ECLI:NL:PHR:2022:674

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juli 2022
Publicatiedatum
4 juli 2022
Zaaknummer
20/04262
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 275 SvArt. 276 SvArt. 27a SvArt. 301 SvArt. 326 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling wegens ontuchtige handelingen met minderjarige ondanks klachten over tolkbijstand en bewijsvoering

Verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 voorwaardelijk, wegens ontuchtige handelingen met een minderjarige. Hij stelde cassatie in tegen dit arrest met twee middelen: een klacht over het ontbreken van feitelijke en adequate tolkbijstand tijdens de terechtzitting en een klacht over de bewijsvoering.

Tijdens de terechtzitting was aanvankelijk geen tolk aanwezig, maar werd uiteindelijk een telefonische tolk ingeschakeld. Verdachte gaf aan de Nederlandse taal goed te beheersen, maar wilde voor de zekerheid een tolk. De Hoge Raad oordeelt dat het hof voldoende heeft vastgesteld dat aan het recht op tolkbijstand is voldaan en dat er geen sprake was van een schending van het recht op een eerlijk proces.

Met betrekking tot de bewijsvoering oordeelt de Hoge Raad dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de bewijsvoering voldoende steun biedt voor de veroordeling. De herkenning van verdachte door het slachtoffer en getuigen, de WhatsApp-berichten, videomateriaal en andere bewijsmiddelen zijn naar het oordeel van het hof betrouwbaar en voldoende. De klachten over onvoldoende reactie op de bewijsvoering en de betrouwbaarheid van de herkenning worden verworpen. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd met een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/04262

Zitting5 juli 2022
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 16 december 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens ‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Daarbij heeft het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de ingediende vordering.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. C. Grijsen, advocaat te Almere, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerstemiddel bevat de klacht dat het onderzoek ter terechtzitting aan nietigheid leidt nu het hof in strijd met art. 275, tweede lid, Sv ten bezware van de verdachte acht heeft geslagen op hetgeen ter zitting is besproken of voorgelezen zonder dat dit voor hem is vertolkt. Dit zou in elk geval een schending van het recht op een eerlijk proces opleveren.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehouden op 2 december 2020 houdt onder meer het volgende in:
‘De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte beheerst de Nederlandse taal niet of onvoldoende. Daarom vindt het onderzoek plaats met bijstand van [betrokkene 1], zijnde een in het register als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers ingeschreven tolk in de Arabische taal. Hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen is door de tolk vertaald.
De voorzitter stelt de identiteit van de verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
wonende te [postcode] [plaats], [a-straat 1]
Als raadsvrouw van verdachte is mede ter terechtzitting aanwezig mr. F.T.C. Dölle, advocaat te Amsterdam
De voorzitter merkt op dat het hof constateert dat er geen tolk is verschenen om verdachte bij te staan. De advocaat-generaal heeft hier al over gebeld maar nog geen reactie ontvangen.
Desgevraagd merkt verdachte op dat hij de Nederlandse taal goed kan spreken en verstaan.
De voorzitter houdt voor dat hij verdachte goed kan verstaan, maar dat het heel belangrijk is dat verdachte alles begrijpt.
De raadsvrouw verzoekt het hof om de zaak kort te onderbreken zodat zij met haar cliënt kan overleggen. Zij hadden wel gerekend op een tolk.
De voorzitter houdt voor dat de advocaat-generaal probeert om op korte termijn een tolk te regelen, maar dat dit nog niet is gelukt. Er hangt veel van de zaak af en verdachte moet alles goed kunnen begrijpen en zich ook goed uit kunnen drukken.
De voorzitter onderbreekt kort het onderzoek zodat verdachte met zijn raadsvrouw kan overleggen.
De voorzitter hervat het onderzoek.
De raadsvrouw voert het woord, zakelijk weergegeven:
Mijn cliënt twijfelt. Hij voelt zich er niet 100% comfortabel bij om de zaak zonder bijstand van een tolk te doen. Ik kan niet voor hem vertalen. Hij wil toch graag zo snel mogelijk een behandeling met een tolk en dit adviseer ik hem ook.
Verdachte verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt:
Mijn Nederlands is goed, maar juridische woorden zijn moeilijk. Ik twijfel. Ik wil dat mijn zaak zo snel mogelijk behandeld wordt maar ik voor ook voor de zekerheid een tolk.
De voorzitter merkt op dat hij het knap vindt hoe verdachte zich uitdrukt nu Nederlands een moeilijke taal is. Het hof begrijpt het belang van verdachte, voor sommige onderdelen is de ondersteuning van een tolk noodzakelijk. Helaas is er in de voorfase iets misgegaan in de communicatie waardoor er geen tolk is opgeroepen.
De advocaat-generaal verlaat kort de zittingszaal om te bellen met de administratie.
De advocaat-generaal keert terug en deelt - zakelijk weergegeven - het volgende mede:
Er is iets misgegaan met de oproeping. Mijn collega’s kijken nu of zij met spoed via de tolkentelefoon een tolk in de juiste taal kunnen regelen. Ik wil voorstellen om de zitting een kwartier te onderbreken.
Verdachte merkt desgevraagd op dat hij het snapt en dat hij een telefonische tolk goed zou vinden.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek in afwachting van de telefonische tolk.
De voorzitter hervat het onderzoek en deelt mede dat er inmiddels een telefonische tolk gevonden is.
De tolk merkt desgevraagd op:
Mijn naam is [betrokkene 1], ik ben een geregistreerde tolk in de Arabische taai en mijn tolkennummer is [001]. Verdachte heeft zich zojuist aan mij voorgesteld. Hij spreekt en verstaat de Nederlandse taal. Alleen indien hij iets niet verstaat zal hij mijn hulp inschakelen.
De voorzitter vermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen deze zal horen en deelt verdachte mede dat deze niet tot antwoorden verplicht is.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor.
Direct na de voordracht wordt verdachte in de gelegenheid gesteld om mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis kort toe te lichten. Verdachte merkt op dat hij onschuldig is. Hij kent het slachtoffer en de getuige niet.
Verdachte vraagt of hij iets wat hij op papier heeft gezet mag voorlezen.
De raadsvrouw zegt tegen verdachte dat hij dit kan bewaren tot het laatste woord.
De voorzitter merkt op dat in hoger beroep niet alles opnieuw besproken zal worden wat bij de rechtbank al aan de orde is geweest.
Verdachte verklaart, zakelijk weergeven, als volgt:
Het klopt dat mijn broer [betrokkene 2] heet. Hij heeft ook in AZC […] gewoond. We woonden daar met mijn vader en moeder. [betrokkene 3] ken ik niet. Het klopt dat ik voetbalde binnen het asielzoekerscentrum. Mijn broer speelde ook bij die ploeg. Hij was keeper. Ik speelde in het midden en was aanvaller. Mijn vader is een tijdje trainer geweest. U houdt mij voor dat de politie een foto van het voetbalteam heeft getoond aan het slachtoffer [slachtoffer] en dat zij mij daarop heeft herkend als degene die zij beschrijft als “de brute asielzoeker”. U houdt mij voor dat ik mijzelf ook op die foto heb herkend. Ik zeg u dat ik tijdens het verhoor bij de politie op mijzelf aangewezen was. U houdt mij voor dat ook getuige [betrokkene 3] mij op dezelfde foto heeft aangewezen. Ik zeg u dat ik niet weet hoe dat kan. Ik heb niks te maken met de zaak. Ik was niet overtuigd dat ik veroordeeld zou worden, dus ik heb eerst het dossier niet gelezen. Na de. veroordeling heb ik dat wel gedaan. De advocaat heeft mij het dossier eerst niet gegeven. Nu weet ik wel wat er in het dossier staat.
U zegt mij dat u heeft gelezen dat ik niet blij was met mijn eerste advocaat. U houdt mij voor dat getuige [betrokkene 3] heeft verklaard dat zij is opgetrokken met een zekere [verdachte] wiens broer [betrokkene 2] heet en dat zij tijdens de zomer van 2016 actief is geweest als vrijwilliger bij het asielzoekerscentrum […] in [plaats]. Ik zeg u dat ik mij dat niet herinner. Ik woonde toentertijd wel in AZC […], ik weet niet precies in welke periode dat was. U houdt mij voor dat deze [betrokkene 3] heeft verklaard dat zij heeft geregeld dat wij konden voetballen: U houdt mij voor dat zij heeft verklaard dat de jongens genaamd [verdachte] en [betrokkene 2] uit Irak kwamen en ook hebben meegeholpen met het opbouwen van festival [festival]. Ik zeg u dat ik inderdaad samen met andere asielzoekers heb geholpen tijdens dit festival. U houdt mij voor dat [betrokkene 3] mij op de foto heeft herkend en ook heeft verklaard dat ik een Nederlandse vriendin had. Dat klopt. Haar naam is [betrokkene 4] en ze woonde in Groningen, in een dorp. U houdt mij voor dat [betrokkene 3] heeft gezegd dat de vriendin eerst in [plaats] woonde en daarna in [plaats], Ik zeg u dat ik met mijn familie in [plaats] heb gewoond. Niet met een vriendin. Van [plaats] weet ik niets, U houdt mij voor dat [betrokkene 3] verder heeft verklaard dat ik en mijn broer ongeveer tien keer bij haar thuis geweest zijn. Ik zeg u dat ik geen idee heb waar zij het over heeft. Ik ken geen [betrokkene 3].
U houdt mij voor dat [betrokkene 3] heeft verklaard dat mijn ouders ook wel eens Iraks eten voor haar hebben gekookt en dat ik destijds een oudere vriendin had. Ik zeg u dat [betrokkene 4] inderdaad ouder was, maar niet oud. Ze heeft drie kinderen.
U houdt mij voor dat [betrokkene 3] heeft verklaard dat de naam [slachtoffer] haar niks zegt en dat zij voorts heeft verklaard dat ik en mijn broer heel bescheiden en attent waren en dat er via WhatsApp veel berichten met haar zijn uitgewisseld. Ik zeg u dat ik geen Whatsapp had in […]. Toen had ik ook nog geen smartphone. U houdt mij voor dat het telefoonnummer dat zij noemt uit Oman komt en dat ik via Oman ben gereisd.
De raadsvrouw merkt op dat het nummer volgens haar niet specifiek te herleiden was tot Oman
De voorzitter merkt op dat hij meent dat het landennummer verwijst naar Oman.
De raadsvrouw houdt voor pagina 239 van het dossier waaruit volgens haar zou blijken dat er verschillende landen met dit landnummer zijn.
De voorzitter houdt voor dat het betreffende landennummer dan in elk geval wijst op een land in het Midden-Oosten en dat hij wellicht ten onrechte de koppeling met Oman heeft gemaakt.
Verdachte verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt:
U houdt mij voor dat in het dossier berichten zitten tussen [betrokkene 3] en de persoon genaamd [verdachte] van wie zij zegt dat ik dat ben. U houdt mij voor dat het in die gesprekken gaat over [betrokkene 2] en over de omstandigheid dat ik twee telefoons zou. hebben. U wijst mij in dat kader op pagina 268 van het dossier. Ik zeg u nogmaals dat ik toen geen smartphone had. Mijn broer had dat denk ik wel. Ik mocht zijn telefoon echter niet gebruiken en dat deed ik ook niet. U houdt mij voor dat het lijkt alsof er gebruik gemaakt is van een Whatsappnummer en van een Nederlands nummer. Ik zeg ik dat ik een Nokia had met een Nederlandse prepaidkaart. Daar belde ik mee. U vraagt mij of ik ook een Facebookaccount had. Dat had ik.
U houdt mij voor dat veel zaken die [betrokkene 3] verklaart over [verdachte] lijken te passen bij mijn persoon. Ik zeg u dat ik in het asielzoekerscentrum geen smartphone had. Ik had geen Whatsapp. Er is geen steunbewijs en het is onduidelijk wie die persoon is die zij kent als [verdachte]. Ik heb de verklaringen van [betrokkene 3] gelezen. U vraagt mij of er volgens mij dan sprake moet zijn van een look-a-like. Ik zeg u dat ik dat niet weet. Tijdens het verhoor bij de politie was ik verbaasd over alles. Het was voor mij een heftig verhoor. Er was ook geen advocaat tijdens het verhoor. Ik kende mijn rechten niet. U houdt mij voor dat de politie mij daar we| op gewezen heeft: Ik zeg u dat ik mij alleen voelde. Er was geen advocaat om mij te helpen. Juridisch gezien stond niemand mij bij.
Ik heb het dossier gelezen. [slachtoffer] heeft in opdracht van haar oom dingen gedaan. Zij is het slachtoffer en ik leef met haar mee. Het is echt erg wat er gebeurd is. Haar oom heeft haar misbruikt. Ze moest met andere mannen seks hebben. Zij heeft tegen die mannen een onjuiste leeftijd gezegd. Waarom ben ik veroordeeld terwijl ik niks gedaan heb? U houdt mij voor dat er filmpjes gemaakt zijn van de seks met de ‘brute asielzoeker’. Ik zeg u dat ik het dossier gelezen heb. Zij heeft in opdracht van haar oom seks gehad met anderen. Ze zei dat ze meerderjarig was. Misschien deed ze dat omdat de mannen anders geen seks wilden hebben. U houdt mij voor dat zij veertien jaar oud was. Ik zeg u dat ik het echt erg vind.
U vraagt mij of ik de zaak thuis besproken heb. Ik zeg u dat het voor mijn familie ook heel heftig is. Ik heb het met mijn ouders besproken. Zij weten dat ik het niet gedaan heb en dat ik zoiets ook nooit zou doen. Mijn broer weet ook van de zaak. Ze weten hoe heftig het voor mij is. Het was voor mij voor het eerst dat ik met de politie in aanraking kwam en dat ik bij de rechtbank moest komen.
U vraagt mij of ik boos ben. Ik ben niet boos, maar verbaasd. Ik vertel u ook dat mijn advocaat mij nooit heeft verteld dat ik bezwaar kon maken tegen de oproep van het openbaar ministerie. Ik ben het er niet mee eens dat ik als verdachte ben aangemerkt. Niemand vertelde mij mijn rechten, bijvoorbeeld dat ik bezwaar kan maken tegen de dagvaarding.
U houdt mij voor dat ik u hier alles opnieuw kan vertellen over de zaak.
Ik zeg u dat ik het dossier heb gelezen. Wat er met [slachtoffer] is gebeurd, is erg. Ik leef met heel mijn hart mee. Het is echt erg dat haar oom haar die opdrachten gaf. Op zo’n jonge leeftijd allemaal.
U - jongste raadsheer - vraagt mij of ik ooit bij iemand van het asielzoekerscentrum thuis ben geweest. Ik zeg u dat ik mij dat niet herinner. U vraagt mij of ik weleens seks in het bos in Nederland gehad heb met een meisje. Ik zeg u dat dit niet zo is. U houdt mij voor dat er dingen zijn die erop wijzen dat ik meerdere keren seks met [slachtoffer] gehad zou hebben. Ik zeg u dat ik niks gedaan heb. Ik heb niks met deze zaak te maken.
De voorzitter merkt op dat de benadeelde partij haar vordering heeft gehandhaafd en dat haar advocaat op voorhand heeft laten weten niet ter zitting in hoger beroep te zullen verschijnen.
Verdachte verklaart omtrent zijn persoonlijke omstandigheden, zakelijk weergegeven, als volgt:
U houdt mij voor dat uit mijn strafblad blijkt dat ik niet eerder met politie en justitie in aanraking ben geweest. Dat klopt. Ik heb in mijn hele leven nog nooit iets met de politie te maken gehad, ook niet in het buitenland. U houdt mij het reclasseringsrapport voor. De Reclassering heeft mij meerdere malen bezocht. Eén van de medewerkers heeft mij vragen gesteld. Ik woon nog bij mijn ouders. Via de gemeente ben ik terechtgekomen bij een uitzendbureau. Ik wil.al het werk wel doen, het maakt mij niet uit wat. Ik heb mij ook aangemeld voor vrijwilligerswerk. Ik wil iets voor de maatschappij doen, want anders vind ik het niet eerlijk dat ik een uitkering krijg. Ik zoek zelf ook naar banen maar wordt vaak geweigerd.
Ik volg nog steeds Nederlandse lessen. Ik ga voor P2, dat is een hoger niveau. Het eindigt midden december. Daarna is er een examen. Ik heb ook advies gekregen voor het Staatsexamen. In Irak ben ik naar school geweest, naar de Universiteit en College zoals dat ook in Amerika heet. Ik heb diploma’s gehaald in Oman voor elektronica, communicatie en engineering. Toen ben ik verhuisd naar een andere stad en heb ik mijn specialisme veranderd, namelijk naar telecommunicatie. Ik ben in het Engels afgestudeerd. Ik wil een opleiding in de Nederlandse taal volgen. Ik wil in Nederland blijven en ben bezig met inburgeren. Ik moet nog drie examens doen.
Ik heb een verblijfsvergunning tot 2022, maar ik wil in Nederland blijven. Ik geef een deel van mijn uitkering aan mijn ouders. Ik heb geen schulden, behalve voor mijn mobiele telefoon, maar die schuld eindigt volgend jaar.
De voorzitter merkt op dat door de Reclassering een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden wordt geadviseerd.
De voorzitter houdt voor dat het hof veel brieven van verdachte heeft gekregen en vraagt aan verdachte of het psychisch goed met hem gaat.
Verdachte verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt:
Ik heb veel berichten aan het hof gestuurd. Dat spijt mij. Ik zit in een heftige periode. Mijn lichamelijke gezondheid is niet goed. Ik wilde bescherming van het hof. Ik voel mij niet beschermd. Ik ben nu bij drie specialisten geweest. Ik heb een verwijzing van mijn huisarts vanwege de lichamelijk problemen. U vraagt mij of het nodig is om met een psycholoog te kunnen praten. Ik zeg u dat ik niet rechtstreeks uit Irak naar Nederland ben gekomen. Eerst heb ik een nieuw leven in Syrië opgebouwd. Toen in Oman. Ik had een relatie en een leven. En toen moest ik weer naar een ander land. Het is heftig, niet makkelijk. Ik vind het leuk om hier in Nederland te wonen. Ik woon er nu vier jaar en 7 maanden. Ik heb de taal goed geleerd en heb hier een leuk nieuw leven. Ik weet niet of mijn ouders en broer bezorgd om mij zijn. Ze weten van de zaak. De eerste advocaat heeft mij destijds uitgenodigd op kantoor. Mijn familie is toen mee geweest. Ze hebben alles gehoord. Het is niet makkelijk voor ze. Voor mijn ouders is het ook traumatisch. Als mijn vrienden dit horen, zullen ze het nooit geloven.
U - jongste raadsheer- zegt mij dat u snapt dat de situatie niet alleen voor mij maar ook voor mijn familie een probleem kan zijn. Ik vraag u waarom het van invloed is op mijn familie. Ik hoor u zeggen dat u niet kunt overzien wat de zaak betekent voor de asielprocedure. Ik zeg u dat ik in 2017 een verblijfsvergunning heb gekregen terwijl de feiten uit 2016 zijn. Zo’n vergunning geven ze niet zomaar. U houdt mij voor dat de veroordeling van 2019 is. Ik zeg u dat het voor mij onduidelijk is. Ze geven niet zomaar een verblijfsvergunning. Ik heb indirecte getuigen bij de IND. U houdt mij voor dat ik pas in 2018 gehoord ben bij de politie en dat de IND in 2017 dus nog niet van deze zaak op de hoogte was. Ik snap u niet. Dit heeft niks met de IND te maken. Ik woonde in het asielzoekerscentrum. Zij wisten alles. Elke stap. Voor mij is het onduidelijk dat de IND dit niet wist als dit echt gebeurd zou zijn.
De advocaat-generaal voert het woord overeenkomstig het schriftelijk requisitoir, leest de vordering voor en legt die aan het hof over. In aanvulling hierop brengt zij het volgende naar voren:
Ik maak mij zorgen om verdachte. Alle post die de voorzitter noemde is ook bij mij bekend. Verdachte heeft veelvuldig gebeld met onze administratie. Ik vind dat die zorgen binnen het detentiekader onderzocht moeten worden. Een voorwaardelijk kader is niet geboden nu de verblijfsstatus van verdachte onzeker is. Ik vraag u om het vonnis te bevestigen.
De voorzitter merkt op dat hij het landennummer nog heeft gegoogeld en dat hij 968 tegenkomt als landennummer behorende bij Oman
De raadsvrouw voert het woord tot verdediging conform de door haar overlegde pleitnota. In aanvulling hierop brengt zij het volgende naar voren:
Cliënt vindt het vreselijk wat er gebeurd is. Hij heeft mij expliciet gevraagd om niet stil te staan bij zijn persoonlijke omstandigheden.
We kunnen er niet zomaar vanuit gaan dat het landennummer bij Oman hoort. Ik hoor u zeggen dat op pagina 239 van het dossier staat dat verschillende landen landnummer 9 hebben, maar dat volgens Google bij 968 Oman hoort. Ik zeg u dat ik mij dan afvraag of ze dan niet op de eerste drie cijfers gekeken hebben.
De advocaat-generaal zei net dat het nummer uit de telefoon van verdachte is gehaald, maar de smsjes wijzen er juist op dat de berichten niet aan verdachte gericht waren.
De advocaat-generaal merkt het volgende op:
Het handelen van verdachte is gewelddadig en respectloos. De handelingen zijn vergelijkbaar met een verkrachting.
Aan de verdachte en de wordt het recht gelaten het laatst te spreken:
Ik wil wat dingen toevoegen aan het pleidooi van mijn advocaat en ik wil ook reageren op' de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie.
Er moet ook gekeken worden naar het onschuldscenario. De berichtjes bijvoorbeeld, het kan ook zijn dat een ander antwoorden op persoonlijke vragen heeft doorgestuurd. Iemand kan mijn gegevens hebben misbruikt en dat over Whatsapp gestuurd hebben.
De verklaring van [slachtoffer] is gebaseerd op WhatsAppberichten van een buitenlands nummer: Het is onbekend van wie dit nummer is. dit geldt ook ten aanzien van de getuige. Alle informatie wordt uit WhatsApp, de aangifte en de verklaring gehaald. De gebruiker van het buitenlandse nummer is onbekend. De informatie is onbetrouwbaar en kan niet gebruikt worden voor het bewijs. Er kan zijn vervalst en gehackt.
Het dossier bevat voor de herkenning onvoldoende steunbewijs. Ik ben ten onrechte aangehouden als verdachte. Mijn verblijfsvergunning is in 2017 afgegeven. Dit alles zou in 2016 zijn gebeurd. Dat ik wel een verblijfsvergunning heb gekregen is dus indirect bewijs dat ik het niet gedaan heb.
De voorzitter vroeg mij of ik het dossier gelezen heb, Ik heb over alle verdachten gelezen. Ik zie dat door [slachtoffer] alles in opdracht is gedaan. Haar oom zei wat ze moest doen. Ze heeft de verdachten opdrachten gegeven, want haar oom zei dat ze dat moest doen. Deze man volgt haar opdrachten. Misschien was sprake van een misverstand en was hij bang. Misschien was zijn intentie om seks te hebben met [slachtoffer]. Zij gaf hem de opdracht om haar aan de boom vast te maken. Zij vertelde hem wat hij moest doen. Misschien was hij bang als verkrachter gezien te worden. Ik heb niks te maken met deze zaak. Ik ben vals aangehouden. Ik had bezwaar moeten maken tegen de dagvaarding. Er is geen bewijs zoals DNA. De vreemdelingenpolitie heeft mijn telefoonnummer ook geregistreerd en ik verzoek uw hof om dat op te vragen. Het slachtoffer kent het land van herkomst van de man niet.
Het bewijs voldoet niet aan de bewijsminimumregels.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 16 december 2020 te 14:00 uur.’
5. De steller van het middel voert in de toelichting aan dat uit het proces-verbaal van de zitting niet volgt dat de tolk ook daadwerkelijk is ingeschakeld en heeft vertaald.
6. Uit art. 326, eerste lid, Sv volgt dat de griffier het proces-verbaal van de terechtzitting bijhoudt, ‘waarin achtereenvolgens aanteekening geschiedt van de in acht genomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt’. Ingevolge het tweede lid behelst het proces-verbaal tevens de zakelijke inhoud ‘van de verklaringen der getuigen, deskundigen en verdachten’. Uit de wet volgt sinds enkele jaren expliciet dat van de bijstand van een tolk mededeling wordt gedaan in het proces-verbaal’. [1] Deze wetsbepaling is ingevoerd ter implementatie van Richtlijn 2010/64/EU. [2] Artikel 7 van Pro de richtlijn schrijft voor dat de lidstaten ervoor zorgen dat ‘wanneer een verdachte of beklaagde door onderzoeks- of gerechtelijke autoriteiten is ondervraagd of verhoord met bijstand van een tolk (…) hiervan registratie wordt gedaan, volgens de registratieprocedure waarin de wet van de lidstaat in kwestie voorziet’.
7. Uit een en ander leid ik af dat in het proces-verbaal kan worden volstaan met de vermelding dat de verdachte bijstand van een tolk heeft gehad. Registratie van wat de tolk op de terechtzitting precies heeft vertaald wordt niet vereist. Die eis zou de griffier ook voor een lastige opgave plaatsen nu hij de taal waarin de tolk voor de verdachte vertaalt veelal niet machtig zal zijn. Voor zover het middel ervan uitgaat dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting dient te volgen dat (en wat) de tolk daadwerkelijk heeft vertaald, stelt het dan ook een eis die het recht niet kent. [3]
8. De steller van het middel voert voorts aan dat uit het proces-verbaal van de zitting lijkt te volgen dat er verschillende malen gedeeltelijk ‘langs elkaar heen’ is gecommuniceerd. Zo zou de verdachte, wanneer hem wordt voorgehouden dat getuige [betrokkene 3] hem heeft herkend en heeft verklaard dat hij een Nederlandse vriendin had, slechts hebben gereageerd op dit laatste deel. En dat zou ook gelden wanneer hem wordt voorgehouden dat [betrokkene 3] heeft verklaard dat zijn ouders weleens ‘Iraks’ voor haar hebben gekookt en dat hij destijds een oudere vriendin had.
9. Uit de enkele omstandigheid dat de verdachte, wanneer hem twee onderdelen uit de verklaring van [betrokkene 3] worden voorgehouden, slechts op één onderdeel reageert, kan naar het mij voorkomt niet worden afgeleid dat er tijdens de terechtzitting langs elkaar heen is gecommuniceerd. De verdachte kan uit hetgeen hem is voorgehouden ook het onderdeel hebben gehaald waarop een reactie hem het meest opportuun leek. Uit het proces-verbaal volgt dat de verdachte veel aan het woord is geweest, dat daarbij nergens van door het gebruik van de Nederlandse taal veroorzaakte misverstanden blijkt en dat noch de verdachte noch zijn raadsvrouw zich op enig moment heeft beklaagd over het uitblijven van een vertolking van hetgeen werd voorgehouden of de kwaliteit van de vertolking. Voor zover het middel klaagt dat uit het proces-verbaal volgt dat de verdachte door de gang van zaken in zijn belangen geschaad is, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag.
10. De steller van het middel voert voorts aan dat uit de verklaring die de verdachte op de zitting heeft afgelegd volgt dat hij een aantal malen beslissingen heeft genomen die hem in zijn verdedigingsrechten hebben geschaad. Daarbij zou kennelijk sprake zijn van door de verdachte ‘ervaren druk om haast te maken en zo snel mogelijk aan te tonen dat hij onschuldig is’. Dat zou ook spelen bij het om ‘pragmatische redenen’ inschakelen van een telefonische tolk ‘terwijl de fysieke aanwezigheid van een tolk op de zitting als uitgangspunt te gelden heeft’. Een en ander zou te meer klemmen nu het hof twijfels heeft over de psychische gesteldheid van de verdachte.
11. Ook mij komt het voor dat de fysieke aanwezigheid van de tolk bij het onderzoek ter terechtzitting als uitgangspunt heeft te gelden. Dat volgt reeds uit art. 276, eerste lid, Sv: ‘Indien op de terechtzitting blijkt dat de bijstand van een tolk nodig is en deze niet aanwezig is, beveelt de rechtbank de oproeping van een tolk’. Zie ik het goed, dan klaagt het middel evenwel niet dat in deze zaak niet conform dit uitgangspunt is gehandeld. Geklaagd wordt over schending van art. 275, tweede lid, Sv en art. 6 EVRM Pro, niet over schending van art. 276, eerste lid, Sv of genoemd aan de wettelijke regeling ten grondslag liggend uitgangspunt.
12. Voor zover de klacht aldus begrepen moet worden dat in de omstandigheden van het geval geen sprake is van een rechtsgeldige afstand van een in art. 6 EVRM Pro besloten liggend recht op een ter terechtzitting aanwezige tolk, merk ik het volgende op. Dat de verdachte eerder in de strafprocedure ‘beslissingen heeft genomen, waar hij achteraf bezien toch bezwaren tegen heeft’ doet er niet aan af dat hij tijdens het onderzoek ter terechtzitting afstand kon doen van het recht op de fysieke aanwezigheid van een tolk. Ook de omstandigheid dat het hof blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting heeft gevraagd of het psychisch goed gaat met de verdachte doet er naar het mij voorkomt niet aan af dat de verdachte kon beslissen of met telefonische vertolking kon worden volstaan. Uit het proces-verbaal van de zitting volgt dat de verdachte zelf verklaart dat zijn Nederlands ‘goed’ is, maar dat ‘juridische woorden’ moeilijk zijn. En dat de voorzitter opmerkt ‘dat hij het knap vindt hoe verdachte zich uitdrukt nu Nederlands een moeilijke taal is’. De verdachte geeft uitdrukkelijk aan ‘dat hij een telefonische tolk goed zou vinden’. Vervolgens is een geregistreerde tolk in de Arabische taal als telefonische tolk ingeschakeld. Noch de verdachte, noch de raadsman heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting een klacht over de vertolking geuit of aangegeven op de gemaakte keuze te willen terugkomen. En uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt ook nergens van miscommunicatie.
13. De steller van het middel wijst er in verband met de klacht dat ten bezware van de verdachte acht is geslagen op wat ter zitting is besproken of voorgelezen zonder dat dit voor hem is vertolkt op dat geen van de bewijsmiddelen die het hof aan de veroordeling ten grondslag heeft gelegd door de tolk is vertaald en dat een aanzienlijk deel van deze bewijsmiddelen ‘ook in samengevatte vorm niet eens de revue heeft gepasseerd op de zitting’.
14. In eerste aanleg heeft het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden op 25 januari 2019. Dat onderzoek vond plaats met bijstand van de heer M. Osman, tolk in de Arabische taal. Het proces-verbaal vermeldt daarbij dat het ‘ter terechtzitting gesprokene is vertolkt’. De voorzitter heeft blijkens het proces-verbaal de korte inhoud meegedeeld van de stukken van het voorbereidend onderzoek, waaronder die welke als bewijsmiddel zijn gebezigd. Processen-verbaal, verslagen van deskundigen, of andere stukken, welke in eerste aanleg zijn voorgelezen, mogen ook voor de behandeling in hoger beroep als voorgelezen worden aangemerkt (art. 417, eerste lid, Sv). Tegen die achtergrond was de voorzitter van het hof niet gehouden de stukken van het voorbereidend onderzoek opnieuw aan de verdachte voor te houden, en kon hij volstaan met de opmerking ‘dat in hoger beroep niet alles opnieuw besproken zal worden wat bij de rechtbank al aan de orde is geweest’. Ik merk daarbij op dat uit dat proces-verbaal niet blijkt van een verzoek tot het opnieuw voorhouden van stukken (art. 417, tweede lid, Sv). En dat de verdachte tot drie keer toe aangeeft dat hij het dossier heeft gelezen.
15. Ik merk voorts op dat in geval ten bezware van de verdachte acht zou zijn geslagen op stukken die niet zijn voorgelezen, of waarvan de korte inhoud niet is meegedeeld zulks een schending van art. art. 301 Sv Pro, in hoger beroep van toepassing op grond van art. 415, eerste lid, Sv, in samenhang met art. 417 Sv Pro oplevert, niet van art. 275, tweede lid, Sv. Daar gaat het om het achterwege blijven van een vertolking van hetgeen ter terechtzitting wel is ‘gesproken of voorgelezen’ zonder dat dit voor de verdachte is vertolkt. Over schending van art. 301 Sv Pro juncto art. 415, eerste lid, Sv wordt niet geklaagd.
16. In vervolg daarop attendeer ik er nog op dat uit de schriftuur niet duidelijk wordt van welke passages van hetgeen ter terechtzitting is ‘besproken of voorgelezen’ de vertolking kan hebben tekortgeschoten en waarop desalniettemin ten bezware van de verdachte acht is geslagen. De verdachte is veel aan het woord geweest, al dan niet in reactie op vragen. Er is een discussie geweest over het landennummer van Oman. De voorzitter heeft meegedeeld dat de benadeelde partij haar vordering heeft gehandhaafd en heeft meegedeeld niet ter terechtzitting in hoger beroep te zullen verschijnen. De voorzitter heeft meegedeeld dat door de reclassering een voorwaardelijke straf is geadviseerd. De advocaat-generaal heeft gerequireerd en de raadsvrouw heeft het woord tot verdediging gevoerd. Het gaat daarbij niet om passages waarop ten bezware van de verdachte acht is geslagen. Ik voeg daar nog aan toe dat de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd niet als bewijsmiddel is gebruikt.
17. Al met al meen ik dat de deelklacht inhoudend dat in strijd is gehandeld met art. 275, tweede lid, Sv, faalt.
18. In verband met de klacht dat ‘het gebrek aan feitelijke en adequate vertolking op de zitting’ in strijd is met het recht op een eerlijk proces wijst de steller van het middel op twee uitspraken van het EHRM: Kamasinski v. Oostenrijk en Cuscani v. het Verenigd Koninkrijk. Aan die deelklacht ligt, zo begrijp ik, ten grondslag dat het hof zou hebben nagelaten ‘ervoor zorg te dragen dat door de tolk ook daadwerkelijk bijstand’ aan de verdachte werd verleend.
19. In Kamasinski v. Oostenrijk werd onder meer geklaagd over de kwaliteit van de vertolking tijdens het onderzoek ter terechtzitting. [4] Deze zou ‘
incomplete and insufficient’ zijn geweest (par. 82). Het EHRM stelt in algemene overwegingen voorop dat de
‘interpretation assistance provided should be such as to enable the defendant to have knowledge of the case against him and to defend himself, notably by being able to put before the court his version of the events’. En dat de verplichtingen van ‘
the competent authorities is not limited to the appointment of an interpreter but, if they are put on notice in the particular circumstances, may also extend to a degree of subsequent control over the adequacy of the interpretation provided’(par. 74). Over de klacht in de zaak zelf overwoog het EHRM daarna het volgende:

83. The interpretation at the trial was not simultaneous but consecutive and summarising; in particular, questions put to the witnesses were not interpreted (…). This in itself does not suffice to establish a violation of sub-paragraphs (d) or (e) of Article 6 § 3 (art. 6-3-d, art. 6-3-e), but is one factor along with others to be considered.
The record of the trial, which is seventeen pages long, notes the attendance throughout of a registered interpreter, without however specifying the extent of the interpretation provided (…). On the other hand, it summarises in some detail the substance of the evidence given as well as various declarations made by or on behalf of Mr Kamasinski. Those declarations do not include any objection, formal or informal, by Mr Kamasinski or his lawyer regarding the quality or scope of the interpretation.
The Court does not find it substantiated on the evidence taken as a whole that Mr Kamasinski was unable because of deficient interpretation either to understand the evidence being given against him or to have witnesses examined or cross-examined on his behalf.’
20. Uit deze overweging kan worden afgeleid dat het EHRM bij de vraag of het door art. 6 EVRM Pro gegarandeerde recht op vertolking is geschonden, veel belang hecht aan klachten van de verdediging over de kwaliteit van de vertolking. In de onderhavige strafzaak geldt, net als in Kamasinski v. Oostenrijk, dat de ‘
declarations’ die namens de verdachte naar voren zijn gebracht geen bezwaren tegen de kwaliteit van de vertolking inhielden.
21. In Cuscani v. het Verenigd Koninkrijk constateerde de rechter tijdens de ‘
hearing concerning sentence’ die op 26 januari 1996 gehouden werd dat geen professionele tolk aanwezig was (par. 17). [5] De rechter vroeg ‘
whether anyone in court who knew the applicant was fluent in both English and Italian and could provide interpretation for the applicant. The applicant's counsel, without consulting his client, pointed out that the applicant's brother was present, and the court agreed to make use of him, if need be. The applicant's brother was never requested to translate any statement during the course of the hearing’ (par. 18). Het Court of Appeal weigerde ‘
leave to appeal’. De Home Secretary legde de zaak voor aan de Criminal Cases review Commission. Die stelde vast ‘
that it had interviewed the applicant via an Italian interpreter and that it was apparent from telephone conversations between the applicant and the Commission that he did not have a very good command of English’(par. 25). Het EHRM overwoog:

‘38. The Court observes that the applicant's alleged lack of proficiency in English and his inability to understand the proceedings became a live issue for the first time on 4 January 1996 when the trial court was informed by his legal team that the applicant wished to enter a guilty plea to the charges brought against him. At the request of the applicant's counsel, the trial judge directed that an interpreter be present at the hearing on sentence to be held on 26 January 1996 (…). The judge was thus put on clear notice that the applicant had problems of comprehension. However, notwithstanding his earlier concern to ensure that the applicant could follow the subsequent proceedings it would appear that the judge allowed himself to be persuaded by the applicant's counsel's confidence in his ability to “make do and mend” (). Admittedly, the trial judge left open the possibility of the applicant having recourse to the linguistic assistance of his brother if the need arose. However, in the Court's opinion the verification of the applicant's need for interpretation facilities was a matter for the judge to determine in consultation with the applicant, especially since he had been alerted to counsel's own difficulties in communicating with the applicant. It is to be noted that the applicant had pleaded guilty to serious charges and faced a heavy prison sentence. The onus was thus on the judge to reassure himself that the absence of an interpreter at the hearing on 26 January 1996 would not prejudice the applicant's full involvement in a matter of crucial importance for him. In the circumstances of the instant case, that requirement cannot be said to have been satisfied by leaving it to the applicant, and without the judge having consulted the latter, to invoke the untested language skills of his brother.

39. It is true that the conduct of the defence is essentially a matter between the defendant and his counsel, whether counsel be appointed under a legal aid scheme as in the applicant's case or be privately financed (…). However, the ultimate guardian of the fairness of the proceedings was the trial judge who had been clearly apprised of the real difficulties which the absence of interpretation might create for the applicant. It further observes that the domestic courts have already taken the view that in circumstances such as those in the instant case, judges are required to treat an accused's interest with “scrupulous care” (…).
40. Having regard to the above considerations, the Court concludes that there has been a violation of Article 6 § 1 of the Convention taken in conjunction with Article 6 § 3(e).’
22. Uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat de rechter niet alleen mag varen op signalen van de verdachte en zijn raadsman. Het is aan de rechter om vast te stellen of de afwezigheid van een tolk ‘
would not prejudice the applicant’s full involvement in a matter of crucial importance to him’. In de onderhavige strafzaak heeft het hof evenwel kennelijk aangenomen en kunnen aannemen dat aan dit vereiste niet is tekortgedaan. De verdachte gaf zelf aan dat hij het Nederlands ‘goed’ beheerste. Het hof heeft voorts niet alleen met de raadsvrouw, maar ook met de verdachte zelf gesproken over de mogelijkheid van telefonische vertolking, en zich daarbij een beeld gevormd van de beheersing van het Nederlands door de verdachte. Daarbij is, zij het via de telefoon, een professionele tolk ingeschakeld die alle noodzakelijke bijstand kon verlenen. En de verdachte heeft expliciet ingestemd met inschakeling van een telefonische tolk.
23. Ook de deelklacht inhoudend dat gebreken klevend aan de bijstand door de ingeschakelde tolk een schending van art. 6 EVRM Pro opleveren, faalt.
24. Het eerste middel faalt.
25. Het
tweedemiddel ziet op de bewijsvoering en bevat de klacht dat het hof ontoereikend zou hebben gerespondeerd op enkele uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. Voordat ik het middel bespreek geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, delen van de pleitnota en de bewijsoverwegingen weer.
26. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘hij in de periode van 1 juni 2016 tot en met 26 juli 2016, op diverse data, te [plaats], meermalen met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2001, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die (telkens) mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten (telkens):
- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer] en/of
- het brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het tongzoenen met die [slachtoffer].’
27. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
‘1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (…) voor zover inhoudende — zakelijk weergegeven —
als verklaring van [slachtoffer]:
Ik, [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2001, doe aangifte.
Mijn oom zei dat als je wilt praten kun je naar mij toe. Ik ging hem vertrouwen. Op een gegeven moment dan wou hij dat ik met andere mannen seks zou hebben. Toen durfde ik niet te zeggen dat ik dit niet wilde. Ik heb het toen wel gedaan en toen heeft hij filmpjes van mij gekregen van dat ik seks had met andere mannen.
Ik moest een account maken. Gewoon met mijn naam en dan een andere leeftijd. 19 geloof ik.
V: Wat kun je vertellen over de derde man die jij via een datingsite ontmoette en met wie je seks had?
A: Volgens mij was het een vluchteling. Hij zat in [plaats] in de opvang. Hij was 24 en sprak alleen Engels: Hij was kleiner dan mij. Hij had donker haar en donkere ogen. Hij is naar een ander asielzoekerscentrum gegaan. Ik moest ook seks met hem hebben bij de […]. (..) Zijn haar was zwart en iets langer. Niet kort maar een soort pony. Stijl haar tot in de nek. Postuur was slank en dun. Hij had een blanke huidskleur.
V: Via welke datingsite kwam dit contact tot stand?
A: Hot or Not
V. Wanneer vond dit derde contact plaats?
A. Ook in de zomerperiode.
V. Wist de derde man wat jouw leeftijd was op het moment dat hij seks met jou had?
A. Nee.
V: Wat vond deze man dat je het filmde?
A: Dat wou hij liever niet. Ik probeerde het door te zetten.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor aangeefster (…) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als verklaring van [slachtoffer]:
‘V: Wij komen WhatsApp-gesprekken tegen die jij gevoerd hebt met een man die in jouw telefoon opgeslagen staat onder de naam “brute asielzoeker”.
A: Dat is ook een jongen, man die ik had gevonden via Hot or Not. [betrokkene 5] vond het mooi dat ik een asielzoeker had gevonden en wilde dat ik er seks mee zou hebben. Zijn naam was zoiets als ‘[verdachte]’ en hij woonde op het Asielzoekerscentrum […].
V: Waarom staat hij als ‘brute asielzoeker’ in jouw contactenlijst?
A: Dat wilde [betrokkene 5]. Dan wist [betrokkene 5], als ik de chats met die [verdachte] doorstuurde, over wie het ging.
V: Hoe vaak had je contact met [verdachte]?
A: In het begin geregeld. Wel iedere dag. Dat duurde ongeveer een week en later mocht ik geen contact meer hebben met hem van [betrokkene 5]. Ik moest van hem het contact met [verdachte] blokkeren. Dat heb ik ook gedaan.
V: Waar bestond jullie contact uit?
A: WhatsApp.
V: In een van de gesprekken tussen jullie lezen we dat hij aangeeft dat hij in de krant staat met zijn voetbalteam. Hij stuurt jou dan een foto van een voetbalteam. Wie op deze foto is "de brute asielzoeker".?
A: Het is deze.
O: We tonen de aangeefster een foto met daarop voetballers. Deze foto zal als bijlage A worden toegevoegd bij deze verklaring. De aangeefster omcirkelt de persoon wie zij beschrijft als [verdachte]/ brute asielzoeker. Het betreft de man op de voorste rij, tweede van rechts.
V: Wij laten jou de Whatsapp sessie met de brute asielzoeker zien. We zullen deze aan het proces-verbaal toevoegen als Bijlage B. Kun je zeggen wat je ziet?
A: Die lange stukken Engelse tekst heeft [betrokkene 5] mij gestuurd en die moest ik dan sturen naar [verdachte]. Dat is de tekst op 4 juli 2016.
V: Omschrijf jullie eerste ontmoeting eens?
A: Toen hadden we geen seks. Gewoon praten en toen ben ik ook weer naar huis gegaan. Bij de tweede ontmoeting is er wel seks geweest.
V: Wiens idee was het om seks te hebben?
A: Dat moest van [betrokkene 5]. Dat heeft hij gezegd.
V: Wat voor soort seks hebben jullie gehad?
A: Vaginale seks, pijpen en vingeren en tongzoenen.
V: Was dat met of zonder condoom?
A: Zonder.
V: Waar hadden jullie seks?
A: Bij de […] (
het hof begrijpt: In [plaats])
V: Wat voor afspraken hebben jullie gemaakt voor het hebben van seks?
A: Dat hadden we van tevoren op de WhatsApp besproken, om seks te hebben.
V: Heeft [betrokkene 5] deze man wel eens gezien?
A: Een keer, ook bij de Beersterplas. Ik geloof dat [betrokkene 5] mij toen heeft gevingerd.
V: Bedoel je dan een trio?
A: Ja. Die man vond het in het begin niet leuk maar daarna wel. Het gebeurde wel zeg maar.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal bevindingen (…) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als relaas van verbalisant [verbalisant 1]:
Daarna zijn er zogenaamde printscreens gemaakt van de filmpjes waarin te zien is dat [slachtoffer] seks heeft met een man. Deze printscreens behoren bij de volgende video's.
Printscreen 1:
- hoort bij video VID.20160708-WA.0000mp4;
- op deze video is te zien dat een man haar tijdens de seks slaat en haar hoofd naar achteren trekt; - de man heeft bakkebaarden en baardgroei onderaan zijn kin; verder draagt hij een grote ring aan zijn rechterhand;
- wordt als bijlage gevoegd bij dit proces-verbaal.
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aantreffen “brute asielzoeker” op HTC One (…) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als relaas van verbalisant [verbalisant 1]:
In de HTC One van [slachtoffer] zijn WhatsApp berichten tussen [telefoonnummer 1].whatsappnet en Brute Asielzoeker [telefoonnummer 2]@s.whatsapp.net aangetroffen.
Uit onderzoek is gebleken dat N .[slachtoffer] het telefoonnummer [telefoonnummer 1] in gebruik heeft.
- er is Whatsapp contact geweest in de periode 16-6-2016 tot en met 9-9-2016
- de meest relevante apps voor dit onderzoek naar de “brute asielzoeker” zijn hieronder beschreven:
17-6-2016 om 20:47 uurappt de brute asielzoeker: sent me the video I want to see it, vervolgens ontvangt hij van aangeefster op 17-6-20 16 om 20:49 uur het videobestand VID-20160617-WA0004.mp4. (Created 17-6-2016 20:51 uur) Opmerking verbalisant: Op deze video is te zien dat aangeefster een man pijpt, je hoort de aangeefster in het Engels o.a. tegen de man zeggen; “relax, I do not film your head. Nadat dit is gezegd gaat aangeefster verder met pijpen en stopt de video.
17-6-2016 om 20:57 uurappt de brute asielzoeker: There is other video I guess that I cum, vervolgens ontvangt hij van aangeefster op 17-06-2016 om 21.00 uur het videobestand VID-20160617 - WA0005:mp4. Opmerking verbalisant: Op deze video is in het begin te horen dat aangeefster, in het Engels, zegt: “relax, I do not film your head”. Daarna zie je dat aangeefster verdergaat met het pijpen van de man, je ziet kort daarna dat de man is klaar gekomen in de mond van aangeefster en dat zij sperma van zijn penis likt en hem aankijkt.
23-6-2016 om 16:39 uurappt de brute asielzoeker: Tomorrow I have football match at [plaats] ([plaats]*), hij vraagt of aangeefster met haar vader en vriend komen kijken.
Aangeefster zegt: No, sorry en stuurt na een paar minuten de volgende app
23-6-2016 om 16:42 uurappt aangeefster: “Next week my boyfriend want fuck me with you together”;
23-6-2016 om 16:42 uurappt de brute asielzoeker: “But first I want to see your boyfriend and talk with hum near the bridge if he want to be friends first”
23-6-2016 om 16:47 uurappt aangeefster: “Ask you brother If he want to fuck with us”
23-6-2016 om 16:48 uurappt de brute asielzoeker: “OK I will ask him and replay you”

23.6-2016 om 21:02 uurappt de brute asielzoeker: “He is agree I asked him”

24-6-2016 tussen 10:57 uur en 11:40 uurgaan de whatsapp gesprekken tussen aangeefster en de brute asielzoeker over een trio met de verdachte (
het hof begrijpt: de oom van aangeefster). Verdachte wil een afspraak met brute asielzoeker en aangeefster. Verdachte zal dan de brute asielzoeker laten zien hoe hij seks moet hebben met aangeefster. Ondertussen zal de aangeefster de brute asielzoeker pijpen.
24-6-2016 om 15:14 uurbedankt de brute asielzoeker aangeefster voor “the nice time with you and boyfriend”.
24-6-2016 om 22.43 uurvraagt aangeefster naar de voetbalwedstrijd, die de brute asielzoeker heeft gespeeld en hij zegt dan dat ze hebben verloren omdat “You suck my dick so hard”.

28.6-2016 om 8:10 uurappt aangeefster: ‘Today after school fuck”

28.6-2016 om 10:40 uurappt brute asielzoeker: “At what time baby”

28.6-2016 om 10:53 uurappt aangeefster: “Naw”

28.6-2016 om 11:21 uurappt aangeefster: “I arrived”

28.6-2016 om 11:23 uurappt brute asielzoeker: ‘I’m coming”

28.6-2016 om 18:11 uurappt aangeefster: “Tomorrow try again fuck”

28-6-2016 om 21:10 uurappt aangeefster: “Maybe you can take some friend tomorrow?”
De brute asielzoeker appt dat hij liever alleen komt of met zijn broer maar aangeefster wil niet dat de broer meekomt.
29- 6-2016 om 9:47 uurappt aangeefster: “When I arrived me sent message to you”

29.6-2016 om 11:19 uurappt aangeefster: “I arrived”

29.6-2016 om 11:20 uurappt de brute asielzoeker: “OK. I will come”

29.6-2016 om 14:22 uurappt de brute asielzoeker: “Sent me our video”

30-6-2016 om 13:47 uurontvangt de brute asielzoeker van aangeefster een videobestand VlD-20160630-WA0002.mp4 (created 30-6-2016 13:53 uur)
30-6-2016 om 14:18 uurappt de brute asielzoeker: “I liked the video it’s nice”
30-6-2016 om 14:26 uurappt de brute asielzoeker: “We should make more videos” en “I’m joking ni I don’t like videos”

2.7-2016 om 14:09 uurappt de brute asielzoeker: “Baby I’m on the newspaper”

4.7-2016 om 13:08 uurappt de aangeefster: “Today fuck?”

4.7-2016 om 13:10 uurappt de brute asielzoeker: “Yes”

4-7-2016 om 13:40 uurappt de aangeefster: “My boyfriend said he want you to hit me and stuff like that when you make my on the three so T can’t go anywhere and he want you to film that with my phone

4.7-2016 om 13:42 uurappt de brute asielzoeker: “Say hey to your boyfriend”

4.7-2016 om 13:43 uurappt de brute asielzoeker: “And OK I will”

4.7-2016 om 13:43 uurappt aangeefster: “Ok”

4.7-2016 om 13:43uur appt de brute asielzoeker: “But don’t say no”.

4-7-2016 om 13:53 uurappt aangeefster: “i want you to tigh me up against a tree when i am but naked and then you wil hit me on mij tits my pussy and my face en I want you to put your hand around my nek en squeeze my nek and I want you to rape me very hard and no mercy for me I want you to really rape me brutal and you must film it all for [betrokkene 5] okay?
4-7-2016 om 13:53 uurappt de brute asielzoeker: “But baby if anyone came and see he will misunderstand that he will thought I really rape you” Say to [betrokkene 5] I prefer if we bath do that to you” “Me and [betrokkene 5]”

4.7-2016 om 13:59 uurappt de brute asielzoeker: “At evening we meet!””

4.7-2016 om 14:06 uurappt aangeefster: “In done naw so come to the red tower”

4-7-2016 om 14:07 uurappt de brute asielzoeker: “T will change my clothes and come”

4.7-2016 om 16:21 uurappt de brute asielzoeker: “Did you reach baby”

4-7-2016 om 16:47 uurappt aangeefster: “Yes” “Wednesday [betrokkene 5] end you will fuck me”.
4-7-2016 om 17:36 uurappt de brute asielzoeker: “Sent me the video of today baby”
4-7-2016 om 18:19 uurontvangt de brute asielzoeker van aangeefster een videobestand VID-20160704-WA0002.mp4 { Created 4-7-2016 18:21 uur)
4-7-2016 om 18:20 uurappt aangeefster: Irn your slut and T want you to hit me harder Wednesday”
5-7-2016 om 10:29 uurappt de brute asielzoeker: “Where is our second video of yesterday”
5-7-2016 om 10:36 uurappt de brute asielzoeker: “And can you send me the other video of yesterday baby?!
5-7-2016 om 17:10 uurappt de brute asielzoeker: “My face is showed in the second video!
8-7-2016 om 17:21 uurontvangt de brute asielzoeker van aangeefster een videobestand. In deze video zie je aangeefster seks hebben met een man. Ze spreken Engels.
25-7-2016 om 11:24appt de brute asielzoeker: "My transfer is tomorrow baby" "I will really miss you"

25.7-2016om 11:25 appt aangeefster: "Where?"

25.7-2016appt de brute asielzoeker: "Ter Apel"

5.
Extraction Report whatsapp verkeerals bijlage bij het proces-verbaal Aantreffen "‘brute asielzoeker” op HTC One, (…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
[telefoonnummer 2]@s.whatsapp.net Brute Asielzoeker 5-7-2016 21:45:37(UTC+2) 19
My family decided we will go tomorrow to [plaats] to our relatives to spent eid there
6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal achterhalen ID [verdachte] (…) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3]:
Om de identiteit van de Brute Asielzoeker te achterhalen hebben wij de volgende gegevens gevonden uit de chats tussen [slachtoffer] en “brute asielzoeker”;
• De “brute asielzoeker” zat tijdens de periode dat hij contact had met [slachtoffer], in het AZC […].
• De “brute asielzoeker” heeft een broer.
• De “brute asielzoeker” heeft een foto verstuurd naar [slachtoffer] van een voetbalelftal, waar hij als speler op staat.
• De “brute asielzoeker” gebruikte het mobiele nummer [telefoonnummer 2]
• Door de “brute asielzoeker” wordt in de Engelse taal gevraagd om de seksfilmpjes.
• Op 26 juli 2016 werd de “brute asielzoeker” van AZC […] naar Ter Apel verplaatst.
Uit het verhoor met [slachtoffer]:
• wijst [slachtoffer] op de getoonde elftalfoto, op de onderste rij, de 2° persoon van rechts aan als zijnde de “brute asielzoeker”
• [slachtoffer] geeft aan dat de “brute asielzoeker” [verdachte] zou heten.
• De “brute asielzoeker” woonde op het AZC […].
Met deze gegevens ben ik op zoek gegaan naar de identiteit van de “brute asielzoeker”. In de bewonerslijsten AZC […] ben ik gaan zoeken naar mannen die [verdachte] heten en een broer hebben.
[verdachte] voldoet op de volgende punten aan die van de “brute asielzoeker”
- Heet [verdachte]
- Heeft een broer
- Woonde in AZC […]
- Is op 26 juli 2016 naar Ter Apel verhuisd.
Ik heb contact gelegd met de vreemdelingenpolitie om bevestiging te krijgen dat de persoon op de teamfoto, door aangeefster aangewezen als de “brute asielzoeker”, daadwerkelijk [verdachte] is. Ik hoorde de COA-medewerker zeggen: ‘'Volgens mij is dit hem” en liet vervolgens in zijn computersysteem een persoon zien. Deze persoon was [verdachte]. Ik hoorde hem zeggen: “[verdachte] is hier zojuist aan de balie geweest. Daardoor herken ik de jongen op de teamfoto ook gelijk als [verdachte].”
7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor bevindingen (…) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 1]:
Door mij verbalisant is het volgende filmpje beschreven:
VID-20160630-WA0002.mp4 ( Created 30-6-2016 13:53 uur)
(..) De man zit met zijn linkerhand bij zijn gulp en gaat met zijn hand heen en weer. (..) Dan doet de vrouw haar slipje een beetje naar beneden en gaat de man met zijn linkerhand in het slipje. (..) De man doet zijn linkerhand dan om de keel bij [slachtoffer]. (..) De man legt zijn hand op de hals van [slachtoffer]. Ik verbalisant [verbalisant 4] zie dat de man zijn twee handen om de nek/hals van [slachtoffer] heeft. [slachtoffer] kijkt met haar mond open in de camera. Ik zie dat de man een grote zilverkleurige ring om zijn rechter ringvinger heeft.
8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal bevindingen (…) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 5]:
Voor de insluiting van verdachte [verdachte] werd hij gefouilleerd en daarbij werd een zilveren ring aangetroffen om de ringvinger van zijn rechterhand. Deze ring werd in het daartoe aanwezige afgesloten kluisje gedeponeerd.
In het onderzoek Ritari zijn diverse videobestanden aangetroffen waaronder: VID-20160630.WA0002.mp4 en VID-20160708.WA000O.mp4.
In beide video’s is te zien dat aangeefster [slachtoffer] seks heeft met een man die een grote ring om de ringvinger draagt.
9. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor getuige (…) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als verklaring van [betrokkene 3]:
V: Wat is jouw telefoonnummer?
A: 06-[telefoonnummer 3]
V: Wat kan jij je herinneren van de zomer 2016?
A: Nou ja, dat was de zomer, dat de noodopvang aanwezig was in het dorp. Toen zijn we een jaar niet op vakantie geweest. Gewoon thuis gebleven. Ben zelf één of twee dagen op het festival [festival]. Er waren toen twee gezinnen heel snel weg zonder dat ik ze gedag kon zeggen. Een groep asielzoekers is toen ook werkzaam geweest op het festival [festival]. Daar ben ik overigens niet als vrijwilliger actief geweest. We hadden vrij veel contact met twee jongens van een gezin en die hebben onze tent geleend omdat ze niets hadden om te overnachten.
V: Wat waren dat voor jongens.
A: Dat zijn [verdachte] en [betrokkene 2]. Waarom was ik betrokken bij die jongens. Ik heb geregeld dat ze af en toe mee konden voetballen met het team uit [plaats].
V: [verdachte] en [betrokkene 2]. Wat zijn dat van elkaar.
A: Dat zijn twee broers. Ze zijn met hun ouders naar Nederland gekomen. Ze kwamen uit Irak. Hele open vriendelijke jongens. Die eigenlijk wel iets te doen wilden hebben. Ze hielpen wel bij ons in de tuin. Ze wilden graag wat doen. Ze hebben samen met hun vader geholpen bij de opbouw van [festival].
O: Wij verbalisanten tonen de getuige een afbeelding van voetballers en vragen de getuige hierop te reageren. Deze bijlage zal als bijlage 1 worden toegevoegd bij dit proces-verbaal.
V: In hoeverre herkend u personen die op deze afbeelding staan?
A: Nou ja dit is [betrokkene 2], door getuige wordt de naam en een pijl gezet op de foto. Dit is [verdachte].
O: Wij verbalisanten tonen de getuige een afbeelding van [verdachte] en vragen de getuige hierop te reageren. Deze bijlage zal als bijlage 2 worden toegevoegd bij dit proces-verbaal.
V: Wij laten u een foto zien en vragen u daarop te reageren?
A: Ja, dat is [verdachte].
V: En het nummer van [verdachte].
A: Deze is van februari vorig jaar. Dit is het nummer van [verdachte]: +[telefoonnummer 2]
O: Wij verbalisanten tonen de getuige sms berichten verstuurd met het telefoonnummer dat in gebruik is bij de getuige. Deze sms berichten zullen als bijlage 3 worden toegevoegd bij dit proces-verbaal.
V: Wij hebben een aantal sms berichten die binnen ons onderzoek naar voren zijn gekomen. Wij willen u vragen in hoeverre u dit al dan niet herkend?
A: Ja, het schapenveld is het hoofdveld bij [festival]. Ik had dit bericht naar [betrokkene 2] gestuurd. Ik was toen 's avonds met mijn vriend daar. We wilden wel even een drankje met ze doen. Ik kon toen al moeilijk contact met ze krijgen. We zijn toen een paar dagen weggeweest. Ze waren toen verhuisd naar Ter Apel. Ik ben daar nog op bezoek geweest. Na Ter Apel gingen ze naar Delfzijl en ze zijn nog een poosje op de boot geweest. Maar ik had bijna geen contact meer. Ik had niet verwacht dat het onderzoek om deze jongens ging.
O: Wij verbalisanten tonen de getuige sms berichten verstuurd met het telefoonnummer dat in gebruik is bij de getuige. Deze sms berichten zullen als bijlage 4 worden toegevoegd bij dit proces-verbaal.
A: Ja, dat zijn wel berichtjes die door mij gestuurd kunnen zijn.
V: En de telefoonnummers.
A: Ja, die ene is van mij. Maar de jongens wisselden wel eens van nummers dus ik zette er toen al geen naam meer bij. Dat nummer wat u heeft staat niet meer in mijn telefoon. Ze hadden toen vaak een prepaid zodat ze konden bellen in Nederland. Dat andere nummer is, denk ik, van Irak en daar konden ze via de Wifi mee WhatsAppen.
10.
WhatsApp berichten tussen getuige [betrokkene 3] en [verdachte]als bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen, (…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
15-06-16 18:46[betrokkene 3]: Next friday is the 24th .. and than you have also the match in [plaats].
11. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor verdachte (…) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als verklaring van verdachte:
V: Waar ging je in Nederland wonen?
A: We woonden eerst in [plaats]. Dat was bij een oom van mijn moederskant; Daarna zijn we naar Ter Apel gegaan om asiel aan te vragen. Mijn oom wist niet dat we asiel aan gingen vragen. Eerst in Ter Apel toen in [plaats]. Daarna […] en toen weer ter Apel.
V: Hoe, was de gezinssamenstelling van het gezin waarin je bent opgegroeid?
A: Vader, moeder, een jongere broer, [betrokkene 2] en ik.
V: We willen je even een foto voorleggen. Kun je hierop reageren?
O: Er wordt een foto van een voetbalelftal getoond uit het pv AH-053, bijlage 3.
A: Dat is het voetbal team. Die tweede van rechtsonder ben ik.
O: De verdachte herkent zichzelf. Er wordt op de afbeelding, bijlage 3, door de verdachte zelf aangegeven wie hij is. Hij schrijft ook namen van zijn medespelers eronder.
12. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor verdachte (…) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als verklaring van verdachte:
V: Je sprak zojuist al even oven over een chatsite. Welke site was dat?
A: Ik weet het echt niet meer.
V: Hoe zag die site eruit?
A: Je kon er foto's op bekijken. Iedereen heeft een foto. Ik weet niet meer hoe die site heet.
V: Wat voor soort site?
A: Sociale om elkaar te ontmoeten. Ontmoetingssite.
V: Wat bedoel je met ontmoeten?
A: Vrienden maken en sociale relatie hebben.
V: Hoe communiceerden jullie met elkaar?
A: Engels. Het grootste gedeelte. En soms sprak ik niet zo goed Nederlands.
V: Onder welke naam?
A: [verdachte].
V: Hoe zoek je dan andere mensen op die site?
A: Je ziet een foto. En dan druk je op een hart en als die persoon jou leuk vindt, dan kan die persoon reageren. Anders niet.
V: Ben jij links of rechtshandig?
A: Linkshandig
V: In hoeverre draag jij sieraden?
A: Ik draag een kruis om mijn nek en een ring om mijn rechterringvinger.
V: Omschrijf die ring eens.
A: Zilver met twee dingen getekend. Beiden kanten twee dadelbomen en nog een zwaard en nog een andere zwaard. Dat was een cadeau van mijn moeder, toen wij uit Irak vertrokken.
V: Hoe vaak draag jij die ring?
A: Ik heb hem altijd om sinds 2007.
13. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor verdachte (…) voor zover inhoudende — zakelijk weergegeven -
als verklaring van verdachte:
V: In hoeverre heb jij als vrijwilliger gewerkt bij festivals
A: Ja, dat klopt. Dat was bij [festival].’
28. De overgelegde pleitnota aan de hand waarvan de raadsvrouw van de verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep het woord tot verdediging heeft gevoerd houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten en verwijzingen):
‘De aangifte van [slachtoffer]
5. Cliënt ontkent stellig dat hij [slachtoffer] kent en dat hij de onbekende man is met wie [slachtoffer] seks heeft gehad. Ook [slachtoffer] verklaart niet dat [verdachte] deze onbekende man is. De politie duwt haar tijdens het opnemen van de aangifte subtiel richting die conclusie.
6. Als we de verklaring van [slachtoffer] goed lezen, zien we namelijk dat zij in eerste instantie een nogal algemene omschrijving geeft van de onbekende man. Ze schetst een profiel waaraan veel mensen voldoen. Sterker nog, het profiel van cliënt wijkt op cruciale punten af van de omschrijving die [slachtoffer] van de onbekende man geeft.
7. Als de politie vraagt hoe de onbekende man heet antwoordt ze '[naam]'. Of het 'iets met [verdachte] was' weet ze niet zeker. Ze weet niet uit welk land de onbekende man komt. Verder vertelt [slachtoffer] dat de onbekende man uit […] komt. De recherche vult in dat ze hiermee wel het (oude) asielzoekerscentrum zou bedoelen. Voorts verklaart [slachtoffer] dat de onbekende man een blanke huidskleur had (…). Dit strookt niet met het uiterlijk van cliënt.
8. Als de politie [slachtoffer] vervolgens een foto toont van het voetbalteam waarin ook cliënt zit, wijst [slachtoffer] cliënt aan. De foto waarop [slachtoffer] cliënt herkent is echter vaag en onduidelijk. De verdediging kan zo niet toetsen of deze herkenning betrouwbaar is. Er zijn aanwijzingen dat dit niet het geval is. De recherche vraagt [slachtoffer] bijvoorbeeld niet of de onbekende man op de foto staat, maar of ze
'kan aanwijzen wie [verdachte] is'. Een sturende vraag. Uit het op mijn verzoek opgemaakte aanvullende proces-verbaal van bevindingen (d.d. 6 oktober 2020), blijkt dat een van de rechercheurs als ze de foto toont zegt
'als het goed is moet hij een rood shirtje aanhebben.' Hierdoor valt bijna de helft van de mannen op de foto af.
9. Ook is vanwege de slechte kwaliteit niet toetsbaar of op de foto meerdere spelers staan die in het door [slachtoffer] geschetste profiel passen. Als dit niet het geval is, zal [slachtoffer] eerder geneigd zijn cliënt aan te wijzen en is de herkenning onbetrouwbaar. Uit het aanvullend proces-verbaal blijkt dat [slachtoffer] cliënt niet met dezelfde stelligheid aanwijst als de aanvankelijke uitwerking van het verhoor suggereert (
'ik zit even te kijken....'). Van belang is dat op het moment dat [slachtoffer] cliënt aanwees al anderhalf jaar was verstreken sinds de ten laste gelegde periode.
10. Inmiddels heb ik van het Openbaar Ministerie een kleurenfoto ontvangen. Deze foto is nog steeds erg gepixeld. Ik zou cliënt bijvoorbeeld zelf niet op deze foto kunnen herkennen (
bijlage 1). De betrouwbaarheid van de herkenning door [slachtoffer] kan hierdoor nog steeds niet getoetst worden.
11. [slachtoffer] is de enige die cliënt als de onbekende man heeft herkend. De oom van [slachtoffer] heeft cliënt niet als de onbekende man aangewezen (…). Ook de verbalisanten hebben cliënt niet op de aangetroffen filmpjes herkend. Overigens maakt het feit dat op de filmpjes Engels te horen zou zijn dit niet anders, nu ook andere verdachten in dit onderzoek Engels spraken. De herkenning door [slachtoffer] is kortom op zichzelf onvoldoende betrouwbaar.
12. Hoe dan ook; zelfs als u de herkenning van [slachtoffer] wel betrouwbaar acht, vormt deze op zichzelf onvoldoende wettig bewijs (art. 342 lid 2 Sv Pro). Cliënt wil graag benadrukken dat er geen DNA van hem is aangetroffen. De WhatsApp-gesprekken en de verklaring van getuige [betrokkene 3] leveren volgens cliënt ook onvoldoende steunbewijs op. Ik licht dit toe.
WhatsApp-gesprekken
13. Cliënt heeft altijd ontkend de gebruiker van het WhatsApp-nummer uit het dossier te zijn geweest. Nu de politie de houder van dit nummer niet heeft weten te achterhalen, meent hij dat de WhatsApp-gesprekken niet redengevend kunnen zijn voor het bewijs. Cliënt maakte gebruik van een Nederlands telefoonnummer (en oud telefoonmerk) dat door de vreemdelingenpolitie is geregistreerd toen hij in Nederland aankwam. Ik heb de documenten waaruit dit blijkt opgevraagd bij de IND (
bijlage 2). Helaas heb ik hierop nog geen reactie ontvangen van de IND. Indien uw Hof twijfelt of cliënt een ander (Nederlands) telefoonnummer had toen hij zich registreerde, verzoek ik u de reactie van de IND af te wachten.
14. Cliënt vindt het gelet op het voorgaande niet belangrijk de inhoud van de WhatsApp-gesprekken met het buitenlandse nummer te bespreken. Toch vind ik het van belang nog enkele opmerkingen te maken over de inhoud van deze gesprekken.
15. Uit de WhatsApp-gesprekken die [slachtoffer] met de onbekende man voerde leidt de politie het volgende af over zijn identiteit. De onbekende man:
a) woonde in AZC […]
b) heeft een broer
c) speelde in een voetbalteam
d) is op 26 juli 2016 overgeplaatst naar Ter Apel
e) heeft familie in [plaats]
f) is naar Festival [festival] geweest
16. Deze kenmerken zijn onvoldoende identificerend. Zij zijn niet alleen op cliënt van toepassing. Aannemelijk is dat ook andere asielzoekers in de noodopvang aan deze criteria voldeden.
17. Zo was de noodopvang bij […] voor maximaal 1000 vluchtelingen ingericht. Het is een feit van algemene bekendheid dat veel asielzoekers samen met familieleden (broers, zussen, partners en/of ouders) naar Nederland komen en in asielzoekerscentra verblijven. Ook is onaannemelijk dat cliënt de enige asielzoeker was die op 26 juli 2016 naar Ter Apel is overgeplaatst. Het is gebruikelijk dat vluchtelingen vanuit een noodopvang naar een asielcentrum verhuizen, zodra men hun aanvraag in behandeling neemt. Uit de WhatsAppgesprekken in het dossier volgt dat regelmatig mensen uit […] werden overgeplaatst. Zo appt de gebruiker van het 96 nummer op 27 mei 2016 aan getuige [betrokkene 3]: ‘
a lot of people have a transfer this weekend. [betrokkene 6] and [betrokkene 7] are leaving'. (…).
18. Dat cliënt - net als de onbekende man - ook familie in [plaats] zou hebben doet hieraan niet af. [plaats] is een grote stad waar ook een asielzoekerscentrum is gevestigd (AZC [plaats]). We kunnen niet uitsluiten dat andere gezinnen in […] familieleden in [plaats] hebben wonen. Dit is niet onaannemelijk en hiernaar is door de politie verder ook geen onderzoek gedaan.
19. Tot slot zijn er meerdere asielzoekers uit […] die het festival [festival] bezochten en in hun vrije tijd voetbalden. [betrokkene 3] bevestigt dit. Zij verklaart bijvoorbeeld dat het voetbalteam waarin cliënt zat een 'een samenstelling van jongens uit de opvang en […]' was (…). Ook verklaart zij dat er meerdere vluchtelingen naar Festival [festival] gingen. Uit een artikel van RTV Noord volgt dat in elk geval acht vluchtelingen uit het asielzoekerscentrum […] meewerkten aan de opbouw van de Danssilo. Aannemelijk is dat nog meer asielzoekers het festival bezochten.
20. Kortom; vaststaat dat in de ten laste gelegde periode een grote groep asielzoekers in de noodopvang […] woonde. Een deel daarvan voetbalde en ging naar het Festival [festival]. Niet onaannemelijk is dat - naast cliënt - meerdere mensen uit die groep uiteindelijk zijn overgeplaatst naar AZC Ter Apel. Ook is niet onaannemelijk dat meerdere mensen in die groep familie in Limburg hadden. Hiernaar is door de politie geen nader onderzoek gedaan. Ook deze gesprekken vormen daarom onvoldoende steunbewijs voor de herkenning door [slachtoffer].
Verklaring [betrokkene 3]
21. Tot slot heeft de rechtbank de veroordeling gebaseerd op de verklaring van [betrokkene 3]. Cliënt wil benadrukken dat hij getuige [betrokkene 3] niet kent. Vanwege de slechte kwaliteit van de foto's is de herkenning door [betrokkene 3] opnieuw niet toetsbaar (…). Van cliënt hoeven we vandaag dan ook niet de inhoud van haar verklaring te bespreken. Toch vind ik het van belang nog enkele opmerkingen te maken over de inhoud van haar verklaring.
22. Getuige [betrokkene 3] verklaarde niet dat cliënt degene was die met het onbekende nummer [slachtoffer] appte, zij zei enkel dat ze met dit nummer contact had met cliënt. Zoals gezegd ontkent cliënt dit. Over het nummer in kwestie verklaart zij vervolgens: 'Deze is van februari vorig jaar. Dit is het nummer van [verdachte]' (…). De politie verhoort haar in februari 2018. Februari vorig jaar is dus februari 2017. Dat is ruim na de ten laste gelegde periode. Ook daarom kan haar verklaring niet redengevend zijn voor het bewijs.

Conclusie

23. Dat cliënt de onbekende man is die seks met [slachtoffer] had, vindt al met al onvoldoende steun in het dossier. De herkenning door [slachtoffer] is niet betrouwbaar. Bovendien bevat het dossier voor de herkenning van [slachtoffer] onvoldoende steunbewijs. Cliënt vindt het tot slot belangrijk te benadrukken dat hij ook vindt dat het dossier voor de herkenning door getuige [betrokkene 3] onvoldoende steunbewijs bevat.
24. De kern van het dossier vormen de WhatsAppgesprekken met het 96 nummer (van 'de brute asielzoeker'). De gebruiker van dit nummer blijft onbekend. Cliënt meent dat er daarom onvoldoende bewijs is voor het ten laste gelegde en verzoekt uw Hof hem vrij te spreken.’
29. Het hof heeft in het bestreden arrest onder meer het volgende overwogen:
‘Standpunt verdediging
Verdachte heeft vanaf zijn allereerste verhoor bij de politie ontkend dat hij iets met de zaak te maken heeft. Dit heeft hij herhaald bij de rechtbank, in zijn brieven die hij naar het openbaar ministerie en naar het hof heeft gestuurd en ook tijdens de behandeling van zijn zaak in hoger beroep. Hij kent aangeefster niet en ook de getuige [betrokkene 3] die over hem heeft verklaard kent hij. niet. Verdachte heeft bovendien geen gebruik gemaakt van het telefoonnummer waarmee aangeefster contact gehad heeft; het telefoonnummer dat hoort bij de ‘brute asielzoeker’.
Er is ook onvoldoende bewijs dat verdachte deze persoon is. Aangeefster is door de politie in een bepaalde richting geduwd waardoor zij verdachte heeft aangewezen als de persoon met wie zij seks heeft gehad. De foto op basis waarvan aangeefster verdachte herkend heeft, is van slechte kwaliteit. De herkenning is daarmee onbetrouwbaar. Dit geldt ook voor de herkenning van dezelfde foto door getuige [betrokkene 3]. De politie heeft de houder van het whatsapp-nummer niet weten te achterhalen. De kenmerken die door de politie over de identiteit van de onbekende man zijn vastgesteld, zijn bovendien onvoldoende onderscheidend. Aannemelijk is dat ook andere asielzoekers in de noodopvang aan deze criteria voldeden.
(…)
Oordeel hof
Het hof begint met het weergeven van de feiten en omstandigheden waar het hof op basis van de wettige bewijsmiddelen van uitgaat en die verder ook niet ter discussie staan.
Uit de verklaringen van aangeefster, geboren op 28 december 2001, volgt dat zij van haar oom seks met andere mannen moest hebben en dat zij via een (seks)datingwebsite onder andere in contact is gekomen met een man uit het AZC in […] in [plaats]. Via WhatsApp heeft ze met deze man gechat en verschillende seksafspraken met hem gemaakt. Het contact was in haar telefoon opgeslagen als ‘brute asielzoeker’. De seks vond plaats in de periode van 1 juni 2016 tot en met 26 juli 2016. Aangeefster was toen veertien jaar oud. De seks werd telkens in opdracht van haar oom gefilmd en die oom was ook een keer aanwezig tijdens de seksafspraak.
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.
In de periode van 16 juni 2016 tot en met 9 september 2016 heeft aangeefster veelvuldig whatsapp-contact gehad met een persoon die zij als contact in haar telefoon had staan als de ‘brute asielzoeker’. Deze persoon maakte gebruikt van het whatsapp-nummer [telefoonnummer 2]. Verdachte ontkent dat hij dit nummer heeft gebruikt.
Deze ontkenning wordt echter weersproken door verschillende bewijsmiddelen.
Aangeefster heeft verdachte aangewezen op de zich bij de stukken bevindende foto van verdachtes voetbalteam. Zij heeft hem herkend als de man die in haar telefoon staat als de ‘brute asielzoeker’. Verdachte heeft zichzelf overigens ook op dezelfde plek afgebeeld op deze foto herkend en de man met wie aangeefster contact had heeft deze foto zelf naar haar verzonden.
Getuige [betrokkene 3] heeft verklaard dat zij contact had met verdachte op voornoemd whatsapp-nummer. Haar telefoonnummer is ook aangetroffen in de inbeslaggenomen telefoon van verdachte. Hierin werden drie sms-berichten van haar aan verdachte aangetroffen. In deze berichten wordt geschreven dat zij heeft geprobeerd verdachte te bereiken op whatsapp. Zij heeft verdachte herkend op de foto uit de krant van het voetbalteam waar verdachte in speelde. Gelet op de gedetailleerde en overwegend positieve verklaringen van de getuige over verdachte en zijn familie heeft het hof geen redenen om eraan te twijfelen dat [betrokkene 3] (veel) contact met verdachte had in de tenlastegelegde periode. Daardoor is niet aannemelijk dat zij verdachte mogelijk verwart met iemand anders of dat zij over deze herkenning zou hebben gelogen. De verklaring van verdachte dat hij [betrokkene 3] niet kent, acht het hof dan ook niet geloofwaardig.
Daar komt bij dat uit de whatsapp-berichten, de verklaringen van aangeefster en andere bewijsmiddelen in het dossier verschillende specifieke en persoonlijke gegevens naar voren zijn gekomen die overeenkomen met kenmerken van verdachte. Het hof somt deze gegevens op:
- de man heet volgens aangeefster [verdachte], net als verdachte;
- de ring van verdachte vertoont overeenkomsten met de ring die de man draagt die te zien is op een van de video-opnames;
- de man is linkshandig, net als verdachte;
- de man bevindt zich op een datingsite, net als verdachte;
- de man schrijft aan aangeefster dat hij op 24 juni 2016 een wedstrijd speelt tegen [plaats]; verdachte moest op die dag tegen deze club spelen,
- de man is op 26 juli 2016 overgeplaatst naar AZC Ter Apel, net als verdachte;
- de man werkte op het festival [festival], net als verdachte;
- de man heeft familie in [plaats], net als verdachte;
- de man heeft een broer genaamd [betrokkene 2], net als verdachte;
- het door aangeefster opgegeven signalement van een lichte huid, zwart haar wat langer, slank en dun, komt overeen met het signalement van verdachte;
- het signalement op het filmpje: zwart wat langer haar met bakkebaarden, komt overeen met het signalement van verdachte;
- de man woonde in AZC […], net als verdachte.
Alles afwegende kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat het verdachte is geweest die via het telefoonnummer [telefoonnummer 2] contact had met aangeefster, dat het verdachte is geweest die meermalen seks met haar heeft gehad en dat het ook verdachte is geweest die op de filmpjes te zien is. Het verweer wordt verworpen.’
30. De eerste deelklacht houdt in dat het hof onvoldoende zou hebben gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, inhoudend dat het proces-verbaal van aangifte ‘in aanzienlijke mate afwijkt van de woordelijke uitwerking van de verklaring van aangeefster en dat er – mede om die reden – geen sprake is van een betrouwbare herkenning’. In de toelichting voert de steller van het middel aan dat hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht over de inhoud van de verklaringen van aangeefster [slachtoffer], en meer in het bijzonder ten aanzien van de betrouwbaarheid van de herkenning zoals die door haar zou zijn gedaan, bezwaarlijk anders kan worden aangemerkt dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het hof zou niet (voldoende begrijpelijk) hebben gereageerd op dit verweer, nu het ‘met geen woord’ zou hebben gerept over de (on)betrouwbaarheid van de herkenning zoals die door aangeefster is gedaan. In ieder geval zou niet zonder meer begrijpelijk zijn dat het hof ondanks de door de verdediging aan de hand van het ‘proces-verbaal letterlijke uitwerking’ onderbouwde betwisting van de bewoordingen waarmee aangeefster volgens het proces-verbaal van aangifte de naam ‘[verdachte]’ zou hebben genoemd, de herkenning vanaf de teamfoto toch voor het bewijs van het tenlastegelegde heeft gebruikt.
31. De raadsvrouw heeft aan de betwisting van de herkenning van verdachte door aangeefster ten grondslag gelegd dat de foto waarop aangeefster de verdachte herkent ‘vaag en onduidelijk’ is. Door de slechte kwaliteit zou niet toetsbaar zijn of op de foto meer spelers staan die in het door aangeefster geschetste profiel passen. Voorts zou de recherche door te vragen of aangeefster ‘kan aanwijzen wie [verdachte] is’ een sturende vraag hebben gesteld. De raadsvrouw heeft er voorts op gewezen dat uit een aanvullend proces-verbaal van bevindingen blijkt dat één van de rechercheurs toen ze de foto aan de aangeefster toonde heeft gezegd ‘als het goed is moet hij een rood shirtje aanhebben’, waardoor de helft van de mannen op de foto af viel. En aangeefster zou de verdachte niet met de stelligheid hebben aangewezen die de aanvankelijke uitwerking van het verhoor suggereert.
32. Het hof heeft inzake de herkenning van de verdachte door aangeefster overwogen dat de verdachte zichzelf ‘ook op dezelfde plek afgebeeld op deze foto’ heeft herkend, en dat ‘de man met wie aangeefster contact had (…) deze foto zelf naar haar verzonden’ heeft. Daarmee heeft het hof naar het mij voorkomt toereikend gerespondeerd op het aangevoerde voor zover dat ertoe strekt dat de herkenning van de verdachte door de aangeefster aan de hand van de foto onvoldoende betrouwbaar is. Voor zover de raadsvrouw heeft willen bestrijden dat de enkele herkenning van de verdachte door aangeefster ontoereikend bewijs is dat de verdachte zich aan het tenlastegelegde schuldig heeft gemaakt, wijs ik erop dat het hof in de bewijsoverwegingen een groot aantal feiten en omstandigheden heeft benoemd die erop wijzen dat de verdachte de man is die de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd.
33. Ik meen dat het hof toereikend heeft verduidelijkt waarom het is afgeweken van het standpunt dat de herkenning van de verdachte door aangeefster onvoldoende betrouwbaar zou zijn om tot het bewijs te kunnen worden gebezigd
34. Naar het mij voorkomt behoefde het hof het aangevoerde niet op te vatten als mede inhoudend een afzonderlijk uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, inhoudend dat het proces-verbaal van aangifte in aanzienlijke mate afwijkt van de woordelijke uitwerking van de verklaring van aangeefster en dat mede om die reden geen sprake is van een betrouwbare herkenning. De raadsvrouw stipt in de pleitnota aan dat aangeefster op de vraag hoe de onbekende man heet, eerst antwoordt met ‘[naam]’ en niet zeker weet of het ‘iets met [verdachte] was’. De raadsvrouw gaat vervolgens in op de herkenning door aangeefster van de verdachte aan de hand van de foto. De passages in de pleitnota onder het kopje ‘De aangifte van [slachtoffer]’ lopen uit op het standpunt dat de herkenning door aangeefster ‘op zichzelf onvoldoende betrouwbaar’ is. Het hof heeft aangegeven dat en waarom het daar anders over denkt. Dat aangeefster aanvankelijk geaarzeld zou hebben over de naam van verdachte speelt in verband met de betrouwbaarheid van die herkenning geen rol.
35. De steller van het middel klaagt voorts dat het hof onvoldoende begrijpelijk zou hebben gereageerd op het betoog dat de gebruiker van het Whatsapp-nummer waarmee aangeefster contact heeft gehad onbekend is gebleven en dat de kenmerken die uit deze gesprekken kunnen worden afgeleid onvoldoende identificerend zijn en niet alleen op de verdachte van toepassing zijn. Derhalve zou dit geen steunbewijs voor het daderschap van de verdachte kunnen opleveren. Het hof zou er blijkens de bewijsoverwegingen vanuit zijn gegaan dat de getuige [betrokkene 3] heeft verklaard dat zij contact met de verdachte had via Whatsapp op het nummer [telefoonnummer 2]. Dat zou echter niet uit haar tot het bewijs gebezigde verklaring volgen, nu daaruit naar voren komt dat behalve de verdachte ook zijn broer van dat nummer gebruik zou maken.
36. Dat uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van getuige [betrokkene 3] naar voren komt dat behalve de verdachte ook zijn broer van het betreffende telefoonnummer gebruik maakte, doet er niet aan af dat het hof uit haar verklaring heeft kunnen afleiden dat zij contact met de verdachte heeft gehad op dat whatsapp-nummer. Getuige [betrokkene 3] noemt het nummer daarin met zoveel woorden ‘het nummer van [verdachte]’ (bewijsmiddel 9). [6] Daarbij heeft het hof het oordeel dat het om het nummer van de verdachte ging ook op andere vaststellingen gebaseerd. Zo wijst het hof erop dat de man die van het whatsapp-nummer gebruik maakt, aan aangeefster schrijft dat hij op 24 juni 2016 een wedstrijd speelt tegen [plaats] en dat hij op 26 juli 2016 wordt overgeplaatst naar AZC Ter Apel. En dat beide feiten sporen met gebeurtenissen in het leven van verdachte. Voorts komt het signalement van de man op het filmpje (dat via de whatsapp-berichten is verzonden) overeen met het signalement van de verdachte.
37. Het hof heeft toereikend verduidelijkt waarom het van oordeel is dat het, alles afwegend, niet anders kan zijn dan dat het de verdachte is geweest die via het nummer [telefoonnummer 2] contact had met aangeefster, en dat de whatsapp-berichten daarmee redengevende feiten en omstandigheden bevatten waar de bewezenverklaring mede op steunt.
38. Al met al heeft het hof in toereikende mate redenen opgegeven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte van het tenlastegelegde feit diende te worden vrijgesproken wegens de onbetrouwbaarheid van de herkenning door aangeefster en/of de onbekendheid van de persoon die via het nummer [telefoonnummer 2] contact had met aangeefster.
39. Het tweede middel faalt.
40. Beide middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
41. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie art. 28a Sv als ingevoerd door de Wet van 28 februari 2013,
2.Voluit: Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures, PB L 280 van 26.10.2010, blz. 1 – 7.
3.Vgl. B.F. Keulen en G. Knigge,
4.EHRM 19 december 1989, nr. 9783/82 (
5.EHRM 24 september 2002, nr. 32771/96 (
6.Zie in dit verband ook bewijsmiddel 10.