Conclusie
Nummer21/00482 P
De procedure in cassatie
Het middel
Tenslotte worden geopende, aan betrokkene gerichte post en een Ikea-bon waarvan vaststaat dat de hierop vermelde aankoop is betaald via de bankrekening van de betrokkene aangetroffen in de woning. Betrokkene heeft steeds verklaard na de onderverhuur in december 2016 niet meer in de woning aanwezig te zijn geweest. Aanvankelijk beroept betrokkene zich op dit punt op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting in eerste aanleg komt hij met het scenario dat zijn echtgenote een plastic boodschappentasje aan [betrokkene 1] zou hebben gegeven waar de Ikea-bon mogelijk in heeft gezeten. Ter terechtzitting in hoger beroep schetst betrokkene nog een ander scenario, namelijk dat het bonnetje bij de overdracht van de huur uit zijn portemonnee zou zijn gevallen en deze vervolgens door [betrokkene 1] mee de woning in zou zijn genomen. Het hof acht deze door betrokkene geschetste scenario’s erg onaannemelijk. Gezien de inconsistentie in de verklaringen van betrokkene is het hof van oordeel dat de verklaringen van betrokkene als ongeloofwaardig terzijde dienen te worden geschoven.” [3]
De bespreking van het middel
Hoewel het hof van oordeel is dat de hennepkwekerij veel minder vervuild is dan men, gelet op de door de advocaat-generaal gestelde periode, zou verwachten, dient volgens het hof, gelet op de overige overtuigende indicatoren (met name de verandering in het elektriciteitsverbruik) rekening te worden gehouden met het scenario dat de kwekerij tussentijds is schoongemaakt dan wel vernieuwd. Tenslotte overweegt het hof dat op basis van de foto’s in het dossier niet zonder meer kan worden vastgesteld vanaf welk moment het gaas voor het raam aan de achterzijde van de woning is geplaatst. Dat het gaas al sinds 2014 aanwezig was, valt echter geenszins uit te sluiten.”
de overige overtuigende indicatoren”, berust evident op een verkeerde – in de zin van een onzorgvuldige – lezing van het arrest. Voorafgaand aan de passage uit de bewijsoverweging van het hof die het steller hier ter onderbouwing aanhaalt, valt uitgebreid te lezen op welke ‘overtuigende indicatoren’ het hof het oog heeft gehad.
Voorzover de bevindingen van verbalisant [verbalisant] over het verloop van het energieverbruik begrijpelijk zijn (…) moet ik opmerken dat de meterstanden van 1 mei 2014 niet door cliënt of zijn partner zijn doorgegeven zo blijkt uit een mail van Essent dat ik hierbij overleg als productie 5.”
Dat er in 2014 al sprake was van een in werking zijnde hennepkwekerij wordt ten eerste ondersteund door de in de meeste gevallen op basis van door betrokkene zelf opgegeven, geregistreerde meterstanden dat het stroomverbruik in de woning van betrokkene vanaf 1 mei 2014 drastisch is gedaald.”
Het gaat om aanwijzingen waaruit kan worden afgeleid dat het aannemelijk is dat de kwekerij in 2014 reeds aanwezig was.