ECLI:NL:PHR:2022:661

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juli 2022
Publicatiedatum
4 juli 2022
Zaaknummer
21/00482
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt omvang wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt

In deze zaak staat de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt centraal. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft de betrokkene veroordeeld voor het opzettelijk telen van hennepplanten en de diefstal van elektriciteit, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €77.990,18. De betrokkene voerde in hoger beroep aan dat hij niet verantwoordelijk was voor de hennepkwekerij, omdat hij de woning had onderverhuurd aan een derde, en dat er niet meer dan één oogst had plaatsgevonden.

Het hof verwierp deze verweren op grond van bewijsstukken, waaronder poststukken en een Ikea-bon gevonden in de woning, die via de bankrekening van de betrokkene waren betaald. De inconsistenties in de verklaringen van de betrokkene leidden tot het oordeel dat zijn verweer ongeloofwaardig was. Daarnaast achtte het hof het aannemelijk dat er twaalf oogsten hadden plaatsgevonden, mede op basis van het elektriciteitsverbruik en andere overtuigende indicatoren.

De Hoge Raad stelt dat de ontnemingsrechter gebonden is aan de oordelen van de strafrechter en dat het hof de motivering omtrent het aantal oogsten en de verantwoordelijkheid van de betrokkene voldoende heeft onderbouwd. Het cassatieberoep faalt derhalve en wordt verworpen. De uitspraak bevestigt de veroordeling tot betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de staat.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de betrokkene blijft verplicht tot betaling van €77.990,18 aan wederrechtelijk verkregen voordeel.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/00482 P

Zitting5 juli 2022
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de betrokkene.

De procedure in cassatie

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 5 februari 2021 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 77.990,18 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.
2. Er bestaat samenhang met de strafzaak 21/00721. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. W.A.J.A. Welten, advocaat te Breda, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

4. Het middel klaagt dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet naar behoren met redenen is omkleed. Daartoe wordt aangevoerd (i) dat het oordeel dat de betrokkene überhaupt enig wederrechtelijk voordeel heeft genoten onbegrijpelijk is gelet op het aangevoerde ter zitting en (ii) dat het oordeel dat er sprake is geweest van twaalf gerealiseerde oogsten in het licht van het gevoerde verweer eveneens onvoldoende is gemotiveerd.
5. Bij arrest van 5 februari 2021 is de betrokkene in de onderliggende strafzaak veroordeeld ter zake van het opzettelijk telen van 79 hennepplanten (feit 1) en de diefstal van elektriciteit door middel van verbreking (feit 2).
6. De ontnemingszaak is gelijktijdig met de strafzaak behandeld op de inhoudelijke terechtzitting van het hof van 22 januari 2021, in aanwezigheid van de betrokkene en zijn raadsman. Ter zitting heeft de verdachte in de kern genomen verklaard dat hij de woning vanaf december 2016 onderverhuurde aan de Hongaar [betrokkene 1], zelf niet meer in de woning binnen is geweest, geen wetenschap had van de hennepkwekerij en niet zelf heeft gekweekt en/of geoogst. De raadsman heeft het woord ter verdediging gevoerd en zich op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen, met – primair – eveneens als argument dat niet de betrokkene, maar een ander de kwekerij heeft opgezet en die ander verantwoordelijk is voor het telen, respectievelijk de oogst. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat meer dan één kweek op basis van het dossier niet aannemelijk is. [1]
7. Het primaire verweer, te weten dat de Hongaarse onderhuurder [betrokkene 1] buiten medeweten van de betrokkene om de kwekerij heeft opgezet en onderhouden, is ook aangevoerd in de onderliggende strafzaak. Dat verweer is in de strafzaak door het hof als onaannemelijk terzijde geschoven. [2] In de voorhanden ontnemingszaak heeft het hof dit verweer als volgt verworpen:

Tenslotte worden geopende, aan betrokkene gerichte post en een Ikea-bon waarvan vaststaat dat de hierop vermelde aankoop is betaald via de bankrekening van de betrokkene aangetroffen in de woning. Betrokkene heeft steeds verklaard na de onderverhuur in december 2016 niet meer in de woning aanwezig te zijn geweest. Aanvankelijk beroept betrokkene zich op dit punt op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting in eerste aanleg komt hij met het scenario dat zijn echtgenote een plastic boodschappentasje aan [betrokkene 1] zou hebben gegeven waar de Ikea-bon mogelijk in heeft gezeten. Ter terechtzitting in hoger beroep schetst betrokkene nog een ander scenario, namelijk dat het bonnetje bij de overdracht van de huur uit zijn portemonnee zou zijn gevallen en deze vervolgens door [betrokkene 1] mee de woning in zou zijn genomen. Het hof acht deze door betrokkene geschetste scenario’s erg onaannemelijk. Gezien de inconsistentie in de verklaringen van betrokkene is het hof van oordeel dat de verklaringen van betrokkene als ongeloofwaardig terzijde dienen te worden geschoven.” [3]

De bespreking van het middel

8. In de aan de ontnemingszaak voorafgaande strafzaak heeft het hof geoordeeld dat de betrokkene opzettelijk 79 hennepplanten heeft geteeld in zijn huurwoning. Het hof heeft in de strafzaak het alternatieve scenario dat niet de betrokkene, maar ene [betrokkene 1] de in de bewezenverklaring bedoelde hennepplanten heeft geteeld, gemotiveerd verworpen. De ontnemingsrechter is aan deze oordelen van de strafrechter gebonden. Hierop stuit de eerste deelklacht af. [4]
9. Uit de toelichting op de tweede deelklacht van het middel leid ik af dat de steller ervan in de eerste plaats valt over de volgende overweging van het hof aangaande de aannemelijkheid van twaalf gerealiseerde oogsten in de kwekerij:

Hoewel het hof van oordeel is dat de hennepkwekerij veel minder vervuild is dan men, gelet op de door de advocaat-generaal gestelde periode, zou verwachten, dient volgens het hof, gelet op de overige overtuigende indicatoren (met name de verandering in het elektriciteitsverbruik) rekening te worden gehouden met het scenario dat de kwekerij tussentijds is schoongemaakt dan wel vernieuwd. Tenslotte overweegt het hof dat op basis van de foto’s in het dossier niet zonder meer kan worden vastgesteld vanaf welk moment het gaas voor het raam aan de achterzijde van de woning is geplaatst. Dat het gaas al sinds 2014 aanwezig was, valt echter geenszins uit te sluiten.”
De klacht in de toelichting die op bovenstaande passage ziet, namelijk dat het hof heeft nagelaten te concretiseren wat wordt bedoeld met “
de overige overtuigende indicatoren”, berust evident op een verkeerde – in de zin van een onzorgvuldige – lezing van het arrest. Voorafgaand aan de passage uit de bewijsoverweging van het hof die het steller hier ter onderbouwing aanhaalt, valt uitgebreid te lezen op welke ‘overtuigende indicatoren’ het hof het oog heeft gehad.
10. In de toelichting wordt in de tweede plaats het volgende aangevoerd: het oordeel van het hof, inhoudende dat de betrokkene zelf de geregistreerde meterstanden heeft doorgegeven, zou onbegrijpelijk zijn, nu namens de betrokkene in hoger beroep is aangevoerd dat Essent per e-mail heeft aangegeven dat de meterstanden van het pand aan de [a-straat 1] niet door de betrokkene zelf zijn doorgegeven. Dit argument berust op een verkeerde voorstelling van zaken en faalt daarom evident. Bij pleidooi is immers het volgende aangevoerd:

Voorzover de bevindingen van verbalisant [verbalisant] over het verloop van het energieverbruik begrijpelijk zijn (…) moet ik opmerken dat de meterstanden van 1 mei 2014 niet door cliënt of zijn partner zijn doorgegeven zo blijkt uit een mail van Essent dat ik hierbij overleg als productie 5.”
Daarop heeft het hof overwogen:

Dat er in 2014 al sprake was van een in werking zijnde hennepkwekerij wordt ten eerste ondersteund door de in de meeste gevallen op basis van door betrokkene zelf opgegeven, geregistreerde meterstanden dat het stroomverbruik in de woning van betrokkene vanaf 1 mei 2014 drastisch is gedaald.”
11. In de derde plaats wordt tot besluit nog aangevoerd dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het verweer in hoger beroep dat de betrokkene in 2016 een woningruil heeft willen plegen die ondanks een schouw niet is gelukt en dat de hennepkwekerij om die reden niet vanaf 2014 in de woning heeft kunnen zitten.
12. Het hof heeft in zijn arrest inderdaad geen woorden gewijd aan dit verweer van de verdediging. Hieruit volgt dat het hof dit (onderdeel) van het verweer niet heeft aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Dat is niet onbegrijpelijk. De pleitnotities houden omtrent dit onderdeel van het verweer immers (slechts) het volgende in:

Het gaat om aanwijzingen waaruit kan worden afgeleid dat het aannemelijk is dat de kwekerij in 2014 reeds aanwezig was.
(…).
Client heeft in 2016 woningruil willen plegen maar dat lukte ondanks een schouw niet. Ik wijs u op pagina 132 en pagina 133, waar u een correspondentie ziet per email en onderaan pagina 132 het jaartal 2016 besproken ziet. De email is echter incompleet en wordt hierbij gecompleteerd (productie 4) met het stukje dat [betrokkene 2] ook in de babykamer is geweest maar dat haar niets vreemds is bijgebleven.
Het wordt eenvoudig om nu dan de start van de kwekerij in 2017 vast te stellen (…).”

Slotsom

13. Het middel faalt in al zijn onderdelen en leent zich voor afdoening met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
14. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. de pleitnotities in hoger beroep. Het pleidooi is wat moeizaam te doorgronden, maar ik maak eruit op dat de raadsman zich primair op het standpunt heeft gesteld dat de betrokkene niet degene is geweest die verantwoordelijk is voor het opzetten en exploiteren van de kwekerij die op 24 juli 2017 door de politie is aangetroffen en subsidiair het standpunt heeft ingenomen dat er niet meer dan één oogst is geweest:
2.Ik verwijs naar de samenhangende strafzaak en mijn conclusie in die zaak.
3.Bestreden arrest, p. 2-3.
4.Voor hetgeen de steller van het middel in de toelichting op de eerste deelklacht aanvoert – dat het hof de betrokkene verantwoordelijk houdt voor de aangetroffen hennepkwekerij en de eerdere oogsten