdige schuldverbintenis tot voldoening van een geldsom in een onderhandse akte niet geheel met de hand is geschreven en niet is voorzien van een goedschrift, schrijft artikel 158 lid 1 Rv Pro dat de aktein zoverrevrije bewijskracht heeft en kan de rechter daaraan geen dwingende bewijskracht toekennen(…).” [21]
voor zover de verbintenissen strekken tot voldoening van een geldsom, en levert die akte derhalve
daaromtrenttussen partijen geen dwingend bewijs op, maar heeft zij vrije bewijskracht.”
voor zoverde verbintenissen daarin strekken tot voldoening van een geldsom, en dat de akte slechts
daaromtrent– dus omtrent de geldverbintenissen – tussen partijen geen dwingend bewijs oplevert en vrije bewijskracht heeft.
andereverbintenissen en/of verklaringen bevat, ervoor zorgt dat de gehele akte niet langer tussen partijen dwingend bewijs oplevert. Zuiverder lijkt mij dat slechts het gedeelte van de akte dat op de geldverbintenis ziet dwingende bewijskracht ontbeert en de rest van de akte die bewijskracht wél heeft. [23]
redenbevat dat [eiser] een geldbedrag aan [verweerder] is verschuldigd – in dit geval de bekentenis van de diefstal – en de verklaring er aldus uiteindelijk aan bijdraagt dat [eiser] een geldsom aan [verweerder] moet betalen, niet dat de gehele verklaring dwingende bewijskracht ontbeert. [24] Onderhandse (eenzijdige of meerzijdige) akten die tot bewijs dienen, zullen niet zelden ertoe leiden of eraan bijdragen dat de ene partij een geldbedrag aan de andere partij moet voldoen; dat zal vaak juist het doel zijn van de akte. Dat is dus geen reden om die akten, voor zover ze géén eenzijdige geldverbintenis inhouden, dwingende bewijskracht te ontzeggen. [25]
randnummers 4. en 5. van zijn procesinleidingop tegen de overweging van het hof aan het slot van in rov. 4.15. dat [eiser] geen tegenbewijs heeft aangeboden tegen zijn eigen verklaring dat hij de cryptomunten van [verweerder] heeft gestolen. Volgens van [eiser] is de overweging van het hof onjuist en onbegrijpelijk, omdat hij zowel in zijn memorie van grieven [26] als in eerste aanleg [27] een bewijsaanbod heeft gedaan. Nu het om tegenbewijs gaat, had het hof deze bewijsaanboden niet mogen passeren.
alles wat hij naar voren heeft gebracht, helemaal niks uitgezonderd”) is begrijpelijkerwijs voorbijgegaan. Hoewel een bewijsaanbod met betrekking tot tegenbewijs niet hoeft te worden gespecificeerd, [28] geldt logischerwijs wel dat in elk geval moet worden aangegeven waarop het aanbod betrekking heeft. Dat geldt temeer nu [eiser] bewijs heeft aangeboden door het horen van hemzelf en in dat verband de vraag opkomt wat hij nog meer of anders kan/wil verklaren dan hij al in zijn processtukken naar voren heeft gebracht. Het had op de weg van [eiser] gelegen om daar meer duidelijkheid over te verschaffen.
randnummers 6., 7. en 8. van zijn procesinleidingdat het onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 4.16. heeft geoordeeld dat wordt voorbijgegaan aan de discussie tussen partijen over het moment waarop [eiser] het wachtwoord van de bitcoinwallet zou hebben verkregen, omdat deze discussie niet relevant is en niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden arrest. Volgens [eiser] had het hof moeten ingaan op zijn essentiële stelling dat – anders dan in zijn verklaring staat – hij het wachtwoord
nietkende en het
nietmogelijk is om het wachtwoord zichtbaar te maken in de browser van [verweerder] , welke stelling het waarheidsgehalte van zijn verklaring in de kern aantast. Ook klaagt [eiser] dat het hof gemotiveerd had behoren in te gaan op de vraag óf [eiser] het wachtwoord had kunnen zien; en niet alleen wannéér [eiser] het wachtwoord heeft verkregen. Ten slotte stelt [eiser] dat het wel degelijk relevant is wannéér hij het wachtwoord zou hebben verkregen, ten eerste in verband met het waarheidsgehalte van zijn eigen verklaring (waarin hij heeft verklaard dat hij het wachtwoord in augustus 2017 heeft ingezien) en ten tweede omdat hij in elk geval kennis moet hebben gehad van het wachtwoord vóór de beweerdelijke transacties.
geen aanleiding” ziet om te twijfelen aan de bevindingen van Fox-IT en dat het “
geen enkele reden” heeft om te twijfelen aan de door [eiser] ondertekende verklaring (rov. 4.15.). Het hof heeft de stukken vervolgens van voldoende zwaar gewicht geacht om op basis daarvan te oordelen dat [verweerder] heeft bewezen dat [eiser] zijn cryptomunten heeft gestolen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Het bewijs is in mijn ogen ruimschoots geleverd. Uit de rapporten van Fox-IT blijkt dat vanaf het IP-adres van nota bene (de woning van) [eiser] in de bitcoinwallet van [verweerder] is ingelogd en de cryptomunten vervolgens naar andere bitcoinadressen zijn verzonden. De verklaring van [eiser] bevestigt deze gang van zaken. Hoe en wanneer [eiser] aan het wachtwoord van de bitcoinwallet van [verweerder] is gekomen, doet in dit verband niet ter zake. Duidelijk is dat [eiser] het wachtwoord had; anders had hij niet vanaf
zijnIP-adres in de bitcoinwallet van [verweerder] kunnen inloggen. Het hof heeft dus aan de discussie over het wachtwoord mogen voorbijgaan.
randnummer 9. van zijn procesinleidingover het slot van rov. 4.15., waarin het hof heeft geoordeeld dat de door [eiser] geopperde alternatieve scenario’s in het licht van de bevindingen van het onderzoeksrapport van Fox-IT dermate speculatief en ongeloofwaardig en bovendien nauwelijks onderbouwd zijn dat het hof geen behoefte heeft aan een nader deskundigenrapport. Volgens [eiser] is dit oordeel onbegrijpelijk, omdat hij heeft gesteld dat [verweerder] op een phishing email van 1 september 2017 heeft geklikt en vervolgens heeft geprobeerd om in te loggen en dat [verweerder] hem ook op 1 september 2017 belde met de mededeling dat zijn computer zo raar deed en dat zijn muis alle kanten op ging. Volgens [eiser] had het hof op deze redelijke, onderbouwde en relevante stellingen moeten ingaan, althans [eiser] gelegenheid moeten geven voor tegenbewijs.
randnummer 11. van zijn procesinleidingdat het onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 4.15. heeft overwogen dat [eiser] geen verifieerbare verklaring heeft gegeven voor de storting van de aanzienlijke bedragen op zijn rekening. [eiser] heeft immers gesteld dat de bron van deze overboekingen cryptomunten waren die zijn vader in 2011 had aangeschaft, hetgeen een verifieerbare verklaring is die zich leent voor tegenbewijs.
Helaas kan [eiser] niet meer aantonen dat hij zijn bitcoins gekocht heeft, het waren bitcoins die zijn vader in 2011 gekocht had en die [eiser] verhandelde via Litebit.eu.” [30] In hoger beroep is [eiser] niet van deze stelling teruggekomen. Hij heeft tijdens de mondelinge behandeling immers verklaard dat de bron van de overboeking cryptomunten waren, die in 2011 door zijn vader waren aangeschaft. [31] Aangezien [eiser] hiervan geen bewijs kan overleggen, betreft dit – zoals het hof met juistheid heeft overwogen – een niet-verifieerbare verklaring.
randnummer 12. van zijn procesinleidingdat het onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 4.6. heeft geoordeeld dat [eiser] de stelling van [verweerder] , dat het bitcoinadres van hem is, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, zodat vast is komen te staan dat het bitcoinadres van [verweerder] is. [eiser] heeft immers gesteld dat (i) de door Fox-IT genoemde transacties niets zeggen over van wie/uit welke wallet de bitcoins komen of naartoe gaan en (ii) dat [verweerder] geen printscreen heeft overgelegd, waarmee kan worden bewezen dat het bitcoinadres van [verweerder] is. Om dezelfde redenen betoogt [eiser] in
randnummer 13. van zijn procesinleidingdat het onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 4.7. heeft geoordeeld dat [verweerder] de stelling van [verweerder] , dat de dertig bitcoins en dertig bitcoin cash uit zijn bitcoinwallet zijn verdwenen, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, zodat vast is komen te staan dat de dertig bitcoins en dertig bitcoin cash uit de bitcoinwallet zijn verdwenen.
randnummer 14. van zijn procesinleidingvoert [eiser] een voortbouwklacht aan, inhoudende dat als de klachten in de voorgaande onderdelen slagen, ook de overwegingen en oordelen van het hof in rov. 4.17. tot en met 6.3. geen stand kunnen houden. Deze klacht faalt omdat geen van de klachten in de voorgaande onderdelen tot cassatie leidt.